Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 17-01-2019

Amerika

betekenis & definitie

Amerika - bestaat uit twee werelddeelen, Noord- en Zuid-Amerika, die door een overgangsgebied, Midden-A., met elkander verbonden zijn.

NOORD-AMERIKA Als grens met Midden-A. kan men de landengte van Tehuantepec aannemen; de Aleoeten, die het verlengde van Alaska vormen, en die in het Z. de Beringzee afsluiten, rekent men meestal tot A., evenals het ± 2.000.000 K.M.2 groote Groenland. Het geheele werelddeel is met deze grenzen ruim 20.930.000 K.M.2 groot.

De Noordkust van Grant-land, het Noordelijkste deel der tot nog toe bekende arktische eilanden, ligt op ruim 82° N.B., terwijl de Noordpunt van het vasteland, op Boothia Felix, op ruim 72° N.B. ligt. De Zuidkust van Mexico ligt op 15° 39" N.B. Poolstreken, zoowel als equatoriaal gebied, zijn dus in Noord-Amerika vertegenwoordigd. Daar echter de romp van het Continent den vorm van een gelijkbeenigen driehoek heeft, met den tophoek in het Z.W., behoort een zeer aanzienlijk deel tot de eerste, en slechts een betrekkelijk klein tot de laatste zone. In het W. wordt Noord-A. begrensd door den Grooten, in het O. door den Atlantischen Oceaan, in het N. en Z. door twee Middelzeeën: de Noordelijke IJszee en de Golf van Mexico. De eilanden, die er toe behooren, zijn bijna alle continentaal, met uitzondering van de kleine Bermuda’s. In het N. bevindt zich de ± 1.500.000 K.M. groote Arctische Archipel, waar zich Groenland bij aansluit. Tusschen deze eilanden en het vasteland vindt men talrijke randzeeën, baaien en sonten, die met de ± 1.200.000 KM2 groote binnen-zee, de Hudsons-„baai”, in verbinding staan; terwijl deze weer door de Hudsonstraat een uitgang heeft naar den Atlantischen Oceaan, ten N. van het groote schiereiland Labrador. Tusschen den Arctischen Archipel en Groenland liggen de Baffins-baai en Straat Davis.

Het 110.000 K.M.2 groote eiland New-Foundland en het door de Fundy baai van het vasteland gescheiden schiereiland Nieuw-Schotland, sluiten de 230.000 K.M.2 groote St.-Laurensbaai van den Oceaan af. Zeer geleed is de kust van Maine, met fjorden en rotseilanden; Zuidwaarts wordt de kust meer gesloten, en slechts onderbroken door breede riviermonden en kustlagunen (Chesapeake Bay, Pambico Sound). Ook het schiereiland Florida en de Golf van Mexico hebben vlakke lagunekusten. Aan de Westkust zijn het schiereiland Neder-Californië, zoowel als de archipel van kusteilanden ten Westen van Canada, deelen van het Westelijk kustgebergte. In het Noord-Westen vormen het schiereiland Alaska en de Aleoeten een brug naar Azië.

N a t u u r l ij k e v e r d e e l i n g en O r o g r a p h i e De algemeene orographische richting van Noord-A. is N.—Z., dus anders dan die van Europa—Azië, die O.—W. is. Men kan de volgende deelen onderscheiden:

