Argentina betekenis & definitie

Argentina - Argentinië of Argentijnsche Republiek, vroeger ook wel Ver. St. van de Rio de la Plata genoemd, is de bondsrepubliek, die het O. inneemt van het Z. deel van Z.-Amerika. Noordwaarts gaat de staat tot 20° Z.B., Zuidwaarts tot 55° Z.B. In ’t W. grenst hij aan Chili, in ’t N. aan Bolivia, Paraguay en Brazilië, in ’t O. aan Uruguay en den Atlantischen Oceaan, terwijl in het Z. de O.-helft van Vuurland er nog toe behoort. De oppervlakte bedraagt 2.800.000 K.M.2. d.w.z. zooveel als die van Duitschland, Oostenrijk-Hong., Italië, Frankrijk, Engeland en Spanje samen.

De grootste afstand van N. naar Z. komt overeen met den afstand van Amsterdam tot Algerië. In dit reusachtige gebied wonen slechts 7 millioen menschen. — Algemeene gesteldheid. In het O. verheffen zich de ketens van de Cordilleras de los Andes, het gebergte, dat van N. naar Z. geheel Z.-Amerika doorloopt. Langzaam helt het land naar den Atlantischen Oceaan, zooals de loop der rivieren aangeeft; Mendoza b.v. ligt 800 M., Rio Cuarto in het midden op 400M., Buenos Ayres 20 M. boven de zee. De Andes vertoonen zich in het Z. als één gebergte, dat Noordwaarts in breedte toeneemt. Ten N. van Mendoza bestaat het uit eenige parallelle ketens, die zich in de richting van Bolivia waaiervormig uitbreiden, en waartusschen zich hoogvlakten (puna’s) uitstrekken, zooals Puna de Jujuy, Despoblado, enz. Deze puna’s hebben een hoogte van 3000 tot 3500 M., worden omsloten door ketens met toppen van 6000 M. en zijn meestal slechts te bereiken door passen van niet minder dan 4000 M. hoogte. De hoogste bergen zijn meest vulkanen.

Vermelding verdienen de Maipon-vulkaan (5336), de Aconcagua (7040), de hoogste top van de Andes, de Copiapo-vulkaan (6072), de Ilullaillaco-vulkaan (6600) en in het N. de geweldige Antofaya. De Andes vormen een betrekkelijk jong gebergte (tertiair) en de vulkanische werkzaamheid, zoowel als de veelvuldige aardbevingen wijzen er op, dat de aarde hier nog niet tot rust is gekomen. Met de Andes verbonden zijn de Sierra de Cordoba, juist een zeer oud, zelfs een van de oudste gebergten van Z.-Amerika. In het eigenlijke hellingsland zijn wel eenige verheffingen op te merken, maar in hoofdzaak kunnen toch de volgende landschappen onderscheiden worden: — 1) Het Z., een hoogland, dat Patagonië genoemd wordt. De N.-grens wordt gevormd door de Rio Negro, die beneden Viedma in den Oceaan valt. Verder komen van de Andes de Chubut, die uitmondt bij Rawson, en de Chico. De hoogvlakte zet zich over staat Magelhaens voort op Vuurland. — 2) De grasrijke pampa’s, waarvan de bodem voor een groot deel ontstond uit het slib, dat de rivieren van de Andes aanvoerden en dat na het droog worden door de werking van den wind vaak in löss veranderde. Duidelijk is de aanslibbing te zien aan de Rio Negro en de Colorado, die een vlakte opbouwen tusschen de Blanca-baai en de Sint-Matias-baai.

De Salado, een rechterzijrivier van de Parana, vormt ongeveer de N. grens. Ongemerkt gaan de pampa’s over in: — 3) De Gran Chaco, een vlakte, die in hoofdzaak uit leem en humus bestaat, evenals de pampa’s begroeid met gras. Hier komen echter verspreid staande hoornen voor, die N.-waarts in steeds dichter wordende wouden overgaan. Op de grens met het vorig landschap bevinden zich gebieden zonder afvloeiïng naar den Oceaan; het water verzamelt zich daar in groote meren, die eigenlijk meer het karakter van moerassen hebben en om hun zoutgehalte den naam dragen van Salinas. De grootste rivier is hier de Saladilla, die vaak een anderen naam krijgt en tenslotte verdwijnt in de Laguna de los Porongos, ten N.W. van Santa Fé. — 4) De vlakte van de groote rivieren, namelijk de Rio de la Plata, die ontstaat uit de samenvloeiïng van Parana en Uruguay. De eerste heeft als zijrivieren de Salado, en de belangrijke Paraguay, die van Brazilië komt en het water van Pilcomayo en Bermejo ontvangt. De vlakte is vruchtbaar, bestaat grootendeels uit alluvium. — Klimaat. Het is niet mogelijk, het klimaat van A. met een enkel woord te karakteriseeren; immers het N. reikt tot over den Steenbokskeerkring, dus tot in de tropische streken, terwijl het Z. zoover ten Z. van den equator ligt als Nederland ten N. daarvan.

