Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 17-01-2019

Aristoteles

betekenis & definitie

Aristoteles - geb. 384 v. C. te Stagira in Thracië (vandaar „de Stagiriet”), uit een oude artsenfamilie, zoon van den kon. Macedonischen lijfarts Nikomachus, kwam als 18-j. jongeling te Athene, waar hij bijna 20 jaar lang Plato’s leerling was. Daarna ging hij naar zijn vriend en akademiegenoot, den vorst Hermias v. Atarneus in Kl.-Azië, wiens nicht Pythias hij huwde. In 343 nam hij aan ’t Maced. hof de opvoeding op zich van den jongen Alexander, die zijn leermeester later bij zijn onderzoekingen vorstelijk steunde.

Nog voordat Alex. zijn veroveringstocht begon, verhuisde A. naar Athene, waar hij (334) een eigen school stichtte in het Lyceum, naar welks schaduwrijke wandelplaatsen (peripatoi) zijn leerlingen Peripatetici genoemd werden. Hier zou hij ’s morgens akroamatische (samenhangende), of ook exoterische (populaire) voordrachten voor de gevorderden, ’s middags voor een grooter publiek exoterische gehouden hebben. Ook legde hij hier een groote bibliotheek aan, die, na allerlei avonturen, door Sulla later naar Rome zou zijn gekomen. Na 12 jaar aan ’t hoofd zijner school gestaan te hebben, vluchtte hij (na Alex.’s dood van goddeloosheid aangeklaagd) naar Chalcis op Euboea waar hij in 322 aan een maagziekte stierf. — A. was, hoewel een ernstige en edele natuur en geenszins zonder bezieling, toch veel nuchterder dan Plato en kon zich beter in de werkelijkheid schikken. Met een buitengewone scherpzinnigheid verbond hij een ontzagwekkende geleerdheid en belezenheid, zoodat hij ongeveer de geheele wetenschap van zijn tijd beheerschte. Onvermoeid arbeidende heeft hij deze gesystematizeerd en op velerlei gebied belangrijk verbeterd en uitgebreid. — Van A.’s werken zijn verloren: 1) de populaire, in dialoogvorm geschreven verhandelingen, beroemd om haar stijl en 2) de wetensch. opteekeningen op allerlei gebied, die in het lyceum gebruikt werden, met uitz. van de 1891 teruggevonden Staatsregeling der Atheners. — Behouden zijn grootendeels de zuiver wetenschappelijke geschriften. Deze zijn, zooals wij ze nu bezitten, slechts gedeeltelijk door A. zelf gepubliceerd. Veel is alleen in schets; er zijn talrijke herhalingen en gapingen in; van sommige deelen wordt de echtheid betwijfeld. — Andronicus v. Rhodus (70 v. C.) ordende en publiceerde ze opnieuw.

Gedrukt zijn zij voor het eerst (in ’t Latijn en spoedig daarop in ’t Grieksch) ± 1490 te Venetië. Van de latere uitgaven is de voornaamste die der Berlijnsche Academie (1831—70) in 5 groote deelen (met Latijnsche vertaling). — Als propaedeutisehe inleiding beschouwt A. de logika. Dan komt in zijn systeem de theoretische phil. (metafyzika, fyzika benevens psychologie), verder de praktische phil. (ethika en politika) en de theorie der kunst (poetika en rhetorika). — De geschriften over Logika, later saamgevat onder den naam Organon = (geestelijk) werktuig, zijn: de katogorieën (hoofdsoorten der praedikaten van al ’t zijnde, 10 in aantal: substantie, quantiteit, qualiteit, relatie, plaats, tijd, toestand, hebben, doen en lijden), de Analytika priora (over het Syllogisme, twee oordeelen met drie begrippen; de vele mogelijkheden der verbinding van algemeene, bijzondere, bevest. en ontk. oordeelen en de daaruit te trekken conclusie worden grondig besproken), de Analytika posteriora (over het bewijs en de definitie), de Interpretatione (volzin en oordeel), Topika (waarschijnlijkheidsredeneeringen) en de sofistische Drogredenen (waarvan de soorten opgesomd en beschouwd worden). — A.’s logika gaat uit van de populaire kennis en de begrippen der gewone taal, welke hem toeschijnen het wezen der werkelijkheid al vrij goed uit te drukken. Hoogst onvoldoende is de theorie der inductie; de onmiddellijk evidente, niet verder bewijsbare waarheden, die A. als aan de wetenschap ten grondslag liggend aanneemt, worden niet methodisch opgespoord en in samenhang gebracht. — Het werk Metaphyzika ontleent zijn naam aan ’t feit, dat het in de uitgaven achter (meta) de physische geschriften kwam. A. zelf noemt dit deel der theor. fil.: eerste (fundamenteele) filosofie, omdat het niet (zooals wiskunde en fysika) een bepaald soort van zijn onderzoekt, maar het zijnde als zoodanig „voor zoover het een zijnde is”, en daar de godheid de laatste zijns-grond is, noemt A. deze wetenschap ook wel theologie. — Hier wordt behandeld het groote probleem van de verhouding der concrete, aanschouwelijk gegeven werkelijkheid (de enkele dingen), tot het algemeene. Van Plato’s Ideeënleer, die hij in haar diepste beteekenis niet begrijpt, wil A. niets weten. Het ware zijnde is, niet ergens in een transcendente wereld, maar hier „in” onze zinnelijk gegeven werkelijkheid. Plato’s Ideeën maken volgens A. het „worden” onverklaarbaar.

