Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 06-12-2018

Blijspel

betekenis & definitie

Blijspel - of komedie (Lat. comoedia, gr. kômôidia uit Kômos = feestelijke optocht en ôidê gezang.) In het algemeen die vorm der dramatische kunst, welke mensen en zaken van de vrolijke, komische zijde beschouwt, hetzij op eenvoudig schilderende, hetzij op hekelende wijze. Evenmin als van het treurspel is de oorsprong van de komedie met zekerheid bekend. Volgens Aristoteles ontleende zij haar oorsprong aan feesten, die samenhingen met de godheden der vruchtbaarheid (vooral Dionysus), waarbij veel ruwe scherts en beschimping, snedige antwoorden en schotschriften en komische samenspraken, vergezeld van optochten en dansen van gemaskerden, plaats vonden. Uit deze feesten schijnt zich in het oude Griekenland het blijspel ontwikkeld te hebben, welks karakter allengs door de kunst verfijnd werd, zodat het ten slotte als eigen kunstvorm in de rij der dramat. dichtsoorten trad.

In Attica gold een zekere Susarion, die 580 v.C. leefde, als de stichter of uitvinder van deze kunstvorm. Evenwel zou het blijspel reeds vroeger bij de Megarensers, wier dartele vrolijkheid en spotlust bekend waren, en wier vrijere staatsregeling hiertoe meer dan elders meewerkte, inheems geweest en tot een zekeren trap van ontwikkeling gekomen zijn, alsook op Sicilië, vooral door Epicharmus, die parodieën of dwaze grappen op legenden vervaardigde, en van wie nog enkele fragmenten zijner stukken over zijn. Wellicht ontleende Susarion het blijspel aan de Megarensers en bracht het naar Attica. Evenwel schijnt het aldaar eerst omstreeks 528 v. C. algemeen bijval gevonden te hebben. In de eerste geschiedenis der kunst van het blijspel of de komedie onderscheidt men gewoonlijk drie tijdvakken:

1) De oude komedie. Deze bloeide tot op den tijd van Athene’s onderdrukking door de 30 tyrannen (404 v.C.).

De voornaamste dichters dezer soort waren:

Cratinus, Crates, Eupolis,Pherecrates, Phrynichus en voornamelijk Aristophanes (± 445-380), van wien alleen nog volledige stukken voorhanden zijn (De Acharnen, De Ridders, De Wolken, De Wespen, enz.), waaruit men den aard dezer dichtsoort kan leeren kennen. Elke zwakheid, ieder zedelijk gebrek, alle staatkundige verkeerdheden en verderfelijke richtingen, ook in de aanzienlijkste en hoogst geplaatste personen, werden gehekeld en aan den spotlust prijsgegeven. Zelfs heroën en goden werden niet gespaard, maar in hunne zwakheden op belachelijke wijze voorgesteld. Eerzuchtige, ongeschikte veldheeren, dwaze leeringen verkondigende wijsgeeren en sophisten, dichters en redenaars werden onder hun eigen naam en met een wel gelijkende voorstelling van hun uiterlijk voorkomen, door middel van bepaald daarvoor gemaakte maskers, ten tonele gevoerd. Niemand bleef verschoond, die den geesel der bespotting scheen te verdienen. Wel werd de voorstelling daarbij dikwijls tot een karikatuur. Dubbelzinnige beeldspraak en vergelijkingen, vuile kluchten en uitdrukkingen waren reeds toen niet zeldzaam. De komedie van Aristophanes heeft over ’t algemeen een openbaar karakter, alle betrekkingen van ’t openb. en bijz. leven komen onbarmhartig gehavend aan het licht en voor de ogen van het publiek.