In de provincie Catamarca kan een tropische hitte heerschen van 40° C., in Vuurland een Siberische koude van 18° onder nul. Wanneer men verwachtte, dat het midden een gematigd klimaat vertoonde, zou men zich echter vergissen, want de groote vlakten, die sterk verhit worden, maar ook snel afkoelen, geven het een kontinentaal karakter, terwijl de Oceanen, hoewel niet verafgelegen, òf geen invloed uitoefenen, zooals de Groote Oceaan door den hoogen Andes-muur, òf een ongunstigen invloed, zooals de Atlantische Oceaan door den kouden Falklandstroom. Alleen de steden, onmiddellijk aan de kust gelegen, hebben een zeeklimaat; Buenos Ayres b.v. heeft een Januari-temperatuur van 23° C. een Juli-temp. van 10° (gem. jaartemp. 16°). Nergens in de laagvlakten stijgt de gemiddelde temperatuur van de warmste maand (Januari) boven 25,5° C., nergens daalt zij in de koudste maand (Juni—Juli) beneden 9,5° C.; van de laagvlakte naar de Andes neemt de temperatuur bovendien af, doordat de hoogte toeneemt. Uspallata, ongeveer even Zuidelijk als Buenos A. maar op 2800 M. hoogte, heeft voor de warmste maand slechts 11,5° C., terwijl Juni niet meer dan 1° C. als gemiddelde temperatuur aanwijst. — Groot zijn echter de temperatuur-schommelingen, niet zelden van 20° op één dag; zoodat zelfs in de zomermaanden plotseling vorst kan intreden zooals 6 Dec. 1909 geschiedde, waardoor een groot deel van den graanoogst verloren ging. De Noordenwind brengt de grootste warmte aan; men noemt hem de zonda, de samoen van A. In den winter en het voorjaar wordt hij onderbroken door den zoogenaamden pampero, een sterken Z. W. wind, die door zijn hevigheid een orkaan gelijkt en zeer gevreesd is. Is hij in aantocht, dan wordt de lucht plotseling pikzwart, enorme stofwolken verrijzen, en als met emmers valt het water uit een voor eenige minuten nog helder blauwen hemel. — Regenhoeveelheid en regentijd zijn voor de deelen van A. zeer verschillend, en verschillen bovendien zeer veel in den loop der jaren voor éénzelfde plaats. In Buenos Ayres b.v. viel in 1900 2 M., terwijl in 1893 slechts ½ M. was gevallen.

De meeste regen valt in het N. (1600—1800 m.M.); Zuidwaarts neemt de hoeveelheid af, zoodat het midden 600—800 m.M., Patagonië slechts 400 m.M. heeft. Ook is een duidelijke afname merkbaar van het O. naar het W. voor het gedeelte, dat ten N. van 35° Z.Br. ligt; voor elke 100 K.M. ongeveer 100 m.M. minder regen. De oevers van de Rio de la Plata bijv. ontvangen 1000 m.M: per jaar, Mendoza op dezelfde breedte, maar tegen de Andes aan, slechts 200 m.M. De Andes van het N. zijn zelfs het droogste gebied van geheel A. In San Juan bijv. valt van Juni tot Augustus niet meer dan 1 m.M. regen per maand; de vochtigste maand, Januari, heeft slechts 17 m.M., zoodat de jaarlijksche hoeveelheid niet meer dan 65 m.M. bedraagt. Eigenaardig, dat in het Z. in de Andes juist het regenrijkste gebied van A. ligt. Aan de Neuquèn, een linkerzijrivier van de Rio Negro, kan de vochtige Westenwind, uit den Grooten Oceaan, over de lage Andes heenkomen. Vooral ’s winters valt zooveel regen, dat de jaarlijksche hoeveelheid 1900 m.M. bedraagt. — Laat men het N. en het Z. buiten beschouwing, dan kan men zeggen, dat A. over het algemeen een aangenaam, gezond klimaat heeft; de winters zijn minder koud en vochtig dan bij ons, de zomers zijn wel heeter, maar niet afmattend door de geringe bewolking en de verfrisschende, koele nachten. Het klimaat kan dus geen beletsel zijn voor immigratie van Europeanen. — Plantengroei en flora. In het Noorden is A. bedekt met een subtropisch regenwoud, dat in samenstelling veel gelijkt op de tropische wouden van de meer Noordelijke deelen van Z.-Amerika, maar armer is aan lianen en aan phanerogame epiphyten.

