Oosthoek encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Gepubliceerd op 06-12-2018

Bolivia

betekenis & definitie

Bolivia - Republiek in Zuid-Amerika, zoo genoemd naar Simon Bolivar.

Algemeene gesteldheid.

B. bestaat uit het middengedeelte der Cordillera’s de los Andes en uit een klein gedeelte van de vlakte der Amazone (de selva’s) en der La Plata (El Gran Chaco).

Het Andes-gebied bereikt juist hier zijn grootste breedte en bestaat uit een Westelijke, een Oostelijke keten en een daartusschen gelegen hoogvlakte. De West. Cordillera’s vormen een nog jong gebergte, dat in het primaire en secundaire tijdvak nog door den Oceaan werd bedekt, voornamelijk in den krijttijd ontstond, toen en in het tertiaire tijdvak nogmaals werd opgestuwd tot groote hoogte. Tot in onzen tijd verstoorden vulkanische uitbarstingen herhaaldelijk de regelmaat van het gebergte. Tot de meest bekende vulkanen behooren: de Oyagua, die in solfataren-toestand verkeert, de Nevado Huallatiri (6000 M.) en de reusachtige Sajama (6415 M.), de hoeksteen van B., Chili en Peru. De sneeuwgrens ligt in dit gedeelte buitengewoon hoog, waarschijnlijk op 6000 M. De passen, welke de verbinding met de kust mogelijk maken, liggen meest hooger dan 4000 M.; het bekendst is die van Tacora op 4180 M., welke van Tacna naar La Paz voert, en sedert 1912 van een spoorweg is voorzien. — De Oost-Cordillera’s bestaan uit oude granieten. Het is een woest indrukwekkend gebergte, dat in het O. hoogten van 2-3000 M., in het W. van 4-6000 M. bereikt. De algemeene richting is aanvankelijk N.O., en gaat juist in het centrum van Bolivia bij Santa Cruz de la Sierra over in een meer N.W.-lijke.

Verschillende min of meer evenwijdig loopende, afzonderlijke ketens zijn hierin te onderscheiden, b.v. de Cordillera’s van Cochabamba (5000 M.) en de daaraan sluitende hoofdgroep, de Cordillera’s Real of die van La Paz, waarop zich verheffen: het geweldige massief van Quimsa Cruz in het O., de Ilimani (6400) en het hoogst van al, de Illampu of Piek van Sorata tot 6550 M. Lage, afzonderlijke berggroepen vormen den overgang naar het bergland van Brazilië, de Matto Grosso. Dit overgangsgebied vormt de waterscheiding tusschen Amazone en Paraguay. — De tusschen beide ketens der Cordillera’s gelegen hoogvlakte heeft gemiddeld een breedte van 180 KM. en daar de lengte ongeveer 500 KM. bedraagt, zal de oppervlakte ongeveer overeenkomen met die van 3 x Nederland. De hoogte bedraagt tusschen de 3700 tot 4600 M., waardoor deze streek tot de hoogste vlakten op aarde behoort. Het is een golvend land, waarin talrijke rivieren kloven hebben uitgeschuurd. Bovendien loopen er bergketens door, zoodat te onderscheiden zijn: een Zuidelijk bekken of dat van Uyuni, gescheiden van het centrale bekken door de Cordillera’s de los Frailes, waarin zich bij Huanchaca op 4200 M. hoogte de beroemde zilvermijnen van Pulacayo bevinden en waarin liggen het Aullagas meer en de Laguna de Coipasa (zie beneden). Het derde of Noordelijk bekken wordt voor een groot deel ingenomen door het Titicaca-meer.

Rivieren en meren.

De Oostelijke Cordillera’s ontvangen van den Z.O. passaat zooveel regen, dat talrijke rivieren hierop ontspringen. Deze behooren tot het stroomgebied van de Amazone of wel tot dat van de Paraguay. Voor de Amazone verzamelt de Madeira het meeste water, die hier dan ook haar bronrivieren heeft: de Rio Grande, de grootste rivier van Bolivia, verderop Mamoré geheeten, met links de Beni en rechts op de grens van Brazilië, de Guaporé. Het water voor de Paraguay wordt voornamelijk verzameld door de Pilcomayo en de Bermejo. Van de Westelijke Cordillera’s komen slechts kleine rivieren zooals de Rio Loa, welke naar den Grooten Oceaan stroomen. De hoogvlakte is grootendeels een gebied zonder afvloeiïng, waarvan het water verzameld wordt in het 3000 K.M.2 groote Aullagas-Meer, dat 3700 M. hoog ligt, meer dan 300 M. beneden het Titicaca-M., dat door de kleine, maar goed bevaarbare Rio Desaguadero, afstroomt naar het Aullagas-Meer. Ten W. daarvan bevindt zich de Laguna de Coipasa, het overblijfsel van een groot meer, dat zich uitstrekte over de tegenwoordige Salinas van Coipasa. — In zijn rivierstelsel bezit Bolivia een belangrijk net van waterwegen, dat echter niet met de zee in verbinding staat, daar de Madeira-Mamoré juist op de grens een reeks van voor de scheepvaart gevaarlijke stroomversnellingen vormt.

