Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 17-01-2019

2019-01-17

Apotheker

betekenis & definitie

Apotheker - De bevoegdheid tot het voor geneeskundig doel bereiden en afleveren van geneesmiddelen is in ons land enkel toegekend aan den apotheker, die deze bevoegdheid verkrijgt door een studie, waartoe hij aan de Universiteit wordt toegelaten op grond van het diploma eindexamen H.B.S. 5-jar. c. of Gymnasium-B. Hij moet een voorbereidende studie doormaken, die in het eerste geval afgesloten wordt door het le natuurkundig examen (natuurkunde, scheikunde, plantkunde) en een aanvullingsexamen (dierkunde en delfstofkunde), waarmede het candidaatsexamen in de pharmacie voor het tweede geval, gelijk staat. Daarna begint zijn eigenlijke vakstudie, die drie a vier jaar duurt en afgesloten wordt door een theoretisch examen (pharmaceutische chemie, vergift leer, artsenijbereidkunst) of het doctoraalexamen in de pharmacie (pharmaceutische chemie, pharmaceutische plant- en dierkunde, vergiftleer, artsenijbereidkunst) en een practisch examen.

Dit laatste is sedert de wetswijziging van 1908 gesplitst in twee gedeelten; het eerste omvat de analytische scheikunde en de practische botanie, het tweede de pharmaceutische vakken. De wet eischt, dat men voor dit tweede gedeelte gedurende een jaar als gediplomeerd apothekers-adsistent bij een reeds gevestigd apotheker werkzaam geweest zal zijn. In verband daarmede leggen de meeste aanstaande apothekers, op raad van de hoogleeraren in de Pharmacie, reeds vóór den aanvang van hun studie het examen van apothekers-adsistent af.