Hij zelf begrijpt het „gebeuren” en het „worden” in de natuur door analogieën met het menschelijk voortbrengen, waarbij het begrip van een doel beslissend is (b.v. het bouwen van een huis) en de ontwikkeling der organische lichamen, waarbij alle veranderingen ten slotte leiden tot het doen ontstaan van een bepaalden vorm, die in een begrip is uit te drukken. Alles beheerschend zijn hier de twee tegenstellingen stof en vorm, mogelijkheid en werkelijkheid (dynamis en entelecheia). Het worden is de overgang van het mogelijke tot het werkelijke, het potentieele tot het actueele. De dingen ontstaan, doordat de vorm (het wezen, datgene wat bestemd is te worden) zich in de stof verwerkelijkt. — Dit begrip „stof” is betrekkelijk; het marmer, waaruit een beeld wordt, is stof met betr. tot dit beeld; op zich zelf heeft het, als dit bepaalde marmer, ook een vorm. — De vorm beweegt (= verandert) de stof. Maar bewegen kan alleen, wat zelf reeds volle werkelijkheid heeft. Al het bewegende ontvangt zijn beweegkracht telkens van een hoogeren beweger en zoo komt men noodwendig tot een „eersten beweger”, die zelf onbeweeglijk, zuivere vorm is, de godheid, eeuwig, onstoffelijk, één, alles bewegend (zooals het schoone beweegt, door liefde op te wekken). Gods wezen is het zuivere denken, dat niet op een ding buiten hem gericht is. — Van de geschriften over natuurwetenschap zijn de voornaamste: de Physika, over den Hemel, over het ontstaan en vergaan, de Meteorologie, de groote Dierkunde, over de ziel, en verscheiden kleinere anthropologische opstellen (Parva naturalia). A.’s eigenlijke fysische begrippen zijn voor ons natuurverklaren onbruikbaar, en de moderne natuurwetenschap heeft zich bij haar opkomst met groote moeite daaraan moeten ontworstelen.

Ook zijn astronomie was een achteruitgang bij het reeds bereikte. De sterren zijn bezield en goddelijk. Er zijn 4 grondstoffen (vuur, lucht, water, aarde) en als vijfde komt daarbij de aether, de stof der sterrenwereld. — Veel meer beteekent A. als onderzoeker der organische wereld. Talrijk zijn zijn waarnemingen over den bouw en het leven der dieren, en vele dezer zijn later juist gebleken. Zoo wist A. al, dat mannelijke bijen uit niet bevruchte eieren ontstaan en onderzocht hij de ontwikkeling van het kuiken in het kippenei. Ook was hij de eerste, die de dieren systematisch trachtte te rangschikken. Zijn groote verdienste is, dat hij hier tot wetenschap trachtte te komen door waarneming van de feiten. Zoo heeft hij de kennis der dierwereld buitengewoon verrijkt. — A.’s psychologie behandelt niet de bewustzijnsfuncties op zichzelf maar als levensfuncties.