Het blijspel van de oudste school is een volmaakte tegenhanger van het treurspel. In de tragedie der ouden vertoont zich de hooge ernst der poëzie, zowel in de onderwerpen als in de voorstelling en behandeling. Beide schilderen denkbeeldige toestanden. De komedie stelt de menschen en hunne aangelegenheden ook als idealen en onder ideale omstandigheden voor, maar in een tegenovergestelden zin als de tragedie, namelijk in hunne laagheden en verkeerdheden, in hun onwaarde. En gelijk in de tragedie in elk opzicht eene harmon, eenheid heerschen moet, mag het blijspel zich in eene chaotische verscheidenheid bewegen, de meest bonte tegenstellingen en strijdigheden opdisschen, zich allerlei willekeur veroorloven. Aan dit gemis aan regelen is ook het groote gebrek aan vorm in vele stukken der ouden toe te schrijven, die geheel zonder een vast plan en zonder eenheid zijn bewerkt, als ook de menigvuldige overtredingen van de welvoeglijkheid. Hierbij dient echter niet over het hoofd gezien, dat de ouden over zekere zaken geheel anders dachten dan thans geschiedt en omtrent vele punten der zedeleer veel vrijere denkbeelden hadden dan waarmee nu rekening dient gehouden te worden, terwijl daarenboven de dartele uitgelatenheid der Dionysusfeesten spelen vereischten, die daarmee in overeenstemning waren.

Bovendien is het den dichters er blijkbaar nooit om te doen geweest, om slechts door zedelooze kluchten en potsen de lachspieren der menigte in beweging te brengen, en vertoont zich zelfs in de dolste uitgelatenheid nog een zedelijk ernstige zijde. De taal der oude Grieksche komedie is het zuiverste Attisch, zowel in den dialoog als in de koren, die hier even als in de tragedie voorkomen, echter geene gezangen tusschen de afzonderlijke bedrijven. Het koor bestond meest uit 24 personen, die dikwijls in 2 halve koren gesplitst waren. De dans van het koor in de komedie was in zijne bewegingen en sprongen dartel en ongebonden, soms ongepast en onkiesch. Over het kostuum der oude komedie, zie TOONEELSPELERS. Deze soort van komedie werd tegen het einde van den Peloponnesischen oorlog, vooral door Lamachus in hare vrijheid beperkt.

2) De middelbare komedie is eigenlijk slechts de overgang van de oude tot de nieuwe.

De vroegere bespotting en beschimping van werkelijke bij name genoemde aanzienlijke personen en machthebbenden in den staat hield op; in hunne plaats kwamen wijsgeeren, dichters, vooral treurspeldichters, ook personen van het gewone, dagelijksche leven: handwerkslieden, boeren, soldaten, tafelschuimers, en andere van dien aard. Ook de uiterlijke pracht en sierlijke uitrusting werden minder; de koren vielen weg. Daarentegen werd er in de handeling en voorstelling een kunstmatig plan en een ontknooping gebracht, en de personen werden in groote verscheidenheid ten tooneele gevoerd. De taal kwam ook den toon van het dagelijksche leven meer nabij, maar bleef toch steeds nog zuiver en sierlijk. Dichters van deze soort waren behalve nog Aristophanes in zijn Plutus, Antiphanes en Alexis.

3) De nieuwe komedie was nog meer gematigd, eerbaar en kunstmatig. Het staatkundige en openbare leven verdween geheel van het tooneel, daarentegen werden veelvuldig karakterstukken opgevoerd.

Een intrigue werd er in gelegd en een slot ontwikkeld, zoodat de nieuwsgierigheid der toeschouwers daarop gespannen bleef. De kunst bestond daarin, om een karakter juist, naar het leven te schilderen, goed vol te houden en daarbij een samenhangend plan te volgen.

