Oosthoek encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Gepubliceerd op 09-11-2018

Brandenburg

betekenis & definitie

Brandenburg - 1) provincie van het Koninkrijk Pruisen en kernland van die monarchie; 40.000 K.M2 groot, 4.000.000 inw. (zonder Berlijn, dat een zelfstandigen stadskreits vormt). Het is samengesmolten uit een groot aantal voormalige Marken, die te samen de Keurmark vormden en verder uit deelen van de Neu-Mark, Pommeren, Silezië, Posen, enz. Het is verdeeld in de regeeringsdistricten Potsdam en Frankfurt. Het gebied der prov. omvat hoofdz. het z.g. Märkische Laagland, dat in het N. door het Mecklenburgsche Merenplateau, in het Z. door Nieder-Lausitz en Fläming wordt begrensd.

Dit laagland is door talrijke breede, diluviale dalen in verschillende plateauvlakken, met zand- en keileembodem, verdeeld,die soms met hoogveen bedekt zijn, terwijl in de dalen groote moerasvlakken (brüche) gevonden worden, als de Oderbruch, de Obrabruch, het Spreewald, het Havelländische luch, enz., vol meren, rivierarmen en laagvenen, die echter door kanalisatie gedeeltelijk zijn drooggelegd. Langs de rivieren vindt men vaak vruchtbaren kleigrond. Op de zandgronden verbouwt men aardappelen, rogge en boekweit; in de drooggelegde moerassen vindt men vruchten- en groententeelt; ook verbouwt men er tarwe, gerst en suikerbieten; de vochtige kleigronden worden hoofdz. voor veeteelt (vooral runderteelt) gebruikt. De Mark is rijk aan bosch; de talrijke wateren leveren veel visch; de bodem levert turf, bruinkool en zout. Door de talrijke dalen gaan veel landzoowel als waterwegen, waaronder vele der belangrijkste verbindingen van MiddenEuropa. — De provincie dankt haar naam aan den burg (nu stad) Brandenburg, die in 928 door Keizer Hendrik I op de Slaven veroverd werd.

Om het Rijk tegen de Slaven te verdedigen, vormde hij de Noordmark (van Saksen), de tegenwoordige Altmark, waar andere marken allengs mede vereenigd werden. Keizer Lotharius beleende in 1134 Albrecht den Beer, uit het Askanische Huis, er mede, die, na zich onafhankelijk van het hertogdom Saksen gemaakt te hebben, den titel van Markgraaf van Brandenburg aannam. In het midden der 13e eeuw verkregen de markgraven de waardigheid van keurvorst. Gedurende de regeering van het Askanische Huis nam Br. voortdurend in macht en aanzien toe; na het uitsterven ervan (1320), volgde een tijd van verwarring en verval. Keizer Lodewijk van Beieren beleende zijn zoon Lodewijk met het keurvorstendom (1324); Karel IV (uit het LuxemburgschBoheemsche Huis) zijn zoon Wenzel (1373); Keizer Sigismund gaf het land aan den burggraaf van Neurenberg, Frederik van Hohenzollern (1411), die in 1417 ook de keurvorstelijke waardigheid verkreeg (zie PRUISEN).

2) B., het oude Brennerburg of Branibor, stad in de gelijkn. Pruisische prov.; 66.000 inw.; gelegen op de plaats, waar de H vel het centrale diluviale dal verlaat en naar het N. ombuigt, aan den uitgang van het Plauer-kanaal en aan den spoorweg Berlijn-Maagdenburg. De stad beheerscht den toegang tot de Mark van uit het Elbe-gebied. Zij is door de Havel verdeeld in een Oude en een Nieuwe stad; op een eiland van de rivier ligt de Dom of Burg Brandenburg. B. bevat eenige oude kerken o.a, de Domkerk en de St.-Katherinakerk. Er is laken- en machineindustrie, scheepvaart en visscherij.