Boomvarens en Bamboe komen niet meer voor. Het midden van A., westelijk van de Pampas, draagt in hoofdzaak een xerophile heesterformatie op zeer verschillenden bodem. Deze z.g. Espinal-formatie heeft in het O. nog een min of meer woudachtig karakter, maar neemt in het W. en Z. meer en meer het uiterlijk van een woestijn aan. De boomen, die er in voorkomen, zijn met een enkele uitzondering gekenmerkt door lagen groei, onregelmatige, dichte vertakking, ijle kroon en zeer veel doornen. De struiken vertoonen precies dezelfde kenmerken, daarbij een sterke reductie van de bladeren, die soms zelfs geheel afwezig zijn, althans in den drogen tijd. Talrijk zijn vooral Acacia, Mimosa en de Chafiar (Gourliea decorticans, een Leguminose), waarnaar de formatie wel genoemd wordt; meestal heet ze „Monte”. Vele soorten zijn rijk aan aetherische olie. Tusschen de heesters komen tal van slingerplanten voor b.v. Convolvulaceeën.

In de meer woestijnachtige gebieden treft men ook hooge zuilvormige Cereus-soorten (Cactaceeën) aan. Een van de meest bekende plantenformaties is de Pampa, een groote grasvlakte, in het Zuiden bijna geheel vlak, in het N. meer golvend. Dit laatste is van het grootste belang voor de kultuur, want in de dalen (Cañadas), waar meer water wordt aangetroffen, is het gras weelderiger ontwikkeld en bloeien veeteelt en akkerbouw. Veel droger zijn de hooge deelen. De Pampa is daar geen groene weide met malsch gras, zooals in W. Europa, maar een grauwe leembodem, afgewisseld met eilandjes van hardbladige grassen (Melica, Stipa). In den besten tijd van het jaar maakt de Pampa op grooten afstand den indruk van een weide van een blauwgroene kleur. In den regentijd is de rijkdom aan bloemen zeer groot. — De hellingen van de Cordilleren zijn in het N. dicht met bosch bedekt, dat naar boven in een droger bosch overgaat. De Quena-boom, Polylepis racemosa, een Rosacee, vormt de boomgrens.

Nog hooger komen alpine-steppen en de Puna, een alpine woestijn. In het Zuidelijk deel van de Cordilleren blijft de vegetatie, ook in de lagere deelen, een droog karakter behouden. Litt. Lorentz, Vegetationsverhältnisse der Argentinischen Republik, 1876; O. Kuntze, Botanische Excursion durch die Pampas und Monte-formation nach den Cordilleren (Naturwiss. Wochenschrift, 1893). — Fauna. De eigenlijke Argentijnsche fauna is door invloed van de Europeanen sterk achteruit gegaan in rijkdom. Van de zoogdieren komen o.m. voor: de jagoear of Argentijnsche tijger en de minder gevaarlijke, op de hoogvlakten levende, poema of zilverleeuw, apen, wolven, vossen, een kleine neusbeer, marters, stinkdieren, buideldieren, veel ratten en in de Andes de guanaco, een lama-soort, de vicuñia, met een prachtig wit vel en uitstekende wol, en de minder voorkomende alpaca, alle drie herkauwende dieren. Aan vogels is A. nog zeer rijk: condor, gier, adelaars, valken, welke men meest na elkaar op een cadaver kan zien neerstrijken.

Andere diersoorten zijn van minder beteekenis, behalve de sprinkhanen, die met de uit Europa ingevoerde huisdieren later besproken worden. — Bevolking. De bewoners van A. worden scherp verdeeld in een kleine minderheid van oorspronkelijke Indianenstammen en een groote meerderheid van immigranten. De Indianen, welke zich al heel gauw tegen de indringers, die de beste gronden in beslag namen, hebben verzet, zijn tot enkele kleinere gebieden teruggedrongen, voornamelijk in het N. en Z. De vele stammen, die nog menig ethnogranisch probleem opleveren, vat men samen onder den naam van „Diaguiti’s”. Zij bedienden zich oorspronkelijk van een eigen taal „Kaka” genaamd, waarvan slechts weinig bekend is. Een monnik Barzana, had een alphabet en grammatica daarvan samengesteld, doch beide zijn helaas verloren gegaan. Van de Chaco-Indianen zijn de Matacos en Tobas de meest typische vertegenwoordigers, zij staan voortdurend op voet van oorlog met den Argentijnschen Staat, die wel heel streng tegen deze menschen is opgetreden. Besmettelijke ziekten hebben hen gedecimeerd, diefstal en moord hen gedegenereerd. In Misiones leven nog enkele krachtige stammen, welke ten tijde van de Jezuïeten-heerschappij aan deze onderworpen waren.

In de vlakten ten Z. daarvan leefden de Querandies, die den eersten stoot hebben opgevangen van de Europeesche veroveraars, met het gevolg, dat thans niets meer van hen over is. Bekend zijn hier ook de Araukanen, die oorspronkelijk in het Neuquén-gebied woonden, maar zich na het uitsterven van de vorige e.a. stammen verder uitbreidden; zij zijn waarschijnlijk de Indianenstam van A., die in beschaving het hoogst gestaan heeft, doch niet meer dan eenige honderden zijn van hen overgebleven. — Het totaal aantal Indianen mag misschien thans nog op 40.000 gesteld worden. Hun aantal neemt echter steeds nog af, en alleen voor het uiterste Z. mag eenige hoop gekoesterd worden, dat zich daar de Indianen zullen handhaven. De eerste immigranten waren de Spaansche veroveraars der 16e eeuw, die zich sterk mengden met de Indianen. Een tweede periode van immigratie ving aan, toen Negers naar A. werden overgebracht.

