Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 17-01-2019

Baan

betekenis & definitie

Baan - 1) meetkundige plaats van alle punten van een zekere omgeving, waarmede een stoffelijk punt bij zijn beweging achtereenvolgens samenvalt. Men onderscheidt bij een hemellichaam de b., die het lichaam voor een waarnemer op aarde aan den hemel schijnt te beschrijven en de baan, die het in de ruimte beschrijft (zie LOOPBAAN);

2) het verharde gedeelte van een weg, dat in het midden van den weg ligt, de rijbaan. Ook een stuk grond, geschikt gemaakt voor het houden van wedstrijden of spelen (Maliebaan, wielerbaan, renbaan). Van een spoorweg, het deel van den bovenbouw, waarlangs zich de treinen voortbewegen. Ook wel de grondslag, waarop de weg of spoorweg wordt aangelegd;
3) van een aanbeeld of hamer, de staalplaat, welke het gladde oppervlak vormt.