Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 17-01-2019

Armenië

betekenis & definitie

Armenië - een landstreek in Voor-Azië, die eenmaal een afzonderlijk koninkrijk vormde, maar reeds geruimen tijd is verdeeld tusschen Rusland, Turkije en Perzië. Nauwkeurig kan de grens niet opgegeven worden. Het best kan daarvoor aangenomen worden: in het W. de waterscheiding met de rivieren van Kl.-Azië, gevormd door uitloopers van den Anti-Taurus.in het N. de laagvlakten, welke doorstroomd worden door Koera en Rion en die A. van den Kaukasus scheiden; het omvat in het O. een gedeelte van de Perzische provincie Aderbeidjan, en reikt in het Z. tot den Armenischen Taurus, die aansluit bij den Anti-Taurus en de scheiding vormt met Koerdistan en Mesopotamië. Zoo opgevat is A. ongeveer 380.000 K.M². groot en heeft het 4.200.000 inw.

A. steekt ver boven de omringende laagvlakten en plateau’s uit. Het centrum bestaat uit een zeer oud gebergte, een kristallijne kern van gneis, leisteen en graniet, die reeds lang aanwezig was, toen de omringende grensgebergten ontstonden, en die als stootblok diende tegen deze gebergtevormingen. Palaeozoïsche en mesozoïsche lagen hebben het overdekt, maar toen in het tertiair de genoemde gebergtevorming begon, werd zulk een druk op Centraal-A. uitgeoefend, dat reusachtige vulkanische massa’s langzaam uit talrijke spleten werden geperst en in dikke lagen over het geheele binnenland kwamen te liggen. Zoo heeft dit bergland het karakter gekregen van een hoogvlakte, die 1500 tot 2000 M. hoog ligt, waarin door werking van wind en water weer eenig relief gekomen is; de Aras stroomt b.v. van 900 tot 600 M. boven zeeniveau, de Moeradsoe (Euphraat) van 1500 tot 750 M. Bovendien steken eenige harde resten als bergruggen boven de vlakte uit, b.v. de Bingöl-Dagh (3300 M.) en de Palandenken (3000 M.) ten Z. van Erzeroem, de Merdjan-D, (3500) ten W. daarvan, en de groote, woeste Aghiragh-Dagh ten O., op de grens van Turkije en Rusland. De laatste is te beschouwen als de ruggegraat van A. Hij heeft vele toppen, o.a. den vulkaan Ararat, en vormt de waterscheiding tusschen het Noordelijk en het Zuidelijk deel. Ook ten N. daarvan vertoonen zich nog enkele verheffingen, om het Geuktsja meer gelegen. Het bergland van N. W. Perzië zet zich als Kara-Dagh in A. voort, volgt als Sjah-Dagh den N.-oever van dit meer en sluit zich aan bij de uitloopers van den Kaukasus ten Z.W. van Tiflis. In dit bergland, dat de hoogvlakte van Kars omsluit, verheft zich de 4000 M. hooge, met sneeuw gekroonde Alagör vulkaan.

Deze e.a. doode vulkanen zijn de stille getuigen van de werkzaamheid, die de bodem hier eenmaal vertoonde. Warme bronnen, zooals de zwavelbronnen van Tiflis, die een temperatuur hebben van 32.7° C, solfataren o.a. bij de Tendoerek, en de veelvuldige aardbevingen, wier epicentrum meest nabij den Ararat is gelegen, toonen aan, dat ook thans die bodem nog niet geheel tot rust is gekomen. Karakteristiek voor het landschap in A. zijn ook de meren, die waarschijnlijk zijn ontstaan, doordat vulkanische puinmassa’s het dal van een rivier hebben versperd, waardoor het water daarachter opstuwde. Het grootste van deze meren is het Oermia-meer (4000 K.M.²), dat veel overeenkomst in vorm vertoont met de Kaspische Zee. Het ligt 1330 M. hoog ontvangt vele rivieren, maar heeft geen afvloeiïng, waardoor het zoutgehalte steeds toeneemt en nu reeds tusschen 14 en 23 % heeft bereikt. De diepte vermindert voortdurend door de vele zinkstoffen en bedraagt niet meer dan 4 a 5 M. Zonder afvloeiing is ook het 300 K.M.² kleinere Wan-meer, dat niet een steppenmeer is, zooals het eerste, maar een echt bergmeer, met zeer steile oevers, gemiddeld 1700 M. hoog gelegen. Eigenaardig zijn nog de groote verschillen in hoogte van den waterspiegel bij dit meer. Het is mogelijk, dat door een buitengewoon hoogen stand er een tijd geweest is, dat de Tigris er doorheen stroomde.