I. Het Westelijk Bergland II. Het Bekken der Hudsonsbaai-landen III. Het Bekken der St.-Laurensmeren IV. Het Mississippi-bekken V. Het Appalachische bergland VI. de Atlantische Kustvlakte met Florida VII. Groenland.
I. Het Westelijk bergland. Dit kan men ten eerste van N. naar Z. verdeelen in afdeelingen, die vrijwel door de politieke grenzen van elkander gescheiden zijn, n.l. A. Alaska, B. Het West-Canadeesche bergland, C. Het Westelijk hoogland der Vereenigde Staten, D. Het Hoogland van Mexico. Van West naar Oost kunnen we al deze deelen onderscheiden, n.l.: 1) Kustketen, 2) Pacific lengtedal, 3) Westelijke Cordilleren, 4) Centraal tafelland, 5) Rotsgebergte, 6) Oostelijk tafelland.
1) De Kustketen begint in het N.W. met het Kenai-schiereiland, dat zich Westwaarts voortzet in het eiland Kadiak. In Alaska bereikt zij in het zwaar vergletsjerde Elias-gebergte haar grootste hoogte (Mt. Elias, 5500 M., Mt. Logan, 5950 M). In Canada is zij in een reeks van bergachtige eilanden verbrokkeld, die door sonten van elkander en van het vasteland gescheiden zijn, n.l. de Alexander-Archipel, de Koningin-Charlotte-eilanden en Van Couver. Ten Z. van de Juan-de-Fuca-straat, in de Vereenigde Staten, is het kustgebergte weer met het vasteland verbonden.

In het N. (Olympus, 2500 M.) en het Z. (S. Bernardinorange, 3575 M.) is het ’t hoogst; het middelgedeelte is overal lager dan 1600 M. Over het algemeen is de kust hier steil en ontoegankelijk. Slechts enkele kleine baaien geven eenige afwisseling. Door den wijden mond van de Columbia en door de „Golden Gate” bij San Francisco wordt het kustgebergte echter geheel doorbroken. Het zet zich in Mexico, in het schiereiland Neder-Californië, voort, waar het zich nog tot 3090 M. verheft.

2) Ten O. van het Kustgebergte loopt een reeks van lengtedalen, die te samen het Groote Westelijke lengtedal vormen. In Alaska is het minder duidelijk ontwikkeld dan elders. In Canada is het vertegenwoordigd door de reeks sonten, die de b.g. eilanden van het vasteland scheidt; in de Vereenigde Staten is het in tweeën gedeeld door een bergdrempel en den vulkaan Shasta. Het Noordelijk deel is het lengtedal van Oregon, waarin de Puget-sont een eind doordringt. Het Zuidelijk deel is het vlakke steppe-dal van Californië. In Mexico neemt de golf van Californië de plaats van het lengtedal in.
3) De Westelijke Cordilleren vormen overal hooge met sneeuw bedekte alpengebergten. In het N.W. beginnen zij met de vulkanische Aleoeten en het schiereiland Alaska; dan verheffen zij zich in de Alaska-alpen tot de grootste hoogten van Noord-Amerika (Mount Mackinley, 6190 M); in de dan volgende Wrangelketen is de werkende vulkaan Mt. Wrangel 5335 M. hoog. In Canada heet de Westelijke Cordillere Coast Range, de eigenlijke kustketen is hier in eilanden opgelost. De kust is hier een fjordenkust. In Zuidelijk Canada en in de Noordelijke Ver. St. tot de Shasta, draagt het gebergte den naam van Cascaden-Gebergte (naar de cascaden van de Columbia, die er door heen breekt).

De hoogste vergletsjerde toppen zijn oude vulkanen (o.a. de 4430 M. hooge Mt. Rainier, de hoogste top der Ver. Staten). Ten Z. van den 4402 M. hoogen Shasta heet het gebergte Sierra Nevada. De hoogste top van dit wel sneeuwrijke, maar weinig vergletsjerde gebergte is de Mt. Withney (4420 M.) Behalve dezen vindt men er talrijke boven de 4000 M. Het gebergte is beroemd door zijn prachtige erosie-dwarsdalen (Yosemite-dal), zijn talrijke alpenmeren en zijn fantastisch gevormde graniettoppen. In Mexico heet het Westelijk gebergte Sierra Madre Occidental. Het bereikt, ofschoon het zich in de Cumbre de Drango nog boven de 3000 M. verheft, nergens de sneeuwgrens.