Hun invloed is niet groot geweest ; thans wonen er niet meer dan 8500 in het land. Van meer invloed waren de uit Spanje verdreven Joden en Mooren. De laatsten vooral hebben zich sterk gemengd met de Pampa-Indianen, die, gezeten op de verwilderde paarden, welke uit Spanje waren meegebracht, en gewapend met lasso en bola tot de gevreesde Gaucho’s, de woeste ruiters van A., werden. Eerst in de 2e helft van de vorige eeuw heeft een vestiging van Europeanen op grootere schaal plaats gevonden. Eerst nog Spanjaarden en Italianen, later Franschen, Russen, Engelschen, Duitschers e.a., doch Spanjaarden en Italianen vormen nog steeds het hoofdbestanddeel der bevolking, zooals blijkt uit onderstaand lijstje van de in A. aanwezige nationaliteiten in 1895.

Nationaliteit v/d immigranten aantal Italianen 1.994.727 Spanjaarden 1.013.787 Franschen 196.816 Russen 106.114 Syriërs 75.837 Oostenr.-Hongaren 69.488 Duitschers 47.638 Engelschen 46.696 Zwitsers 29.811 Belgen 21.356 Nederlanders 6.319 Denen 5.764 Noord-Amerikanen 4.620 Grieken 3.289 Boelgaren 880 Japanners 70 Andere nationaliteiten 62.674 Totaal 3.699.180 Wanneer men in aanmerking neemt, dat de natuurlijke toename van de reeds aanwezige bevolking 2.887.743 bedroeg, dan komt men, hoewel sinds 1895 geen volkstelling is gehouden tot een totaal aantal inwoners van ongeveer 7 millioen — zeker een klein getal voor zulk een groot land, maar groot, wanneer men bedenkt, dat er in 1870 slechts 1.830.000 menschen woonden. De dichtheid is thans 2,4 per K.M.2., die van het platteland aanmerkelijk minder, want alleen in de hoofdstad wonen 1¼ millioen menschen d.i. dus meer dan ¼ deel. In ’t geheel hebben 8 steden meer dan 50.000 inwoners:

Buenos Ayres 1.360.000 Rosario 200.000 La Plata 100.000 Cordoba 100.000 Avellaneda 90.000 Tucuman 80.000 Bahia Blanca 70.000 Mendoza 55.000 — Taal, zeden en gewoonten der moderne Argentiniers zijn grootendeels die van de Spanjaarden gebleven, die nog altijd de hoofdbevolking uitmaken. Van de 1000 inwoners belijden er 957 den Roomsch-Katholieken godsdienst, 7 den Protestantschen en 1 den Israëlietischen. — Bestuur. A. is verdeeld in 15 provinciën, elk met een zelfgekozen gouverneur, ministerie en parlement, naar het voorbeeld van de Ver. Staten. Bovendien zijn er 9 territoriën, die direkt door de algemeene regeering bestuurd worden.

Zoodra een territorium meer dan 90.000 inwoners telt, wordt het een provincie. Hoofdstad is Buenos Ayres, dat een afzonderlijk bondsdistrikt vormt. Aan het hoofd van de Republiek staat een president voor den tijd van 6 jaren gekozen. Hij benoemt 8 ministers, die geen verantwoording schuldig zijn aan het Parlement, en dus meer het karakter hebben van Staatssecretarissen. Wetgevende lichamen zijn: de Senaat, bestaande uit 32 leden, waarvan ieder een jaarlijksch inkomen moet hebben van minstens 2000 peso’s; en een Huis van Afgevaardigden, uit 120 leden bestaande, direkt door de bevolking gekozen.