Ook meren met afvloeiïng naar zee komen voor: het Gök Tsjay (het blauwe water), dat door de Sanga naar de Aras af stroomt; het is een rustig diep blauw meer van 1370 K.M², bijzonder schoon gelegen tusschen grillig doorsneden hooggebergten en witgekroonde ketenen; en het meer van Ssewanga (zwarte klooster) op 1934 M. Door de afvloeiïng hebben beide zoet water en zijn zij zeer rijk aan forellen, in tegenstelling met het vischarme Wan-meer en het geheel vischlooze Oermia-meer. Vele andere kleinere meren hebben eveneens afvloeiïng naar de Aras of Koera. — Rivieren. Op weinige uitzonderingen na, behooren de rivieren van A. tot het stroomgebied van Euphraat en Tigris, van Aras en Koera. De voornaamste daarvan is de Euphraat, die ontstaat uit Kara Soe (Westelijke E.) ook wel Frat genoemd en Moerad Soe (Oostelijke E.). Beide ontvangen veel water van den sneeuwrijken Aghri-Dagh, vereenigen zich boven Charpoet, en breken in een nauw dal onder het vormen van vele watervallen door den Armenischen Taurus. Tusschen deze beide bronrivieren ontspringt op de Bingvel de Aras, de hoofdrivier van Noord-Armenië, welke bij de Ouden den naam van Araxes droeg. Hij neemt het water van het Karsplateau op en vormt van den Ararat af de grens tusschen Rusland en Perzië tot even boven de plaats, waar hij uitmondt in de Koera, die het water naar de Kaspische zee voert. De bronnen van den Euphraat liggen zoo ver Noordwaarts, dat slechts kleine riviertjes naar de Zwarte Zee kunnen stroomen. Hiervan gaat de Jeschil Irmak of Iris naar het W., de Djorock naar het O. tot Batoem. — Klimaat.

De hooge ligging van A. veroorzaakt, dat de temperatuur lager is, dan men uit de geographische breedte zou opmaken. In ’t algemeen heerscht een vastelandsklimaat: op een langen, kouden winter volgt zonder noemenswaardigen overgang een zeer warme zomer, die gevolgd wordt door een kort herfstseizoen. Erzeroem op 2000 M. kent bijv. temperaturen van 31° in den zomer en —29° in den winter. Kars heeft als gemiddelde jaartemperatuur slechts 3,7° C. Alleen in het N. wordt het klimaat onder invloed van de Zwarte zee milder en begint op dat van de subtropen te gelijken. De regen valt meest in de lente. Sjoechsa heeft 639 m.M. per jaar, waarvan de helft van April tot Juni valt. Geen lente-dag gaat zonder regen voorbij. Van de 550 m.M. bij het Oermia-meer komen 370 m.M. voor rekening van Februari tot Mei.

Het subtropische gebied heeft echter meer herfstregens. Vooral de omringende gebergten zijn het, die den waterdamp, welken de wind aanvoert, aan de buitenzijde van A. doen condenseeren. ’s Winters valt verbazend veel sneeuw, daardoor is A. berucht; op vele punten blijft de sneeuw een half jaar liggen; de sneeuwgrens, die in den Kaukasus op 3100 M. ligt, stijgt hier tot 4400 M., zoodat alleen Ararat en Alagos eeuwige sneeuw dragen. Vooral de nachten kunnen koud zijn. Te Erzeroem bevriest het water ’s nachts nog in de maand Juni. Toch is het klimaat over het algemeen gezond. — Planten. De geringe regenval in het binnenland veroorzaakt, dat het grootste deel van A. wordt ingenomen door droge grassteppen, hier en daar met lage struiken. Eerst de landstreken aan den buitenkant, die veel water ontvangen van de gebergten, zijn begroeid met dichte wouden van eiken, ceders, platanen en in het N. ook van hazelnoten, beuken, en dennen. De boomgrens ligt ongeveer op 2500 M.; daarboven strekken zich vaak Alpenweiden uit, die hier den naam dragen van Jaïla,en in den zomer door de Koerden veel gebruikt worden.