4) Tusschen de Westelijke Cordilleren en het Rotsgebergte vindt men een tafelland, dat in Alaska vertegenwoordigd wordt door het Yukonplateau en -bekken, dat daar in zijn hoogste deelen ± 1000 M. hoog is. In Canada is het ’t smalst (tot 160 K.M. breed), en ongeveer van gelijke hoogte als ’t vorige. Het grootste gedeelte is met basalt bedekt, waarboven andere gebergten tot 2300 M. hoog uitsteken, en waarin door de werking der rivieren en door verzakkingen talrijke dalen zijn ontstaan. In de Vereenigde Staten wordt het tafelland weer breeder. Het Noordelijk gedeelte, het Columbia-plateau, is ook een geweldig basaltdek van ± 650.000 K.M.2 grootte, dat zich in het Z.-O. tot ± 1800 M. verheft. De rivierdalen hebben hier den „Cañon”-vorm (diep ingesneden, met zeer steile, tot loodrechte wanden). Dan volgen Zuidwaarts het Great-Basin, en Oostelijk daarvan het Colorado-hoogland, van elkander gescheiden door het Wahsatch geb. (toppen van ± 3600 M. hoogte). Het middengedeelte van het Great Basin is ± 1800 M. hoog, talrijke N.-Z. loopende ketens van 3 a 4000 M. hoogte loopen er door heen.

In de laagste deelen vindt men meren: het Groote Zoutmeer e.a., resten van vroeger vele grootere binnenzeeën. In het Zuidelijke vindt men depressies onder het niveau van den Oceaan, zooals het –146 M. lage Doodendal. Het Colorado-hoogland bestaat uit kale hoogvlakten, waarboven zich hier en daar tafelbergen („Mesa’s”) verheffen. In dit hoogland, dat uit horizontale lagen opgebouwd is, hebben de Colorado en zijn zijrivieren een net van geweldige Cañons gesneden. De Grand Cañon is 350 K.M. lang, 25 K.M. breed, en op sommige plaatsen meer dan ± 1800 M. diep. Hier en daar komen vulkanische vormingen voor, als de San Francisco Mountains, 3828 M., Henry Mountains, 3429 M., enz.

In Mexico gelijkt het tafelland veel op het Great Basin. Zuidwaarts wordt het smaller en hooger. Hier heet het het plateau van Anahuac, en wordt begrensd door het dal van de Rio de las Balsas of Mexala. Aan dezen Zuidrand verheffen zich een reeks reusachtige vulkanen, o.a. de Iztaccihuatl (5286 M.), de Popocatepetl (5452 M.) en de Citlaltepetl (5560 M.). Zuidelijk van b.g. dal vindt men weer bergland, dat zich tot ± 3400 M. verheft.

5) Het Rotsgebergte begint in Alaska bij Kaap Lisbourne en Kaap Prince-of-Wales met matige hoogte, die later toeneemt. In Canada verheft het zich tot een schilderachtig, sterk vergletsjerd hooggebergte, met toppen van ± 4300 M. hoogte. In de Vereenigde Staten bestaat het uit talrijke hooge ketens, waartusschen zich soms uitgestrekte hoogvlakten bevinden. Kleinere, aan alle zijden door gebergten ingesloten, hoogvlakten, zooals er in dit gedeelte vele voorkomen, noemt men „Parks”. Zeer bekend is, om zijn vulkanische verschijnselen, het Yellow-stonepark met zijn vele geisers en andere warme bronnen en sinterterrassen.

Talrijke toppen verheffen zich boven de 4000 M., vooral de Frontrange. De hoogste top is de 4410 M. hooge Blancapiek. De sneeuwgrens ligt in het Rotsgebergte van de Vereenigde Staten tengevolge van het droge, continentale klimaat hoog, waardoor het zeer weinig vergletsjerd is. In Mexico zet ’t zich voort onder den naam van Sierra Madre Oriental.

6) Tot het Westelijk bergland kan men ook het tafelland rekenen, dat zich aan de Oostzijde van het Rotsgebergte in Canada en de Vereenigde Staten aansluit. Het bestaat uit een Westelijk terras van 1800—1000 M. hoogte, op sommige plaatsen geheel vlak, elders heuvelachtig, waar soms ook geïsoleerde mesa’s in voorkomen. De rivieren zijn er soms diep ingesneden. In het N. heet het „Plains”, in het Z. Llano Estacado. Het daalt met een steile trap („Côteau”) naar het lagere (1000—300 M) „prairie”-terras af.