Provinciën Oppervlakte in K.M.2 Bevolking Buenos-Ayres (stad) 186 1.360.000 Buenos-Ayres (prov.) 305.000 2.017.000 Santa Fé 161.000 916.000 Entre Rios 76.000 395.000 Corrientes 87.000 348.000 Cordoba 173.000 641.000 San Luis 75.000 126.000 Santiago del Estero 144.000 227.000 Mendoza 146.000 248.000 San Juan 98.000 126.000 La Rioja 98.000 93.000 Catamarca 95.000 116.000 Tucuman 27.000 326.000 Salta 125.000 158.000 Jujuy 38.000 64.000 Pampa Centrèal 146.000 91.000 Hierbij komen nog de territoriën Misiones, Formosa, Chaco, Neuquen, Rio Negro, Chubut, Santa Cruz, Vuurland, Los Andes. — Leger. Het leger van de Argentijnsche Republiek bestaat uit 3 legerkorpsen, waarvan de hoofdkwartieren gevestigd zijn te Buenos Aires, Parana en Tucuman. Het 1e en 3e legerkorps bestaan elk uit 2 divisiën, het 2e legerkorps telt slechts 1 divisie. Totaal telt het Argentijnsche leger op vredesvoet 20 regimenten infanterie, 9 regimenten cavalerie, 7 regimenten veld-artillerie, 1 batterij vesting-artillerie, 15 compagnieën pioniers, 3 compagnieën spoorwegtroepen, 5 compagnieën telegraaftroepen en 5 treincompagnieën; bovendien 1 compagnie wielrijders buiten korpsverband, onderwijsinrichtingen, geneeskundigeen verplegingstroepen, enz. Totale vredessterkte: ongeveer 1600 officieren en 22.000 man. Volgens de militaire wetten van 21 September 1905 zijn alle burgers van het voleindigde 17e tot het voleindigde 45e levensjaar weerplichtig. Van het 17e tot het 20e jaar behooren zij tot den landstorm (guardia territorial), van het 21e tot het 30e levensjaar dienen zij in het staande leger (waarvan 1 jaar bij het actieve leger en 9 jaar bij de reserve), van het 31e tot het 40e levensjaar bij de landweer (guardia nacional) en de laatste 5 jaren weder bij den landstorm. De 8 millioen inwoners leveren jaarlijks ruim 50.000 weerplichtigen.

In 1912 werden van dezen 18.000 man bij het leger ingedeeld (bovendien 5.000 vrijwilligers) en 5000 bij de marine. Van de overigen werden 5000 man afgekeurd, uitgesloten enz., terwijl de rest (kostwinners, gedeeltelijk-ondeugdelijken enz.) bij de landweer werd ingedeeld. Het leger is modern bewapend en uitgerust. In 1909 werd een nieuw uniform ingevoerd, dat zeer veel op de Duitsche gelijkt. — Economische toestand. — Veeteelt. Een onmetelijke vlakte (de pampa’s), begroeid met gras, een zacht klimaat, waardoor het vee het geheele jaar door buiten kan blijven, zoodat stalling en stalvoedering overbodig zijn, maken A. bij uitstek geschikt voor de veeteelt. Dit, gevoegd bij den betrekkelijk lagen prijs van het land, maakt, dat in geen land ter wereld het vee zoo goedkoop gehouden kan worden. Toch zijn er wel eenige schaduwzijden: de zomers zijn namelijk zóó droog, dat het weidegras meestal verdort, luceme (alfalfa) is aanmerkelijk beter tegen droogte bestand. Toen de droge winter van 1908, gevolgd werd door een droog voorjaar, waarin anders het gras hoog opschiet, had een sterfte van 20 tot 50 % onder het reeds verzwakte vee plaats.

Koude winden in het Z., koude regens (temporales), die eenige dagen aanhouden, eischen bovendien offers. Vroeger liep het vee vrij rond. De boer (estanciero), die meer een herdersleven leidde, wist slechts bij benadering, hoeveel vee hij bezat en zijn werkzaamheid bestond voornamelijk in het letten op de veedieven, en het samendrijven van het vee, wanneer het verkocht, gecastreerd of gemerkt moest worden. Thans zijn de estancia’s van elkaar gescheiden door draadomheiningen, het vee loopt in afzonderlijke weiden naar leeftijd en geslacht gescheiden, en veefokkerijen ontstonden met stalgebouwen speciaal voor rasvee. Een bedrijf van 100.000 H.A. is voor A. van middelmatige grootte. De meeste estanciero’s leggen zich toe op het vetweiden van ossen, maar naast het hoornvee worden toch ook veel schapen gehouden; kleiner is de paardenstapel, terwijl het fokken van varkens geheel bijzaak is. Bij de laatste opneming waren aanwezig:

totaal per 1000 inwoners 30 millioen runderen 4.490 67¼ „ schapen 10.365 77½ „ paarden 1.161 17½ „ varkens 216 Geen land der aarde, dat per 1000 inwoners zooveel vee kan aanwijzen; alleen Australië heeft nog 2 × zooveel schapen per 1000 inw. Het meest bekend is de veehouderij in de provincie Buenos-Ayres, waarin 35 % van alle paarden en rundvee, 50 % van den geheelen schapenstapel wordt gehouden. De hooge vlucht van de veeteelt is dan ook voor een niet gering deel te danken aan het feit, dat het neusje van den zalm, wat betreft kwaliteit der weiden, zich juist bevindt bij de hoofdstad, waar tevens alle spoorwegen samenkomen, waar de stoomschepen gereed liggen om de veeteeltproducten naar Europa te vervoeren. Dit zijn in hoofdzaak vleeschproducten. Wel zijn er vele melkerijen in A., vooral nabij groote steden; Buenos-Ayres bijvoorbeeld heeft per dag 400.000 Liter melk noodig, en veel wordt ook wel verwerkt tot boter en kaas, maar toch niet zooveel, als wel verwacht mocht worden van een land met een dergelijken veestapel. Per jaar worden 173 millioen Liter melk verwerkt tot boter en dit maakt een kleinen uitvoer mogelijk; maar slechts 19 millioen Liter wordt verwerkt tot kaas, waardoor nog veel uit het buitenland, o.a. uit Nederland, moet worden ingevoerd. Van het grootste belang is de zoogenaamde vleeschindustrie. Vroeger werd het vleesch in lappen gesneden, in een sterk pekelbad gelegd en daarna aan rekken buiten in de zon gedroogd.