Zie verder MEDITERRANE FLORA. — Dieren. De groote bosschen leveren voedsel aan vele dieren, door wier aanwezigheid A. ook rijk is aan jachtwild. Herten, evers, gazellen, komen voor, en hun vijanden, tijgers, luipaarden, hyenas, beren, wolven, vossen. De rivieren zijn meest rijk aan visch. (Zie voor veeteelt, bij „economische toestand”). — Mineralen. Wit en grauw marmer, bolus of Armenische aarde, die vroeger hooggeschat was wegens haar fijnheid, aluin, salpeter en ook goud, namelijk in het Z.W., het landschap Sophene der Ouden, vormden vroeger de belangrijkste handelsartikelen van A. Thans hebben vooral ertsen hun plaats ingenomen. Het Perzische deel levert petroleum en zout, het Turksche zwavel, en vooral ijzer, tin, koper, lood, die van uit Diarbekr en Charpoet worden uitgevoerd, en sterk in beteekenis zijn toegenomen, sedert de Bagdadlijn door Klein-Azië vervoer naar Europa mogelijk maakt. Het Russisch gedeelte levert zeer veel koper, en heeft daardoor van zich doen spreken in den Grooten Europeeschen Oorlog, toen de Turken hier aanvielen. Op ongeveer 50 K.M. ten W. van Jelisawetpol aan de spoorlijn naar Tiflis heeft een Duitsche firma bij Kedabeg groote kopermijnen in ontginning genomen. — Bevolking.

De bevolking van A. bestaat niet alleen uit Armeniërs, maar, daar het land herhaaldelijk een doortochtsgebied is geweest van vele nomadenstammen, bovendien uit andere volken, die meer of minder hun eigenaardigheden hebben behouden. Het totaal aantal inwoners is niet met juistheid op te geven, maar wordt geschat op 4.200.000. De dichtheid van bevolking zou daardoor slechts 11 per K.M² bedragen, d.i. nog niet ⅙ van die in Drente. Russisch-A. is het dichtst bevolkt (13,4 per K.M²), minder Turksch-A. (10,3 per K.M.²) en het minst Perzisch-A. (10 per K.M.²). De helft van het aantal bewoners zijn zeker Armeniërs. Daarop volgen in aantal de Koerden (1 millioen), terwijl de rest voornamelijk Tataren, Turken, Grieken, Russen, Georgiërs, Turkmenen en Perzen zijn. De Armeniërs vormen een homogenen volksstam, die in lichaamsbouw, taal en karaktereigenschappen zich duidelijk onderscheidt van de omgeving. Zij worden gerekend tot de Iraniërs, een deel van het Blanke ras.

Semietische invloed schijnt niet te ontbreken en komt te voorschijn uiterlijk door lichte huidskleur, zwart haar, scherp gebogen neus, dikke lippen, neiging tot vetlijvigheid, innerlijk door grooten handelsgeest. De boeren uit de afgelegen streken leven nog, zooals Xenophon ze beschreef, in halfondergrondsche woningen, en vervaardigen zelf hetgeen zij noodig hebben. Hiertegenover hebben de handelaars en kooplieden zich over de steden verspreid, niet alleen van A. maar van geheel Levant, zelfs in Constantinopel is de geldhandel in hun handen. Het zijn werkzame, ondernemende en slimme lieden, die het economisch vaak heel ver hebben gebracht, hetgeen niet nagelaten heeft de afgunst op te wekken van de minder geestelijk begaafden en minder welgestelden onder de andere volken. Vaak toch werden deze de dupe van den woekergeest der Armeniërs. In aanmerking genomen het feit, dat de Arm. bovendien als Christenen zeer geminacht worden door hun Mohammedaansche omgeving, is het wel te begrijpen, dat dit soms aanleiding gaf tot een verwoede wraakneming. Goed te praten is dit echter in geen enkel opzicht, en vooral af te keuren is het, dat met steun van de Turksche Regeering op groote schaal pogroms werden gehouden. De slachting van 1895/96 kostte 200.000 tot 260.000 Arm. het leven.

