Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 09-11-2018

Breda

betekenis & definitie

Breda - Stad en gem. in de prov. Noord-Brabant. De gemeente heeft een oppervlakte van 268 H.A. en een bevolking van ongeveer 30.000 inw. De stad B. neemt onder de historische steden van ons land een belangrijke plaats in. Nog in den Spaanschen tijd vormde ze het centrum van de Baronie van Breda, een gebied, dat zich uitstrekte tusschen het graafschap Holland, het markgraafschap Bergen op Zoom, de Meierij van ‘s Hertogenbosch en Antwerpen, en een bezitting was van ’t geslacht Oranje.

Van den beginne nam ze deel aan ’t verzet tegen de maatregelen van koning Filips II. Want al in 1566 werd hier het „Compromis” geteekend door een zestiental leden van den adel, weldra aangegroeid tot een vierhonderdtal, die hun verzoekschrift aan Margaretha van Parma te Brussel aanboden. Negen jaar later kwamen afgevaardigden van de Spaansche regeering en van de opgestane Nederlandsche gewesten tot onderling overleg te Breda bijeen, en in 1581 werd de stad bij verrassing door de Spaansche troepen genomen. In 1590 wist Maurits haar door de bekende overrompeling met het „turfschip van Breda” te hernemen. Het sterfjaar van den grooten veldheer (1625) zag B. door zijn tegenstander Spinola opnieuw aan de Spaansche zijde brengen, totdat in 1637 Frederik Hendrik het voor goed aan Spanje ontrukte. In 1667 was Breda de plaats van bijeenkomst voor de onderhandelaars van de Republiek en van Engeland, die er den Tweeden Engelschen zeeoorlog eindigden door ’t sluiten van den naar de stad genoemden vrede. Ook in de achttiende eeuw werden daar tusschen Engeland, Frankrijk en de Republiek vredesonderhandelingen gevoerd. In 1763 raakte de stad voor korten tijd in handen der Franschen, in 1795 voor langer, want eerst in 1813 werden deze genoodzaakt de vesting te ontruimen.

Na ’t jaar 1870 werden de vestingwerken van B. gesloopt; de stad kreeg ruimte en breidde zich dan ook sterk uit, vooral in de laatste 25 jaren. In 1870 telde ze 15.000 inwoners, in 1890 ruim 16.000, in 1910 ruim 27.000. Het verschil tusschen de oude, bekrompen vesting en de ruim gebouwde, fraai aangelegde nieuwe stad valt dan ook duidelijk in ’t oog, vooral naar den kant van het dorp Ginneken, dat door een nagenoeg geheel bebouwden straatweg van bijna 3 KM. lengte, met tal van villa’s zoo goed als bij de stad aansluit. Andere mooie en bloeiende dorpen in de omgeving, waaronder we Prinsenhage noemen, maken de streek tot een aangenaam verblijf, waar, wegens goedkoop wonen en leven, vooral veel renteniers en gepensioneerden zich vestigen; de schoone bosschen van dennen- en eikenhout: Ulvenhoutsche bosch, Mastbosch, Liesbosch, geven aanleiding tot druk vreemdelingenbezoek. Binnen de grenzen der vroegere vesting ligt nog het oude kasteel van B., waarvan de bouw al in de 16e eeuw onder graaf Hendrik van Nassau werd begonnen, maar eerst op ’t einde der 17e eeuw onder den koning-stadhouder Willem III werd voltooid.

Koning Willem I vestigde er de Militaire Academie in (1828). Bezienswaardig is de Groote Kerk met verschillende grafgesteenten, waaronder het schitterende praalgraf van graaf Engelbert II van Nassau, uit de 13e eeuw een meesterstuk van beeldhouwkunst, uitgevoerd in doorschijnend Oostersch marmer, naar wel beweerd wordt een werk van Michel Angelo. Als centrum eener streek van tuinbouw: warmoezerij, ooft- en fruitteelt (frambozen, aardbeien) en boomkweekerij, is B. een marktplaats met drukke winkelnering. Ook als fabrieksstad moet het genoemd worden, in de eerste plaats op ’t gebied van metaalindustrie: gietwerk, emailleerwerk, ’t maken van stoomketels, machines en onderdeelen, ook locomotieven voor tram- en locaalspoorwegen; verder bierbrouwerij, fabrieken voor chocolade, lucifers, beetwortelsuiker; looierij en ’t vervaardigen van leerwerk. De stad ligt aan de Mark-Dintel en heeft spoorwegverbinding in de richtingen naar Rozendaal, naar Dordrecht, naar Tilburg, tramverbinding met Oosterhout—Geertruidenberg, Oosterhout—Dongen—Tilburg, met Antwerpen, met Oudenbosch—Steenbergen—Rozendaal—Willemstad, met Ginneken, met Prinsenhage, enz.