Bij de Romeinen ontstonden de eerste proeven eener komedie, volgens Livius, in het jaar 363 v. C., en wel tijdens een pest-epidemie, daar men onder andere middelen om den toorn der goden te verzoenen, ook ludi scenici (tooneelspelen) vertoonde en daarvoor tooneelspelers uit Etrurië ontbood. Deze vertoonden een soort van mimischen dans zonder zang, wat de Romeinen eenvoudig navolgden en bij zich invoerden. In 't jaar 240 v. C. vervaardigde Livius Andronicus, een Grieksch vrijgelaten slaaf, ongetwijfeld naar Grieksche voorbeelden, een ordelijk stuk, bij welks voordracht en vertooning een fluitspeler hem begeleidde. Bij het opvoeren van zulke stukken, vertoonden jonge Romeinen nog de oude scherts en potsen. De oudste komedie der Romeinen was eene navolging der nieuwere Grieksche; Plautus (schrijver o.a. van de Aulularia en de Amphitryon), en Terentius (Andria, Eunuchus) uit wier stukken men haar alleen kent, gingen hierbij echter reeds wat zelfstandiger te werk, hoewel ook bij hen de Grieksche modellen, Menander (van wien slechts fragmenten zijn bewaard), Diphilus, Philemon, te herkennen zijn. Naevius deed eene proeve om de oude Attische komedie in te voeren, en tastte aanzienlijke Romeinen vrijmoedig aan, doch moest voor deze poging met gevangenis boeten, en zoo werden anderen hiervan afgeschrikt. De onderwerpen der Romeinsche komedie zijn steeds aan het huiselijke en burgerlijke leven ontleend; nooit bezat zij een openbaar en politiek karakter. Daartoe stond het blijspel in de publieke meening te laag aangeschreven.

De belangstelling der toeschouwers werd geboeid door het ingewikkelde der handeling en de verwachte ontknooping, die meestal op eene herkenning of een huwelijk uitliep; de karakters zijn tamelijk gelijkvormig en eenzelvig. De deelen eener Romeinsche komedie waren prologus, een soort van voorafspraak, die gewoonlijk den inhoud van het stuk opgaf met aanbeveling ervan aan het publiek, diverbium, de samenspraak, en canticum, een zangerige alleenspraak onder begeleiding. Zij had geen koor. Een komedie, die eene navolging van de Grieksche was, met Grieksche zeden en levenswijze, heette fabula palliata; de stukken, waarin Romeinsche zeden, levenswijze en kleederdracht voorkwamen, waren fabulae togalae.

De Nederl. letterkunde is betrekkelijk arm aan goede oorspronkel. blijspelen, hoewel deze kunst vorm hier tamelijk wel in den smaak viel; te vaak echter treedt het ruwe, ongemanierde en onkiesche overheerschend op, zoowel in de grappen en kluchten van de kamernarren der oude rederijkerskamers, wier bijzondere functie het was de vroolijkheid in de vergaderingen der gilden gaande te houden, als in de blijspelen van den vroeg gestorven, veelbelovenden Bredero, en in die van Hooft, Huygens, Vos en Asselijn, al hebben al deze schrijvers zeer zeker gaven voor het tooneel en talent om blijspelen in elkander te zetten. (Vooral Bredero’s Spaansche Brabander en Hooft’s Warenar.) Rotgans’ Boerenkermis toont aan, dat deze dichter wel op het gebied van het blijspel iets goeds had kunnen leveren, als hij zich op dezen kunstvorm had toegelegd. Langendijk, Nederlands grootste blijspeldichter der 17e-18e eeuw, leverde eenige goede blijspelen (Don Quichot, of de bruiloft van Kamacho, het wederzijdsch huwelijksbedrog, Krelis Louwen, of Alexander de Groote op het poëtenmaal, enz.). De meeste b. die de 19e eeuw opleverde in Nederland, waren vertalingen of min of meer zelfstandig opgevatte bewerkingen; weinigen der schrijvers of dichters van naam van dat tijdvak (v. d. Bergh, Bogaert, Brein, De Koo enz.) legden zich met ernst op dezen vorm der dramat. kunst toe of keurden hem hun beste krachten waardig, terwijl ook de allerlaatste tijd weinig of niets opleverde. Over het geheel heeft Nederland tegenover een vloed van treurspelen slechts enkele blijspelen van blijvende waarde te stellen. In Italië vond het b. het eerst een genialen beoefenaar in kardinaal Dovizi da Bibbiena (1470-1520), vertrouweling van paus Leo X en schrijver van een komedie, getiteld La Calandria, een waar hekelspel, op een voorheen nog niet gevolgde wijze opgevat. Vervolgens werd de letterk. van genoemd land verrijkt met Mandragora van Machiavelli, de blijspelen van Ariosto (waarvan enkele navolgelingen waren van Plautus), die van Aretino, oorspronkelijk en vol gloed en leven, die van Cecchi, van Lasca, van Lodovico Dolce, van Francesco d’Ambra.