Het Westelijk bergland is dus een geweldig hoogland, dat zich van de Beringstraat tot aan de landengte van Tehuantepec uitstrekt. In de Vereenigde Staten, waar het ’t breedst is, heeft men een gebied van 600.000 K.M.2, dat overal hooger is dan 2000 M.; naar zijn ontstaan is dit geheele gebergte te beschouwen als een jong (tertiair) vouwingsgebergte.

II. De Hudsonsbaailanden vormen een reusachtig bekkenvormig gebied van ± 6.700.000 K.M.2 oppervlakte. Het laagste centrale gedeelte wordt ingenomen door de 1.200.000 K.M.2 groote Hudsonsbaai, terwijl het Noordelijk deel in eilanden opgelost is, n.l. in den reeds genoemden Arctischen Archipel. In het W. is dit gebied door het Mackenzie-dal van het Westelijk Bergland gescheiden. Het behoort tot de geologisch oudste streken der wereld. Voor het grootste gedeelte is het een golvende gneissvlakte, vol meren en venen („Muskegs”), afgeslepen door de gletsjers van den ijstijd. De hoogere randstreken liggen bijna overal beneden de 500 M. Alleen in het O. van Labrador en Baffinsland vindt men hooger bergland (tot boven 2000 M.). De kust is hier door fjorden diep ingesneden.

III. Aan de Hudsonsbaailanden sluit zich het bekken der St. Laurensmeren aan. De rotsbodem is hier grootendeels bedekt met het eens door gletsjers aangevoerde diluvium, vooral kei-leem.

IV. Het Mississippibekken, het groote centrale gebied der Vereenigde Staten, heeft slechts een lage, vlakke waterscheiding, met het Laurentische Merengebied of dat van Manitoba, en gaat dus onmerkbaar in de vlakten van de beide vorige gebieden over. In ’t W. vormt de prairietafel den langzaam stijgenden overgang tot de „great plains”, en naar ’t O., naar ’t gebergte der Appalachen, heeft het Cumberland tafelland (een 200 a 300 M. hoog plateau en heuvelland) een dergelijke beteekenis. Het vlakke Mississippigebied, dat in ’t algemeen weinig boven 300 M. stijgt, wordt onderbroken door de Black Hills (zoo genoemd naar de zwarte dennebosschen, waarmee ze begroeid zijn), in Dacota en door de Ozark Hoogten, een vrij uitgestrekt berg- en heuvelland (tot 850 M. hoog) in Oklahoma.

De laagvlakte van de beneden-Mississippi is een uitgestrekte, meest alluviale klei-, veen- en zandvlakte, op vele plaatsen moerassig, die in het Z.O. aansluit aan de Atlantische vlakte. De kust van de Mexicaansche golf is een moerassige, ongezonde lagunekust, waarvan de schoorwallen met duinen bedekt zijn.

V. Het Oostelijke- of Appalachenbergland is 2100 K.M., en, als men New-Foundland er bij rekent, 2600 K.M. lang. Het bestaat uit twee helften: A. de Noordelijke Appalachen, B. de Zuidelijke Appalachen, naar een der ketens vaak Alleghany’s genoemd. Het geheel is een zeer oud plooiingsgebergte, waarvan de vorming reeds in het primaire tijdvak afgeloopen was, en dat zijn tegenwoordige vormen aan breuken, verzakkingen, verweeringen en erosie te danken heeft. De grenslijn tusschen de beide helften is het diep ingesneden Hudson-Mohawkdal. A. De Noordelijke Appalachen zijn door talrijke insnijdingen, die in het N. onder den zeespiegel gezonken zijn, in een aantal ketens en groepen verbrokkeld.

