Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 06-12-2018

Bewustzijn

betekenis & definitie

Bewustzijn is de algemeenste uitdrukking van het fundamentele, met niets anders vergelijkbare feit, dat aan een wezen iets bewust is. Men kan er door abstractie drie, in werkelijkheid nooit buiten elkaar voorkomende bestanddeelen in aanwijzen: 1) datgene, wat bewust is, ook wel bewustzijns-inhoud genoemd; 2) de betrekking van dien inhoud op het bewuste Ik, ook soms „bewustheid” geheeten en 3) het bewuste Ik, dat dien inhoud „heeft”. In onze ervaring, als natuurfeit, komt het b. voor bij een deel der levende, georganiseerde (met zenuwstelsel voorziene) wezens, dieren en menschen. Het wordt innerlijk doorleefd.

De voorwaarden aan te wijzen, waarvan het afhangt, dat een levend wezen (biologisch individu) van een verandering van zijn organisme een b. heeft, is taak der physiologie. Het innerlijke doorleven te onderzoeken is daarentegen de taak der psychologie. Deze onderscheidt in het b. drie typen: 1) het kennen, het intellectueele (gewaarwording, voorstelling, denken), 2) het voelen, het emotioneele, met de tegenstelling lust en onlust, 3) het willen, het volitioneele (streven, begeeren, willen). — Het kennend b. is echter ook nog object van een andere wetenschap. Alle kennen is nl. gericht op een zijnde, een object, dat in zijn wezen gedacht wordt als onafhankelijk van het feit, dat het als bewustzijns-inhoud door een bepaald individueel Ik doorleefd wordt. Het in het subject doorleefde (verschijning, phaenomenon) is hier representant van het object. Nu is het de taak der logika (in den algemeensten zin) te bepalen, op welke fundamenteele wetten de objectiveering der verschijningen (d. i. der gezamenlijke, tot dusver bloot als subjectief gegeven beschouwde inhoud van het bew.) berust. Zoo is deze wetenschap gericht op de eenheid van het b., waarin de eenheid der objectiviteit wortelt. Wat het gebied van onderzoek betreft, valt dus de logika (en de bijzondere wetenschappen) samen met de psychologie; maar de richting van dat onderzoek is bij beide geheel tegengesteld.

B.’s inhoud is alles, waarmede wij menschen in aanraking komen, ook de ruimte-wereld met hare dingen. Men kan en moet echter bij het bepalen van het zoogenaamde wezen dier dingen, hun eigenschappen en gedragingen, ervan afzien, dat zij tot een Ik in betrekking staan, en dat wezen uitdrukken door begrippen, waarin niets van bewustzijn voorkomt. Daardoor ontstaat de schijn van een zelfstandig bestaan dier dingen (objecten) „buiten’’ het waarnemend en denkend b. Inderdaad beteekent die objectiviteit niets buiten de relatie tot een subjectiviteit, een bewust Ik. — Met dit algemeenste, oorspronkelijke, kenkritische Ik moet nu evenwel niet verward worden het individueele concrete subject, de ontwikkelde voorstelling onzer eigen persoonlijkheid als geheel, die wij in het dagelijksch leven door „Ik” aanduiden. Deze voorst, is geen oorspronkelijk feit, maar een afgeleid, in hooge mate samengesteld verschijnsel, product van een onnoemelijk aantal afzondert., door synthese tot eenheid samengesmolten, bewustheden. — Met het gebruik van den term „bewustzijn” zijn groote moeilijkheden verbonden, die voor een deel ’t gevolg zijn van gebrekkige (aan ’t gebied der ruimte-voorstelling ontleende) vergelijkingen en metaforen en van een verkeerde isoleering der zooeven aangewezen drie momenten (inhoud, bewustheid, Ik). Zoo heeft men, door physiologische behoeften gedreven, den term ingevoerd : „drempel” (Schwelle) van het b., waarmede zich maar al te vaak de opvatting verbindt, alsof bew. inhouden „buiten” een Ik zouden kunnen bestaan, inhouden, die dus eerst in strengen zin „onbewust” zouden zijn en vervolgens door het overschrijden van dien drempel, bewust zouden „worden”, in het b. zouden „treden”. Men verwart soms ook b. met zelfb., de uitdrukkelijk op onze gewaarwordingen, gevoelens enz. gerichte opmerkzaamheid. Onbewuste voorstelling, gevoel enz. kan slechts beteekenen, dat ik er niet aan denk, er niet op let, dat ik een voorst, enz. heb, b.v. bij „onbewuste liefde”. — Onder „engte” van het b. verstaat men het feit, dat op een bepaald tijdsmoment slechts een zeer begrensd getal inhouden (waarnemingen, gevoelens, enz.) bewust voorhanden is, als ’t ware in het volle licht van het b. valt en met klaarheid opgevat worden kan.