Deze methode (tasajo-bedrijf) maakt echter steeds meer plaats voor het bevriezen, een procédé, waardoor het vleesch over grooten afstand kan vervoerd worden en toch goed blijft voor de consumptie. De uitvoer, welke aanvankelijk alleen geschiedde naar Brazilië en Cuba voor de arbeiders op de suikerplantages, breidde zich daardoor uit tot geheel Europa, waar de dichtbevolkte, industrieele landen nu een geweldig afzetgebied vormen. De tabel geeft een overzicht van de vleesch-export. — De waarde van de totale vleeschexport en alle bijproducten bedroeg 280 millioen gulden. Hiervan werd 73 % opgebracht door gekoeld en bevroren vleesch, 9% door levend vee en slechts 4% door tasajo-vleesch. Tal van bijproducten dragen niet weinig bij tot verhooging van de beteekenis der veeteelt; de horens dienen voor industrieele doeleinden evenals de mergbeenderen; de huiden en de wol worden uitgevoerd, o.a. naar Noord-Brabant; de pezen dienen voor lijmbereiding; de beenderen worden gedroogd en vergruisd tot meel; uit het beste vet wordt een fijne olie, uit het mindere talk bereid; de afval wordt als guano (mest) gebruikt. Thans houden zich 10 maatschappijen in A. met de vleeschindustrie bezig, waarvan er twee niet voor export werken. Trigorifico’s, dat zijn fabrieken, waarin het vleesch 5-jaarl. periode. gedroogd vleesch (tasajo). gekoeld en bevroren rundvleesch. bevroren schapenvleesch. aantal levende runderen. aantal levende schapen. ton. ton. ton. 1870-1875 169.000 1875-1880 168.500 917.500 164.000 1880-1885 116.000 365.000 147.000 1885-1890 161.500 957 57.000 630.000 140.500 1890-1895 212.000 4.000 130.500 869.000 398.000 1895-1900 178.500 28.000 354.500 1.700.000 2.568.000 1900-1905 88.000 318.000 366.500 700.000 542.000 1905-1910 58.000 764.600 358.000 602.000 526.000 wordt afgekoeld, staan te Campana, Avellaneda, (4 stuks), Zarate (2 stuks), La Plata, Burzaco en La Postrera, de beide laatste alleen voor varkens. Geheele schapen en vierdedeelen van ossen, worden daar in groote koelkamers, die soms elk 1300 schapen kunnen bevatten, door middel van ammoniakoelmachines ongeveer 24 uren lang op een tempeperatuur van 28 à 31 graden onder nul gehouden.

Het vleesch wordt daardoor steenhard. Bij geringer afkoeling, tot tusschen 27 en 29° Fahrenheit, verkrijgt men zoogenaamde „chilled beef”, dat veel sappiger is gebleven, en daardoor na ontdooiing moeilijk van versch vleesch kan worden onderscheiden. Het procédé vereischt echter veel toezicht en groote oplettendheid; voor schapenvleesch is men hiermee nog niet geslaagd. Het grootste deel van het export gaat naar Engeland, vooral nadat de invoer van levend vee daar bemoeilijkt is. Engeland importeert: Landen van herkomst. gekoeld en bevroren rundvleesch. ton. gekoeld en bevroren schapenvl. ton. totaal. Argentina 21.000 75.000 292.000 Australië 43.000 146.000 189.000 Noord-Amerika . 3.000 — 3.000 A. levert dus aan Engeland 52¼ % van den totalen invoer van bevroren vleesch en werd alleen in schapenvleesch door Australië overtroffen. Ook andere landen hebben hun grenzen voor het Argentijnsche vleesch opengezet, of staan op het punt zulks te doen. Reeds mag een beperkte hoeveelheid in Zwitserland en Oostenrijk worden ingevoerd; in ons land werd een proef genomen tot invoer voor het leger en voor volksvoedsel, welke echter niet geslaagd mag heeten. — Landbouw. Van niet minder belang voor A. is de landbouw, waardoor het voor enkele producten de wereldmarkt beheerscht.