Klimaat.

Een groot verschil vertoont het klimaat van het hooge W. met het lage O. Het Oostelijke gedeelte van B., de z.g. Yunga’s, dat zijn de streken welke lager dan 1600 M. zijn gelegen, heeft nagenoeg een tropisch klimaat. Alle dagen zijn regelmatig warm; winter en zomer vertoonen weinig verschil in temperatuur, terwijl de regenval zeer aanzienlijk is en waarschijnlijk 3 à 4000 m.M. per jaar bedraagt. De meeste der rivieren ontvangen dan ook van dit gedeelte haar water. De hoogvlakte daarentegen heet de Puna’s, dat zijn steppen, hooger dan 3500 M. gelegen. Deze aanzienlijke hoogte is oorzaak dat, hoewel B. ten N. van den Steenbokskeerkring ligt, de temperatuur hier toch ver beneden nul kan dalen, vooral ’s nachts, en dat ook de warmste maanden nog geen hooge temperatuur vertoonen. La Paz b.v., op 3690 M. hoogte gelegen, heeft gemiddeld in de warmste maand (November) een temperatuur van 11½° C., in de koudste (Juli) van 6.7°. De directe insolatie, welke op een hoogvlakte altijd zich sterk doet gevoelen, kan in deze stad echter ook een temperatuur te voorschijn roepen van 23½° — Van grooteren invloed is echter de buitengewone droogte, als gevolg van de geheel tusschen hooge gebergten ingesloten ligging. Oruro ten N. van het Aullagas Meer b.v. heeft slechts 54 m.M. regen per jaar, waarvan nog 60% van December tot Februari vallen, zoodat Juni absoluut droog is.

Het gevolg van deze droogte is, dat het puin der gebergten niet wordt weggespoeld, maar op de oorspronkelijke plaats blijft liggen en dat de sneeuwval zoo gering is, dat slechts de allerhoogste toppen tot in de gebieden der eeuwige sneeuw reiken. De meer dan 6000 M. hooge vulkaan, Llullailalo, draagt nergens sneeuw, de Sajama alleen boven 5900 M., de Cordillera’s de los Frailes boven 5300 M. Werkelijke gletsjers komen ook op de hoogste toppen niet voor. Het Zuiden der Puna is het droogst en heeft een woestijn-karakter. Hier bevindt zich in het bekken van Lipez een gebied, dat nagenoeg geen regen ontvangt, waar de plassen uitdrogen tot moerassen en deze tenslotte slechts een soms 4 M. dikke laag van blinkend wit keukenzout achterlaten. Hoe meer Noordwaarts men echter komt, hoe meer de regenval toeneemt. Oruro b.v. heeft reeds 54, terwijl La Paz 553 m.M. regen per jaar heeft. Op groote hoogten wordt het klimaat zeer onaangenaam: veel regen, hagel, sneeuw, onweer, vandaar dat de gebieden hooger dan 3500 M., Puna brava worden genoemd, d.w.z. de kwaadste Puna.

Flora en fauna.

Ook de plantenwereld verschilt naar de hoogte. In het tropische gebied der yunga’s kunnen talrijke, bekende handelsgewassen groeien, zooals koffie, suiker, bananen, ananas, zelfs cacao. Dichte oerwouden strekken zich hier uit tot ruim 1000 M. hoogte. Daarboven bevindt zich een gebied met meer subtropische vruchten en daarboven gedijen tarwe en mais. Men noemt dit de Valles, welke tot 2500 M. hoogte gaan. De droogte van de Puna en de ijzige winden, welke daarover waaien, maken boomgroei op de meeste plaatsen van de vlakte onmogelijk. Veel grassteppen komen er voor, terwijl groote gebieden, vooral in het Z., zonder noemenswaardige vegetatie zijn. — Van de dierenwereld zijn in het hooggebergte vertegenwoordigd: de guanaco, de viscacha en condor, terwijl in de laagvlakte vele apen, halfapen, vampiers, puma’s, jaguars, boschhonden, beren e.a. dieren leven. Verder papegaaien, kolibri’s, spechten en tahijke merkwaardige, staartlooze amphibiën.