In de 17e eeuw verbasterde hier het geregelde, klassieke b. tot klucht- en spektakelstukken; dit tijdvak echter deed vele thans overal bekende komische typen als Pulcinella, Harlekijn, Pierrot, Brighella, enz. geboren worden. Uit de 18e eeuw zijn onder de Ital. blijspeldichters te noemen Maffei, de abt Chiari, Riccoboni en vooral Goldoni, een oppervlakkig opmerker met middelmatig talent, maar zeer handig in elkaarzetter van sensatie stukken, en van een onuitputtelijke vruchtbaarheid; verder Carlo Gozzi (fabel komedies). De voornaamste blijspelschrijvers van den laatsten tijd zijn hier Cossa, Giacosa, Ferrari, G. G. Zamboni, Cavallotti, Torelli, L. Muratori en Chiaves. — In Spanje ontwikkelde het b. zich op zeer bijzondere wijze; om populair te blijven, heeft het daar alles moeten opofferen: schildering van zeden, karakterstudie, zelfs de waarschijnlijkheid, om slechts amusant te blijven en de hartstochten te prikkelen. Hoofdelementen van het Spaansche b. zijn intrigues, avonturen, imbroglio; bijzonder populair maakten zich Castillejos, Lopez de Rueda en Juan de la Cueva, wier stukken door rondreizende troepen op de dorpen in de open lucht werden ten beste gegeven, met tot hulpmiddelen louter een stuk zeildoek om inderhaast een soort tooneel te kunnen opslaan, en wat dierenhuiden en valsche baarden voor costumes.

De vertalingen van Villalobos (Amphitryon), van Simon d’Abril van Timoneda en de Argensolas, ten tijde van Filips II, tijdgenooten en Castillejos, enz., en allen beoefenaren van den klassieken stijl, werden hoogstens door enkele letterkundigen van gezuiverden smaak gelezen. In de 17e eeuw schreven Cervantes, Lopez de Vega, Calderon, Moreto, Rojas meerdere blijspelen, waarin monnikskap en sabel den boventoon voerden, blijspelen waarin de schrijvers evenveel vernuft en geestigheid als verschrikkelijkheden in hun treurspelen wisten te leggen. Hun tijdgenoot, Alarcon, schrijver van het b. La verdad sospechosa, waaraan Corneille zijn Menteur ontleende, deed een eerste poging om het karakter van de Spaansche komedie te verfijnen en te veredelen. En het meerendeel der Fransche poètes comiques van Thomas Corneille tot op Scarron, ontleenden hunne inspiratiën aan het Spaansche theater; in de 18e eeuw valt het tegenovergestelde waar te nemen en werd het Fransche tooneel in Spanje gevolgd. Als Spaansche blijspelschrijvers van betekenis moeten nog genoemd worden Zamora, Canizares, Thomas de Yriarte, Moratin, Jovellanos, Melendez. — Ramon en La Cruz voerden in Spanje het eerst straatkroeg- en bordeel-scènes ten tooneele, in overeenkomstige taal vervat en met toepasselijke costumeering. Voorts hebben in den lateren tijd Martinez de la Rosa en een geheele zwerm van blijspel schrijvers, met Mariano de Larra, Bretón de los Herreros, Hartzembuch, Luiz de Eguilaz, Tamago y Baus en Etchegaray aan het hoofd, getracht hetzij den Franschen smaak naar den Spaanschen volksaard te bewerken, hetzij den klassieken stijl der oude meesters te doen herleven.— In Frankrijk bloeide het komische tooneel reeds in de middeleeuwen; men onderscheidde toen farces, sotties en moralités.