In 1895 bedroeg de in cultuur gebrachte oppervlakte 4.892.000 H.A, — in 1912 in het geheel ruim 22.000.000 H.A., d.i. een vermeerdering van ongeveer 400 % in den tijd van 17 jaar. Toch is nog slechts 7,4 % van de totale oppervl. der republiek in gebruik genomen, welk laag cijfer grootendeels toegeschreven moet worden aan het tekort aan arbeidskrachten. Immers het land is vlak, en de bodem gemakkelijk te bewerken. Tengevolge van het vrij warme klimaat kan het zaaien over 4 maanden worden verdeeld; het oogsten wordt zelden door regen gestoord, van allerlei machines kan in hooge mate partij getrokken worden, waardoor het gebruik van dure arbeidskrachten tot een minimum beperkt wordt. Bovendien zijn de landprijzen nog betrekkelijk laag, is de uitgestrektheid vruchtbaar land buitengewoon groot, waardoor, in verband met het systeem, om den uitgeputten bouwbodem tijdelijk weer in weide te veranderen, langen tijd zelfs roofbouw uitgeoefend kan worden. Toch ondervindt de landbouw vele plagen, meer zelfs dan de veeteelt, bijvoorbeeld: droogte, mist, vorst, hagel, maar vooral de sprinkhanen. Deze dieren komen soms in zulke dichte wolken bijeen opzetten, dat het zonlicht er door onderschept wordt. Waar zij neerstrijken, wordt de heele te velde staande oogst opgevreten.

Elk jaar geeft de regeering 9 millioen gulden uit tot bestrijding van deze plaag door de velden te omringen met een rand plaatijzer van 30 c.M. hoogte, en de dieren in de verschillende stadia van hun ontwikkeling onschadelijk te laten maken. Deze plagen te zamen maken de oogst zeer wisselvallig. Zoo kon in 1909 worden uitgevoerd 2½ millioen ton tarwe, in 1900 slechts 1.8 millioen ton, liep de export van mais van 2.6 millioen ton in 1910, terug op 125.000 ton in 1911, wat overeenkomt met een waardevermindering van 60 millioen tot 2½ millioen gulden. De beteekenis van den Argentijnschen landbouw voor de wereldmarkt blijkt uit de volgende cijfers: Exporteerende landen. Productie. Export. T3 !ê. ® fö n o ? ? Tarwe. Mais. Lijnzaad. Tarwe. Mais. n '3 in millioenen ton. Ver. Staten . 18.5 73.9 0.7 5.0 1.6 0.1 7 Rusland .;. 15.5 1.2 0.6 3.2 0.5 0.1 22 Canada 2.9 0.6 — 1.2 — — 35 Argentina.. 4.2 3.7 0.9 3.1 2.0 0.8 67 — Door de geringe bevolking kan meer dan de helft van de productie in A. voor export dienen. Het wordt dan ook alleen door de Ver. St. als tarweleverancier overtroffen en staat ongeveer gelijk met Rusland.

Voor mais en lijnzaad is het de grootste leverancier der aarde. Italianen en Spanjaarden houden zich voornamelijk met den landbouw bezig, die het meest in de provincies Santa Fé, Buenos-Ayres en Cordoba wordt beoefend. Van veel belang zijn ook de landbouwproducten uit het warmere Noorden. De aanplant van suikerriet, waarschijnlijk door de Jezuïeten ingevoerd, heeft aanleiding gegeven tot het oprichten van 37 suikerfabrieken, waarvan er 26 in Tucuman staan. De plantages hebben veel last van vorst en de bewerking geschiedt nog geenszins op zulk een moderne wijze als op Java. Wijn en een overvloed van groenten en vruchten, ook subtropisch zooals sinaasappels, olijven, krenten, kastanjes, pruimen, amandels, vijgen, tomaten, zelfs bananen levert A. op; de een van meer, de ander van minder belang, maar nagenoeg alle vatbaar voor groote uitbreiding, zoodat ook hierin aanleiding gevonden wordt tot de veronderstelling, dat een schitterende toekomst op landbouwgebied voor A. is weggelegd. — Mijnbouw. De groote aandacht, welke aan landbouw en veeteelt is besteed, heeft veroorzaakt, dat arbeid en kapitaal niet in voldoende mate aanwezig waren, om ook de niet onbelangrijke rijkdommen aan delfstoffen van A. te voorschijn te brengen. Koper, zilver, lood, wolfram, borax, antimonium, zwavel, asbest heeft men op vele plaatsen aangetroffen, ook goud, steenkool en petroleum.