Ziel en lichaam zijn onscheidbaar één, evenals vorm en stof, het oog en het gezichtsvermogen. De ziel is vorm, bewegende kracht en doel van het lichaam. Er zijn 3 trappen: de vegetatieve ziel (voeding, voortplanting, nog zonder levenscentrum) de eenige, die de planten bezitten. De dieren hebben daarnaast nog de sensitieve ziel (gewaarwording, lust en onlust, begeeren, beweging). En in den mensch komt er bij: de rationeele, redelijke ziel. A. spreekt ook reeds van een „eenheid der ziel”, waardoor zij alles waarneemt, combineert en dus ook dwalen kan. De zetel hiervan is echter niet (zooals bij Demokritus en Plato) de hersens, maar het hart. Ook in den geest (nus), die geen lichamelijk orgaan behoeft, neemt A. nog weer stof en vorm aan, en onderscheidt een lijdenden en werkenden geest.

Over zijn opvatting hiervan is later (vooral in verband met het onsterfelijkheids-probleem) een groote strijd ontbrand. — Voor de ethiek is het hoofdwerk: de Ethika Nikomachéa in 10 boeken (genoemd naar zijn zoon Nikomachus), naast welke de Eth. Eudemia, en het uit beiden vervaardigde uittreksel de „groote” Eth. van minder beteekenis zijn. Hier is A. een achteruitgang bij Plato. Door zijn miskenning der Idee kan A. het „goede” niet anders opvatten dan als iets, wat door menschelijk handelen bereikbaar is en naar volk, geslacht en stand varieert. Er is één goed, dat allen nastreven, het geluk (eudaemonie). Het bestaat in de redelijke werkzaamheid der ziel, de deugd. Er zijn twee soorten v. deugden: denk- en karakterdeugden (dianoetische en ethische), waarvan de eerste (wetenschap, wijsheid, praktisch inzicht) de hoogste zijn. De eth. deugden bestaan in een juiste midden tusschen twee uitersten ; b.v. dapperheid ligt tusschen lafheid en vermetelheid, vrijgevigheid tusschen gierigheid en verkwisting.

De volkomenste der eth. deugden en grondslag voor de staatsgemeenschap is de gerechtigheid. — In zijn werk Politika ontwikkelt A. zijn staatsbegrip, wijst op de gebreken van Plato’s Politieia en kritiseert de verschillende staatsinrichtingen. Hij beschouwt de slavernij als noodzakelijk. — Het geschrift Poetika (slechts gedeeltelijk bewaard) behandelt de dichtkunst en vooral de tragedie. Deze is „het weergeven van een ernstige en afgesloten handeling, die een zekeren omvang heeft, in vermooide taal, door handelende personen en niet bloot verhalend, door medelijden en vrees een reiniging (katharsis) van zulke gemoedsaandoeningen voltrekkend.” — Zooals men ziet, was A. een buitengewoon universeele geest en de denkkracht, waarmede hij de meest verschillende problemen aanpakte, moet een ieder met de hoogste bewondering vervullen. — De invloed van zijn leer is tot op den huidigen dag enorm. Al vroeg traden talrijke verklaarders en commentatoren op. De beroemdsten zijn Alexander v. Aphrodisias (220 n. C.). Simplicius (550 n. C.) en Boethius (500). In de middeneeuwen werd de Arabische phil. (Avicenna, Averroes, 1150) en de Joodsche (Gebirol, Maimonides 1200) geheel door A. beheerscht. Tot in de 12e eeuw waren echter de Arist. geschriften zeer gebrekkig bekend in het Christelijk Europa.

Daarna (vooral door Thomas v. Aquino) werd A.’s phil. van groote beteekenis voor de leer der R. C. Kerk. Eerst na de Renaissance kwam er door de moderne natuurwetenschap en filosofie (Galilei, Descartes) aan de bijna onbeperkte heerschappij van A. een einde. In de 19e eeuw zijn A.’s geschriften grondig bestudeerd door: Brandis, Bonitz, Trendelenburg, Prantl, Zeiler e. a. — Litteratuur: Lewes, Aristotel. (London 1864), Grote, Aristotle, 1872; Bonitz, Arist. Studiën, Wien 1862—67. In Frommann’s Klassiker der Phil. een monografie van Siebeck (1899). Zie verder de werken van Brandis, Zeiler, Ueberweg, e.a.