Bevolking.

In 1915 bedroeg het aantal inwoners van B. 2.900.000. Hieronder waren ongeveer 1 millioen Indianen, ½ millioen kleurlingen en slechts 250.000 Blanken, terwijl in het tropische gebied ± 4000 Negers voorkwamen. De Indianen leven in het Z.O. in het gebied der Paraná en in de oerwouden van het N. W. nog in hun oorspronkelijken staat. Zoo wonen de Pilcomayo de Toba-Indianen, welke tot de Guaikuru-groep behooren. Het zijn meest forschgebouwde nomaden van groote lichaamslengte; de mannen dragen als eenig kleedingstuk een schaamgordel om de lendenen, de vrouwen loopen geheel naakt, maar tatoueeren zich met roodgele kleuren. Aan de Beni komen onder de giftpijlen gebruikende stammen nog kanibalen voor. — De Indianen van de Puna en in de Valles zijn meer geciviliseerd; zij hebben nagenoeg alle den R.K. godsdienst aangenomen. Tot hen behooren de Aimará’s, het volk, dat zich eenmaal over aanzienlijke gedeelten van de Andes heeft uitgebreid en vóór de Inca’s reeds een zekere beschaving had bereikt, waarvan ruïnen bij Tiahuanaco aan den Z.-oever van het TiticacaMeer getuigenis afleggen. Het zijn krachtige, maar stompzinnige en buitengewoon leelijke menschen, zeer melancholiek, wantrouwig, stil en lui, maar het is de vraag of deze karaktereigenschappen niet een gevolg zijn van de eeuwenlange verdrukking door de Spanjaarden.

De kleurlingen, mestiezen en hun nakomelingen, de Choles, nemen een belangrijke plaats in. De mannen zijn meest Europeesch gekleed. Zij munten uit door aanleg; aan hen heeft het land voor een groot deel, zoowel de bevrijding van Spanje te danken, alsook de talrijke revolutionnaire bewegingen, die een gezonde ontwikkeling van den staat belemmeren. De Blanken zijn meest van Spaansche afkomst, doch hebben zich sterk gemengd met de Indiaansche bevolking; in godsdienst en taal spreekt nog duidelijk de Spaansche afkomst. — Slechts een 25.000 inwoners behooren niet tot den Roomsch-Katholieken godsdienst, die dan ook de staatsgodsdienst is. Elk jaar geeft de staat 112.000 gulden uit voor kerkelijke doeleinden en bovendien 22.500 gulden voor de zending onder de Indianen. B. staat onder een aartsbisschop, die in Sucre resideert en 3 bisschoppen. — De officieele taal van het land is Spaansch; vele Indianenstammen hebben echter hun eigen taal behouden, zooals de Aimarà; algemeen wordt een mengelmoes van Spaansch en Indiaansch gesproken.

Bestuur.

B. is volgens de grondwet van 1825, gewijzigd in 1880, een republiek. De president, sedert 15 Augustus 1913 Señor Dr. Ismael Montes, wordt direkt door het volk gekozen voor den tijd van 4 jaar; kiesgerechtigd zijn allen, die lezen en schrijven kunnen. Naast den president bevindt zich een Congres, eveneens rechtstreeks gekozen en bestaande uit: den Senaat van 16 senatoren n.l. 2 voor ieder departement, gekozen voor den tijd van 6 jaren — en het Huis der Afgevaardigden, 70 leden tellende, die voor 4 jaren worden verkozen. De republiek is verdeeld in 9 departementen en deze weer in provincies, kantons en sub.-kantons, respectievelijk bestuurd door een prefect, sub-prefect, corregidores en avaldes. Onderstaande tabel geeft eenige statistische bijzonderheden. Er zijn bovendien 2 territoriën Riberalta in ’t N.W. en O. Gran Chaco in ’t Z.O.

Economische toestand.