Deze genres hadden echter met het eigenlijk b. niets uitstaande; dit deed eerst in de 16e eeuw en van uit Italië zijn intrede in Frankrijk. De beroemdste naam uit dit eerste tijdvak van het Fransche b. is Larivey, naast Jodelle, Charles Estienne, Ronsard en Baïf, Jean de la Taille, J. Godard en Odet de Turnèbe, allen schrijvers van ietwat ingewikkelde stukken, met een tint van geleerdheid, en gekarakteriseerd door een streven naar sierlijkheid boven losheid van uitdrukking, een stijl, die spoedig verlaten werd, doch tusschen 1630 en 1660 weer opbloeide en voor dat tijdvak de heerschende bleef (Rotrou, Mairet, Desmarets de Saint-Sorlin, Scarron, Boisrobert, Thomas Corneille, Quinault, Cyrano de Bergerac, Gillet de la Tessonnerie, Tristan l’Hermite, welke allen meest uit Spaansche bron putten). Tot op Molière bleef het Fransche b. gekenmerkt door onwaarschijnl. intrigues, conventionele personages, gezochte, overdreven komische tooneelen, overlading. Van 1660 tot 1673 bleef Molière meester van het tooneel; deze zocht slechts het natuurlijke; hij beschouwde den mensch, zonder veel aandacht te schenken aan de intrigue, en trachtte door de handelingen zijner personen aan te toonen, dat slechts wie zich aan natuur en rede houdt, gelukkig kan zijn; zijn b. zijn zuivere voortbrengselen van dramatische kunst, die in de eerste plaats handeling vereischt. Stukken van een dergel. aard schreven te dien tijde Racine (Les Plaideurs, navolging van Aristophanes), Baron (L'Homme à bonnes fortunes), de Visé en Boursault. Aan het einde der regeering van Lodewijk XIV schitteren drie komische schrijvers:

Regnard, die minder waarde hechtte aan juistheid en natuurlijkheid dan aan een onafgebroken plaisanterie; Dancourt, die uitmuntende schetsen uit het leven der 18e eeuw (eerste helft) heeft nagelaten; en Le Sage, die nog sterker kleuren aanbrengt en wiens satire dikwijls bitter is. In de 18e eeuw bevrijdde Marivaux zich van de oude traditiën, en van alle regelen; zijn wijsgeerig getinte blijspelen, van een fabelachtigen inhoud, vol poëzie, en vrouwelijk-teeder, doen denken aan de tragedieën van Racine. De omwenteling in de Fransche literatuur in de 18e eeuw deed ook haar invloed op het tooneel gelden; Nivelle de la Chaussée vond den blijspelvorm, genaamd „comédie larmoyante” uit, waarin men den voorlooper van den tegenwoordigen vorm, die zich bijna geheel met huiselijke scènes bebezighoudt, te zien heeft; ook de stukken van Diderot, enkele van Voltaire en van Beaumarchais kunnen als zoodanig worden opgevat. Piron en Gresset begonnen mede de zeden te hekelen. Beaumarchais vat alle voor hem beoefende vormen van het b. samen; zijn komedie is politiek getint, en in dezen zin gericht tegen de personen en toestanden van het ancien régime; zijn intrigues ontwikkelen zich snel, zijn dialoog is geestig en bijtend. Na hem geraakte deze kunstvorm voor een lange periode in verval; Picard en C. Delavigne deden vergeefsche pogingen, hem te doen herleven. De heerschende zin voor het romantische liet weinig plaats voor het b., dat zich in zijn wezen juist tegen het buitensporige richt. Musset vond in zijn Comédies en Proverbes een bijzonder en zeer origineel genre, echter weinig geschikt voor het tooneel.