Zelfs nog in 1916 werden in de Christelijke dorpen om het Oermia-meer alle mannen gedood. De commandeerende officier had op ieder Christenhoofd een som gelds gesteld, vandaar dat in pompbronnen in Haftewan en Salmast 850 lijken zonder hoofd werden gevonden. In Diliman (N.W. oever v/h. meer) werden scharen van Christenen in de gevangenis geworpen en gedwongen den Islam aan te nemen; de mannen werden besneden. Met honderden werden vrouwen en meisjes weggevoerd en op klaarlichten dag aan den openbaren weg verkracht. Dit alles heeft groote verontwaardiging gewekt, en sommige staten, o.a. de Vereen. St. vonden daarin aanleiding om een protest in te dienen bij den Sultan van Turkije. Deze vervolgingen en haar oorzaken en de positie, die de Arm. in hun land innemen, leidden er toe, hun den naam te geven van de Joden van de Levant. Wel werden door Rusland in 1898 vele Armenische scholen om politieke redenen gesloten en werden kerken en kloosters in 1903 van hun goederen beroofd, maar dat vele Arm. op Russisch grondgebied een toevlucht zoeken, is het beste bewijs, dat men in dat land zijn beschermer ziet.

Na de oorlogen van 1828 en 1878 emigreerden velen uit het Turksch gebleven naar het Russisch geworden gebied, terwijl de Mohammedanen het laatste verlieten. De Arm. nemen thans 36 % in van de bevolking in het Russische gouvernement Jelisawetpol, 56% in Eriwan. Zij overheerschen in de steden Alexandropol en Achalzich,en zijn zeer talrijk inTiflis (55.000), Eriwan (7500) en Kars (2500). Buiten A. komen als hun voornaamste woonplaatsen in aanmerking Klein-Azië en Syrië met 640.000, Aderbeidjan in Perzië met 50.000, Europeesch-Turkije met 276.000 Armeniërs. — Koerden wonen voornamelijk in het Z., in Koerdistan; voor A. zijn zij in zoover van beteekenis, dat zij het juist zijn, die als Mohammedanen de vreeselijke slachtingen onder de A. hebben aangericht. Sedert in 1895/97 ongeordende Koerdische cavaleriebenden onder den naam „Hamidie” zijn opgericht, beheerschen zij de Arm. volkomen. Bovendien dringen nomadiseerende stammen steeds meer de zuiver Armenische gebieden binnen en nemen daar de beste weidestreken in beslag. — Economische toestand. Veeteelt is het voornaamste middel van bestaan in dit betrekkelijk droge land met zijn koud klimaat; veeteeltprodueten als huiden, wol en vee vormen dan ook de belangrijkste uitvoerartikelen. — Landbouw kon veel belangrijker zijn op den uit vulkanisch materiaal bestaanden, vaak vruchtbaren bodem, maar wordt belemmerd door de rooverijen van Koerden e.a. In de hooge streken worden gerst, tarwe, boekweit en peulvruchten verbouwd, in de lagere en dus warmere deelen, mais, katoen, rijst, tabak, en heeft aanplant plaats van moerbezieboomen voor de zijdeteelt. Het subtropische gedeelte levert alle vruchten, uit Zuid-Europa bekend.