Landbouw. Ongeveer 1 millioen K.M. behoort tot het vruchtbare, warme, regenrijke gebied der yunga’s, waar suikerriet, kolanoten, katoen, bananen, ananas, rijst, peper en meloenen, zelfs cacao uitstekend kunnen gedijen. Van meer beteekenis zijn echter de kina-aanplantingen, de verbouw van cocaïne en de rubber-inzamelingen. De coca wordt in grooten getale door de Indianen in de omgeving van Coroico aangeplant en verkocht naar de hoogvlakte, waar men de bladeren van deze struik kauwt of ze uitvoert naar de mijnbouwdistricten van Chili en Argentina. Ofschoon in 1903 een der belangrijkste gebieden, n.l. Acre, aan Brazilië moest afgestaan worden, leveren de oerwouden toch nog per jaar ruim 4.500 ton kaoetsjoek op; hierdoor is B. het tweede rubberland van Z.-Amerika. De gebieden tusschen 2 en 3000 M. hoogte, bij Sucre, Cochabamba en Tarija, zijn geschikt voor verbouw van maïs en tarwe, maar van de eigenlijke puna is alleen de omgeving van het Titicaca-Meer van eenige beteekenis door den verbouw van gerst, aardappelen e.a. Europeesche gewassen. In het geheel is slechts 5% van den geschikten bodem in gebruik voor de landbouw. — De veeteelt is van weinig belang. Het meest worden schapen gehouden (1½ millioen); de uitvoer van wol, ook der lama’s (400.000), alpaka’s (100.000) en vicuña’s (200) beteekent het meest, terwijl de lama’s nuttig werk als lastdieren verrichten in de hooge mijnbouwgebieden, waar paarden of muildieren niet meer te gebruiken zijn. — De m ij n b o u w is echter van alle middelen van bestaan de belangrijkste en vertegenwoordigt ongeveer 2/3 der waarde van den geheelen uitvoer. B. is het land, waar de Spanjaarden het meeste zilver haalden voor hun bekende zilvervloten.

Reeds in 1545 werden de zilvermijnen in de nabijheid van Potosi ontgonnen, waarvan de opbrengst gedurende het tijdvak 1552-1802 geschat wordt op 1800 millioen peso’s. Nog in het jaar 1885 bedroeg het zilver 63% van den totalen uitvoer, maar langzamerhand raakte de hoeveelheid uitgeput, terwijl die productie van andere metalen zich steeds meer uitbreidde. In 1911 leverde B. dan ook niet meer dan 4 millioen gulden zilver of 5% van den geheelen uitvoer. (Men dient hierbij in aanmerking te nemen, dat deze achteruitgang in % niet alleen een gevolg is van de verminderde productie, maar tevens van den grooteren uitvoer in het algemeen). Tin is thans het belangrijkste mineraal, dat in de omgeving van Oruro en Uyuni wordt gevonden, (66% van den uitvoer). B. levert daarvan ¼ der wereldproductie en volgt in beteekenis terstond op het schiereiland Malaka. Van belang is voorts de productie van koper, het zeldzame bismuth en wolfram, antimonium, goud, zink, lood, platina, zout en petroleum. Waardoor verkeert het land van zulke rijke, natuurlijke hulpbronnen voorzien, toch in een achterlijken economischen toestand? De eeuwenlange onderdrukking en uitzuiging door Spanje kan zeker als een van de eerste oorzaken worden aangemerkt; de rijkdom van mineralen, door de bevolking aan de oppervlakte gebracht, ging door en uit het land, maar kwam noch het land, noch het volk ten goede. Na de bevrijding van het Spaansche juk hebben binnenlandsche onlusten elken vooruitgang tegengehouden en twee buitenlandsche oorlogen brachten het land in diep verval.

In 1883 verloor het aan Chili zijn gebied langs den Grooten Oceaan, waardoor het als binnenstaat voor altijd van de omringende landen afhankelijk zal blijven. Bovendien nam Brazilië in 1903 van het geplunderde land nog het Acre-gebied in het N.W af. Sinds dien is het echter begonnen zich met koortsachtigen ijver toe te leggen op den bouw van een aanzienlijk spoorwegnet om daardoor een uitweg te zoeken naar alle omringende landen. Vóór 1892 ging het vervoer geheel door Peru over de lijn van Puno aan het Titicaca meer; in dat jaar bouwde Chili een spoorweg van Ascotán naar de haven Antofagasta. Daarna trok Argentina haar spoorwegen door tot de grens bij La Quiaca, zoodat het Z.-O., vooral het gebied van Tupiza geopend werd, terwijl in 1912 Brazilië een lijn bouwde van Guajara Mirim aan de N. grens naar San Antonio, de plaats waar de Madeira bevaarbaar wordt. Hiermede waren afvoerwegen ontstaan naar Peru, Chili, Argentina en Brazilië. De staat zorgde voor de uitbreiding in het land zelf, zoodat in 1913 de totale lengte van de in gebruik zijnde spoorwegen 1891 K.M. bedroeg, terwijl 945 K.M. nog in aanbouw waren, verdeeld als volgt:

voltooid:

Ascotan-Oruro-La Paz 900 K.M.