Van Neuquén koestert men zelfs de verwachting, dat het tot een tweede Californië zal worden door den grooten rijkdom aan goud. Steenkool en petroleum kunnen beide van groote beteekenis worden, doordat ze o.a. in Chubut, nabij de kust liggen, waardoor goedkoop transport naar de hoofdstad mogelijk is. De uitbreiding van de spoorwegen zal op vele plaatsen een belangrijken mijnbouw in het leven roepen, daar eerst dan een winstgevend bedrijf mogelijk zal zijn. — Verkeer. De belangrijkste verkeersweg voor A. is de zee. De handel met bijna alle landen geschiedt uitsluitend over zee. Alleen met Paraguay en Uruguay dienen daarvoor landwegen. Ook voor het aangrenzende Chili is het goederenvervoer goedkooper om Kaap Hoorn, dan met de Pacific-spoorweg. Van beteekenis kon het zeeverkeer pas worden, teen het mogelijk was vlug en goedkoop de landsproducten naar een haven te voeren, maar dit heeft langen tijd veel te wenschen over gelaten.

Belangrijke, goed bevaarbare rivieren zijn alleen de Parana, die echter door een gebied stroomt, dat eerst thans van beteekenis wordt en de Uruguay en Paraguay, wier beteekenis sterk vermindert, doordat ze beide grensrivieren zijn. De streken, die niet ver van de kust verwijderd waren, voerden hun waren met transportkarren naar de havens, maar menig gebied werd in zijn opkomst belemmerd door het ontbreken van afvoerwegen; de spoorwegen hebben dit gebrek verholpen. De eerste lijn van niet meer dan 10 K.M. lengte werd gelegd in 1857, thans heeft het spoorwegnet een lengte van 32.000 K.M. Alle provincies zijn onderling en met Buenos-Ayres verbonden. In 26 uur is vandaar uit het Noordelijkste gebied Tucuman, te bereiken, een afstand van 1450 K.M; Puerto Deseado, geheel in ’t Z. (48° Z. Br.), is verbonden met La Quiaca en Yaciuba geheel in ’t N. op de grens van Bolivia; de Atlantische Oceaan is over de Andes heen verbonden met den Grooten Oceaan. Het centrum is natuurlijk Buenos-Ayres, vanwaar hoofdlijnen uit loopen naar Bahia Blanca, Rosario, Paraguay (Corrientes), Bolivia, Cordoba, San Juan en de groote Pacific naar Valparaiso in Chili. Eerst in 1911 is deze voor het verkeer geopend, nadat op de grens ter hoogte van 3190 M. een tramlijn is tot stand gekomen nabij den Uspallatapas. Te zamen komt thans gemiddeld nog niet meer dan 1 K.M. spoor op elken 100 K.M.² land of 4 K.M. per 1000 inwoners, maar vele lijnen zijn nog in aanleg.

Ook thans nog volgen veehouders en landbouwers de spoorwegingenieurs op den voet, zoodat uitbreiding van het net, vergrooting van de bebouwde oppervlakte voor A. beteekent. Van de groote havens, die zich aan de kust ontwikkelden, staat Buenos-Ayres ver boven aan. Bijna alle zeevarende volken, vooral Groot-Brittannië, Duitschland, Nederland, Italië, Frankrijk, Noorwegen en Spanje vertoonen hun vlag aan de Rio de la Plata, Nederland is er vertegenwoordigd door de schepen van de Koninklijke Hollandsche Lloyd. De meeste schepen uit Engeland komen met steenkool aan en nemen voor de terugvaart vleeschwaren in, waarvan Engeland hoofdafnemer is. Geen land dan ook, dat zulk een rol speelt in den handel met A. als Engeland. Van welk een omvang de geheele handel is, blijkt uit het volgende staatje:

Haven. Aantal schepen. tonnen ink. in millioenen.

Buenos-Ayres 33241 17.8 Rosario 4878 4.6 La Plata 2130 1.9 Bahia Blanca 917 1.5 Conception del U 2452 1.0 — Alleen aan de Parana liggen bovendien nog 12 havens, elk met een handel van meer dan ½ millioen ton, o.a. Corrientes, Colastine, Barranqueras, terwijl ook Puerto Madryn in Patagonië zulk een omzet heeft.De geheele in- en uitvoer bedraagt thans ±1500 millioen gulden per jaar. Daarmee neemt Argentina de 2e plaats in onder de Amerikaansche staten en volgt in handelsbeteekenis dus terstond op de Ver. Staten van Noord-Amerika. — Litteratuur. Argentine Year Book; M. Bernardez, The Argentine Estancia (1903); W. H. Koebel, Modem Argentina (1907); Dez, Argentina, past and present (1910); Martinez en Lewandowski, L’Argentine au XXe Siècle (1906); F. F. Outes en C. Bruch, Los aborigenes de la Republica Argentina; Kärger, Landwirtschaft und Kolonisation im Spanischen Amerika I Bd. La Plata Staaten; Garzon, La République Argentine (1912); Hirst, Argentina (Eng. 1912); W. Schmidt en C. Grotewold, Argentinien (1912); Schuster, Argentinien: Land, Volk, Wirtschaftsleben (1913); I. van den Bosch, De landbouw en veeteelt in A. (Dep. v. Landb., Nijverheid en Handel, Verslagen en Mededeelingen v/d Dir. v/d. landbouw, 1914 no. 1.).