Wouden zijn nog op vele plaatsen aanwezig, maar ontberen een oordeelkundige verzorging; die in het N. W. leveren veel hazelnoten, een van de belangrijkste uitvoerartikelen voor de haven Trebizonde; die in het Z. leveren veel notenhout en zoethout. Het best heeft de economische toestand zich ontwikkeld in het gedeelte onder Russisch bewind. Niet alleen, dat hier aan moord en roofpartijen op de Armeniërs een einde is gemaakt, maar tal van maatregelen werden genomen tot exploitatie van de delfstoffen, tot bevordering van den landbouw; zelfs de zwervende Tataren en Koerden worden daar langzamerhand gewend aan een geregeld leven in vaste woonplaatsen; vooral van belang is, dat in het Russische deel de verkeerswegen veel grooter in aantal en in veel beteren staat zijn. In het overige A. is feitelijk maar één handelsweg, de groote karavaanweg, die bij Trebizonde aan de Zwarte Zee begint en over Erzeroem en Wan naar Tebris en Teheran loopt met een zijweg van Erzeroem over Diarbekr naar Mesopotamië. De toestand, waarin deze verkeert, laat veel te wenschen over. Vele producten kunnen niet in-, andere niet uitgevoerd worden, omdat de kosten van vervoer te hoog zijn. Goed bevaarbare rivieren heeft A. niet, Euphraat en Tigris worden dit eerst, wanneer zij A. hebben verlaten. Het Russische gebied heeft naast de vele en goede straatwegen, ook in aansluiting met de Transkaukasische lijn, twee spoorwegen, namelijk van Tiflis over Alexandropol naar Kars en naar Eriwan. — Turksch-Armenië.

Trebizonde, eenmaal de poort van A. moet steeds meer van zijn handel afstaan aan de Russische vrijhaven Batoem. Daarmee gaat ook Erzeroem achteruit, dat eenmaal als een schitterende stad met citadel, vele moskeeën, minarets en kerken, 150.000 inwoners telde; thans bevindt zich om de consulaten van de Europeesche mogendheden nog wel een kleine Christenwijk, maar de meeste zijn uitgeweken, zoodat de stad niet meer dan 40 a 50.0000 inwoners heeft overgehouden. Het is nog steeds de residentie van den Armenischen aartsbisschop. Nog passeeren de stad jaarlijks 30 tot 40.000 kameelen. Ten N. van de stad stroomt de West-Euphraat, waaraan Ersingjan (25.000 inw.). Aan de Moerad ligt Kharpoet of Mesere, hoofdzakelijk bewoond door niet-Armeniërs en het Armenische stadje Paloe. In de dichtbevolkte gebieden om het Wan-meer zijn de voornaamste nederzettingen: Wan in ’t O. met 20.000 Arm. en 10.000 Koerden en Bitlis in ’t W. met omgekeerd 20.000 Koerden en 10.000 Arm. — Perzisch-Armenië. De voornaamste stad is hier Tabris, in de 17e eeuw met meer dan een half millioen inwoners, thans met niet meer dan 200.000, maar daardoor toch nog altijd de grootste stad van geheel A. Aardbevingen en Perzisch wanbestuur hebben haar veel nadeel gedaan, maar het bleef het karavaanmiddelpunt voor den handel van Iran door Armenië naar de landen om de Zwarte Zee. De Transkaukasische spoorweg met de overvaart Bakoe-Rejt over de Kaspische Zee heeft haar handel veel afbreuk gedaan; Ardabil in ’t N.O; Khoi in ’t N.W., Oermiah in ’t Z.W. en Maraga in ’t Z.O. zijn de overige plaatsen van ± 25.000 inwoners. — Russisch-Armenië.

Batoem, de oorlogshaven, is hier de voornaamste plaats, met 30.000 inw. Als uitvoerhaven van het achterliggende Kaukasië is het van groot belang. In ’t midden ligt de oude hoofdstad Eriwan, die veel geleden heeft in de verschillende oorlogen tusschen de drie landen, bij wier samenkomst het juist ligt. Het is een vervallen stadje, waar enkele gebouwen nog aan vroegere grootheid herinneren. Het eigenlijke brandpunt der A. beschaving is het ten Westen van Eriwan gelegen klooster Etsjmiadsin, waar sedert 475 jaren de Patriarch van de A. kerk resideert. Ook Kars is sterk achteruitgegaan. Op de grens met Turkije ligt de vesting Olty. In ’t N. werd in 1801 een nieuwe stad Alexandropol gesticht. Het Oosten heeft als voornaamste plaats Sjoesja. — Taal.