Gedurende de eerste helft der 19e eeuw beheerschten Scribe en Dumas-père het tooneel ten opzichte van het b.; alles wordt bij hen achtergesteld voor de intrigue; karakter schildering en moraal ontbreken ten volle. Vele stukken, getrokken uit de meesterwerken van G. Sand, Sandeau en Feuillet hebben hoegenaamd geen waarde, in vergelijking met de werken, waaraan ze zijn ontleend. De stukken van Labiche behoren tot het gebied der vaudeville. Na 1860 brachten Augier en Dumas fils een renaissance in het b. teweeg; beiden schreven stukken met een ernstigen achtergrond, meest gericht tegen maatschappel. toestanden en tegen de zeden en denkwijze huns tijds; de eerste trad op als verdediger van het gezond verstand tegen de buitensporigheden van den hartstocht voor het drakerig-romantische; de tweede is de man van een door geestigen vorm en gloed van overtuiging smakelijk gemaakte, gewaagde moraal. Behalve deze beide meesters zijn uit den laatsten tijd te noemen Sardou, Halévy, Meilhac, Gondennt, Barrière, Pailleron, Becque, J. Lemaître, F. de Curel, Donnay, Lavedan, E. Rostand, Bergerat, Hervieu, enz. Coppée, Richepin en Mendès behoren meer tot het gebied van het treurspel, evenals A. Bisson tot dat der vaudeville. — In Engeland had men op het gebied van het b. vóór Shakespeare weinig anders dan grove kluchten en schandaal stukken, als „De naald van moeder Guston”, waarvan de schrijver onbekend is gebleven. Shakespeare betoonde zich in „De Koopman van Venetië” enz. een even groot blijspeldichter als treurspeldichter in zijn tragische werken. Zijn geleerde tijdgenoot Ben Johnson, en vervolgens Beaumont en Fletcher, openbaarden veel geest en vindingrijkheid in het intrigue blijspel; de beide laatsten putten echter meestal uit Spaansche bron.

Congreve, een eeuw later, volgde het spoor van Molière ; sinds hem verloor het Engelsche blijspel zoo goed als geheel zijn oorspronkelijkheid, hoewel „De Vrek” van Fielding en een enkel stuk van Goldsmith scheppingen van dramatische kunst van blijvende waarde zijn; voorts moeten Cumberland en vooral Sheridan vermeld. Heden ten dage vergenoegen de Engelsche blijspelschrijvers zich voor het meerendeel met aan het Fransch te ontleenen. Meer oorspronkelijk met zijn satirische blijspelen is G.B.Shaw.

— In Duitschland trad in de middeleeuwen Hans Sachs, een Neurenbergsch schoenmaker, het eerst met een reeks blijspelen op, klucht stukken met een soort dialoog en eenige karakter schildering. In de 17e eeuw beoefende Andreas Gryphius met vrucht het satirieke blijspel, en na hem J. E. Schlegel en Gellert; daarna begon de Fransche smaak te heerschen; Lessing herstelde het nationale tooneel met Mina van Barnhelm, en baande Goethe en Schiller den weg; na deze groote namen zijn weinigen meer te vermelden buiten Kotzebue, Holtei, Gubitz, Voss, Tieck en Platen, en enkelen hieronder zijn meer als vaudevillisten dan als blijspelschrijvers te beschouwen; in den laatsten tijd leverden E. Wichert, A. Wilbrandt en Paul Lindau enkele oorspronkelijke blijspelen; overigens moest men zich met vertalingen van Fransche stukken tevreden stellen.

— Op het voorbeeld van Hettner onderscheidt men bij het blijspel veelal phantastische en realistische; de eerste soort was de heerschende in de oudheid, in de school van Aristophanes, terwijl men er ook de romantische sprookjes blijspelen toe rekent; tot de laatste behoren behalve de producten van het z.g. nieuwere Grieksche blijspel de meeste voortbrengselen van dezen aard in de literatuur der moderne volken. Het phantastische blijspel schept zich een eigen wereld, zonder zich door de wetten en mogelijkheden der werkelijkheid gebonden te rekenen. Het realistische blijspel daarentegen streeft steeds naar den schijn van waarheid en werkelijkheid. Naar zijn inhoud onderscheidt men in deze soort nog allerlei genre’s; de klucht beweegt zich in het lager-komische; het karakter-blijspel neemt een komisch persoon tot middelpunt; het intrigue-blijspel richt zich op het komische der situatiën.