Oruro—Biacha 202 „ La Paz—Tacora 208 „ Potosi—Rio Mulato 170 „ Oruro—Cochabamba 209 „ La Paz—Quaquia 97 „ ________________ totaal 1786 K.M.

in aanleg:

Cochabamba-electrische 75 K.M.

Uyuni—Tupiza 241 „ Tupiza—La Quiaca 96 „ La Paz—Puerto Pando 201 „ Cochabamba—Rio Chimoré 300 „ Uyuni—Pulacayo 33 „ ________________ 945 K.M.

De lijn Potosi—Rio Mulato gaat over een gebergte van 4820 M. hoogte en is daardoor de hoogste spoorweg op aarde.

De beteekenis van deze spoorwegen komt het duidelijkst uit in de cijfers, welke den in- en uitvoer van B. aangeven in millioenen guldens.

Rekenen we de jaren 1914 en 1916, waarin zich duidelijk de invloed van den Europeeschen oorlog in dit binnenland van Zuid-Amerika deed gevoelen, niet mede, dan blijkt, dat in ongeveer 25 jaar de handelsomzet ruim verzesvoudigd is, een resultaat, waarop geen enkel andere staat op aarde zich beroemen kan. De invoer bestaat voornamelijk uit levensmiddelen, industrieproducten, kleedingstukken, spiritualiën en was voor 2/5 in handen van Duitschland; daarna volgden Groot-Brittannië, de Ver. St. en België. Van den uitvoer ging 4/5 naar Groot-Brittannië. De voornaamste boven reeds genoemde artikelen droegen hiertoe als volgt bij:

tin ƒ 50.000.000 antimonium 11.000.000 koper 9.800.000 zilver 230.000 bismuth 180.000 wolfram 730.000 ______________ totaal ertsen ƒ 71.940.000 kaoetsjoek ƒ 15.000.000 cocaïne 660.000 huiden 258.000 andere plantaardige producten 607.000 andere dierlijke producten 214.000 ______________ totaal ƒ 16.739.000 De geheele handel en daardoor de economische toestand van het land zal aanmerkelijk verbeteren, wanneer meerdere spoorwegen door het land gaan tot afvoer van de producten en aansluiting wordt verkregen met de omringende landen. La Paz heeft thans reeds een drievoudige verbinding met de zee, en ruim 163 millioen gulden zijn uitgetrokken voor den aanleg van nieuwe lijnen o.a. naar Rio de Janeiro en Buenos Aires. Dan kan de tijd komen, dat het door de natuur gezegende land niet meer een deel van zijn toch al reeds zoo geringe bevolking wegens armoede behoeft uit te drijven, zooals thans geschiedt nu de Indianen over de hooge passen van het grensgebergte — de mannen in hun froncho gedoken, de vrouwen en kinderen te paard — afdalen om op de suikerplantages van Noord-Argentina een bestaan te vinden, waar San Pedro en Ledesma voor hen het land van belofte is, — dan kan de tijd komen, dat Bolivia weer een welvarend land wordt, zooals zulks het geval was vóórdat de Spanjaarden er de Europeesche beschaving brachten.

Litteratuur: Kaarten: H. Reck, Mapa topográfico de la Altiplanicie central de B. (1863); E. Idiáquez, Mapa de B. 1:2.000.000 (1901); Carta geografica del Nordeste de B. (1902); V. Huot, Carte des Régions des Hauts Plateaux de l’Amérique du Sud (1903); F. Germann, Mapa de la República de B. (1914). — Werken: P. Ahumada Moreno, Guerra del Pacifico, 6 dln. (1884— 89); M. J. v. Bacano, Aus dem Erbe der Inkas (1912); Bacano H. Mattis, B. in Wort und Bild (1906); M. V. Ballivian en E. Idiáquez, Diccionario Geográfico de la República de B. (1890); W. van Brabant, La B. (1913); Sir M. Conway, The B. Andes (1901); L. S. Crespo, Geografia de B. (1905); R. Hauthal, Reizen in B. (Ges. Erdk. Leipzig 1911); H. Hoek, Bergfahrten in B. (Zeitschr. D. 0. Alpenvereins 1907); The Alpine Journal (1906); Herzog, Vom Urwald zu den Gletschern der Cordillere (1913); C. Matzenauer, B. in hist., geogr. und cult. Hinsicht (1897); Mission Scientifique, G. de Créqui Montfort et Sénéchal de la Grange (verschijnt te Parijs); G. Sanjuines, Das heutige B. (1913); C. P. Suarez, Notes on B.

(1902); P. Walle, B. (Londen 1914); idem, La B. et ses Mines (1913); Mrs. R. Wright, B. (1907).