De Armenische taal behoort tot de groote familie der Indo-Germaansche talen en maakt van deze familie een zelfstandig lid uit. Zij heeft een eigen letterschrift, dat omstreeks 400 n. C. door Mesrop, met behulp van een Grieksch kalligraaf, Ruphanos geheeten, is samengesteld op den grondslag van een oud, het zoogenaamde Danielsche, alphabet. Dit oude alphabet is ongetwijfeld van Griekschen oorsprong, hoewel sommigen een Semietischen oorsprong aannemen. Mesrop voegde daaraan 14 nieuwe letterteekens toe, zoodat zijn alphabet in het geheel 36 verschillende teekens heeft, waarbij later nog twee nieuwe zijn gekomen. Daar de Armenische letterkunde een overwegend kerkelijk en geleerd karakter draagt, kan de daarin gebezigde taal geen volledig denkbeeld geven van de eigenlijke volkstaal en dit verschil moest gaandeweg grooter worden, terwijl de verspreiding der Armeniërs over de naburige landen tot de vorming van verschillende dialekten aanleiding gaf. Men pleegt daarom de oude litterarische taal als Oud-Armenisch te onderscheiden van het Nieuw-Armenisch der moderne dialekten. Eene groepeering dier dialekten is moeilijk, doch in het algemeen kan men eene Westelijke en Oostelijke groep onderscheiden. — Handboeken voor de kennis van het Oud-Armenisch zijn: a) Spraakkunsten: Petermann, Grammatica ling. arm. (Berlin 1872); Aucher, Armenian and english gramm. (Venice 1819); Lauer, Gramm. der classischen arm. Sprache (Wien 1869); N. Marr, Spraakkunst van het Oud-armen. (Russisch) St.

Petersb. 1903. b) Woordenboeken: Dictionnaire des Dictionnaires, uitg. door de Mechitaristen (Venetië 1836—1837); Miskgian, Manuale Lexicon armen.-lat. (Rome 1887 en 1893); Ciakciak, Dizion armen.-ital. (Venezia 1837). — Voor het Nieuw-Armenisch: a) Spraakkunsten: Gulian, Elementary modern armen. gramm. (Heidelberg 1902); Kainz, Prakt. Gramm. der arm.-Sprache (Wien 1891); Finck, Lehrbuch der neuostarmen. Literatursprache (Marburg 1902). b) Woordenboeken: Aucher, Dictionn. français-armén.-turc (Venice 1840); Dez. Dictionary engl. a. armen. (Venice 1871); Goilaw Duitsch-armen. Wörterb. (Wien 1889); Nubarian, Dict. franç.-armén. (Const. 1892). — Letterkunde. Mesrop is niet alleen de schepper van het Armenische alphabet, hij is ook de grondlegger der Arm. Litteratuur, door zijne met behulp van den Patriarch Sahak (Izak) vervaardigde Arm. vertaling van den Bijbel. Een groep van vertolkers trad na hem op en vertaalde verschillende Grieksche geschriften, de kroniek van Eusebius, de brieven van Ignatius, werken van Ephraïm den Syriër, van Aristoteles, Porphyrius en Philo in het Armenisch.

In het bijzonder toonde men belangstelling voor de geschiedschrijving. Lazarus van Pharp schreef de geschiedenis van Armenië, van 338—485, Faustus van Byzantium die van 344—392, maar de beroemdste van deze historiographen is Mozes van Khorene. Nieuwere onderzoekingen echter hebben aan het licht gebracht, dat de werken, die op zijnen naam staan, eene geschiedenis van Armenië van de oudste tijden af, eene Geographie en een rhetorisch geschrift, in werkelijkheid door een rhetor, die misschien eerst in het begin der 7de eeuw leefde, zijn opgesteld. De in het eerste deel der Geschiedenis voorkomende legendarische verhalen omtrent de oude Armenische koningen, vooral Trdat (Tiridates), dragen veelal een episch karakter en bevatten mogelijkerwijze, hoewel niet geheel onveranderd, nog overblijfselen van eene litteratuur, die ouder is dan Mesrop. Onder de vele geschiedschrijvers, die na Mozes optreden, noemen wij nog: Johannes de Mamikoniër, Sebeos (gesch. van 590—660), Ghevond (van 661—788), Johannes IV Katholikos (tot 925), Thomas Artsroeni (tot 936 met een later supplement tot 1226), Mozes Kalankatuensis, Stephanus Asolik (tot 1004), Aristakos van Lastiwert van 981—1071), Mattheus de Priester (Levensbeschrijving van Joh. Chrysostomos), Mattheos van Urrha (van 952—1136 met voortzetting door Gregor den Priester tot 1162), Wardan de Groote van Bardserberd (tot 1267), Kirakos van Gandzah (300—1267), Malakhia de monnik (over de tochten der Tataren 1228—1272), Wahram (Geschied. der Roepeniden van Klein-Armenië), Stephanus Siunensis, Sempad (952—1244), Thomas van Metsoph (Gesch. van Timoer), Arakhel van Tabriz (1602—1662), Michael Tchamtchean, een der Mechitaristen uit de 18de eeuw, die een algemeene geschiedenis van Armenië bewerkte tot op zijnen tijd (3 dln. Venetië 1787). —Behalve deze historische geschriften bestaat er in het Armenisch eene rijke theologisch-philosophische litteratuur, die ook uit poëtisch oogpunt de aandacht verdient, omdat zij ook de religieuse poëzie omvat. Om die reden verdient hier vermelding het hymnenboek (Sjarakan), dat successievelijk ontstaan is, en waaraan de beroemdste Arm. godgeleerden en dichters hebben mede gewerkt, van Mesrop af tot aan de 14e eeuw toe.

Onder dezen is vooral bekend Nerses Sjnorhali (de liefelijke) van Klaj (Roemkala) gest. 1178, wiens gebeden voor de 24 uren van het etmaal door de Mechitaristen in 24 talen zijn uitgegeven (Venetië 1823). Buitendien schreef hij tal van andere religieuse gedichten en eene rijmkroniek met 1600 achtsyllabige verzen, die alle op het zelfde rijmwoord eindigen. Zijn klaaglied op den val van Edessa in 1144 heeft in Europa tot den tweeden kruistocht opgewekt. Verder zij nog vermeld, dat er in het Armenisch ook fabelboeken bestaan, o.a. een van Wardan den Groote, van Mechithar Gosj en het zoogenaamde boek van den vos. Sedert de 16de eeuw hebben vaderlandslievende Armeniërs, die naar het buitenland waren uitgeweken, overal drukkerijen opgericht, het eerst te Venetië in 1565 en o.a. een eeuw later (1660) te Amsterdam, welke laatste eene groote beroemdheid verkreeg wegens de voortreffelijkheid van hare uitgaven. Maar inzonderheid heeft de stichting van de congregatie der Mechitaristen op het eiland S. Lazzaro te Venetië in 1717 voor de herleving der Armenische litteratuur en de verspreiding der oude letterkunde (sedert de stichting der drukkerij van S. Lazzaro in 1788) ontzachelijk veel gedaan. Hier werkten o. a. de reeds genoemde geschiedschrijver Tchamtchean en de niet minder beroemde archaeoloog en geograaf Indjidjean, benevens tal van anderen.

Eerst in den laatsten tijd is de invloed der Mechitaristen eenigszins op den achtergrond gedrongen door het optreden van moderne schrijvers, voornamelijk in Russisch Armenië. Arm. theaters werden gesticht, treurspelen en blijspelen gedicht, tal van nieuwsbladen uitgegeven, romans en novellen geschreven. Vg. Abgar Joannissiany, Arm. Bibliothek (Leipzig 1886). — Litteratuur: Somal, Quadro della storia letter. di Arm. (Venezia 1829); Neumann, Versuch einer Geschichte der arm. Liter. (Leipz. 1836); Finck, Gesch. der arm. Lit. (in Lit. des Ostens, deel 7); Baumgartner, Gesch. der Weltliter. 3, deel I, bladz. 242 vvg. (Freib. 1901); Lazikean, Nouvelle bibliogr. armén. et encyclopéd. de la vie armén. 1512-1905 (Venetië 1909).