Eén ervan is het eiland New-Foundland; dergelijke berggroepen op ’t vasteland zijn de Green Mts. in Vermont en de Adirondack Mts. in New-York. De hoogste top, de Mt. Washington in New Hampshire, bereikt 1920 M. Het gebergte komt hier onmiddellijk aan de kust; deze is over het algemeen een niet hooge, doch sterk ingesneden rotsige kust. B. De Zuidelijke Appalachen zijn veel regelmatiger gevormd. Van het O. naar ’t W. onderscheidt men 1) het Piedmont-plateau, 2) de Alleghanies, 3) het Groote-Atlantische lengtedal, 4) het Cumberlandbergland en -plateau (het laatste wordt in ’t Z. ook wel Alleghanies genoemd).

Het Piedmontplateau is in het midden ± 50 K.M. breed. ’t Is meestal heuvelland, dat van den gebergtevoet Oostwaarts daalt, en daar met een steilen rand, de z.g. „Vallijn”, — waar de rivieren watervallen vormen — afbreekt. De Alleghanies hebben afgeronde middelgebergtevormen; de Oostelijke keten heet „Blue-Ridge”; de hoogste toppen zijn ± 2000 M. hoog (Black Dome, 2048 M.). Het groote Atlantische lengtedal scheidt het Alleghany-gebergte van het Cumberland-bergland. In het Z.O. vormt dit nog ketens (met hoogten van ± 1200 M.), die Noordoostwaarts langzamerhand in een plateau overgaan.

VI. Ten O. van de Zuidelijke Appalachen strekt zich de Atlantische Kustvlakte uit, die bij den mond van den Hudson begint, en Zuidwaarts breeder wordt. Bij de Vallijn is zij nog zacht golvend, met hoogten van 160—30 M., maar verder zeewaarts volkomen vlak. De bodem bestaat grootendeels uit zand, hier en daar bedekt met uitgestrekte moerassen (swamps). De kust is een lage duinkust; de schoorwal is soms in waddeneilanden (Sea-Islands) gesplitst, en er achter dringt de zee vaak ver het land in, vooral in het N. (Delaware-baai, Chesapeake-baai). Het schiereiland Florida is vlak, hoogstens 75 M. hoog en bestaat voor een groot deel uit kalksteen, met karstverschijnselen, o. a. met moerassen en meren gevulde dolinen („lime sinks”). Vooral berucht zijn de „everglades” genoemde moerassen, die door een scherp snijdend gras ontoegankelijk zijn. De kusten zijn laag, aan de W. zijde sterk ingesneden, aan de O. zijde beschermd door een schoorwal met duinen, waarachter zich langgestrekte lagunen bevinden, die door talrijke „inlets” met den Oceaan verbonden zijn. Een reeks van kleine koraaleilanden, de „Keys”, sluiten zich aan de Z. punt van Florida aan.

VII. Over Groenland, zie het afzonderlijk artikel.

De Bermuda’s zijn een oceanische eilandengroep in den Atlantischen Oceaan. De 300 kleine eilandjes zijn te zamen ± 50 K.M.2 groot. Zij bestaan grootendeels uit kalksteen. ’t Hoogste punt ligt op 110 M. In den Grooten Oceaan liggen vóór de Westkust van Mexico en Californië nog enkele kleine rotseilandgroepen, als de Tres Marias, Guadaloupe, en de Santa Barbara-eilanden. Als oceanisch kan men het vulkanische Clippertone-eiland beschouwen.

H y d r o g r a p h i e Ten gevolge van de meridionale en excentrische ligging der Noord-Amerikaansche gebergten, is het onmiddellijke afwateringsgebied der beide Oceanen betrekkelijk gering, vergeleken bij dat van de beide Middelzeeën, nl. de N. IJszee in ’t N. en de G. v. Mexico in ’t Z.; dat van den Grooten Oceaan is 4.900.000 K.M.2 groot. De rivieren, die hiertoe behooren, zijn tengevolge van den bouw van het Westelijk Bergland wild stroomende wateren, met zeer sterk verval, watervallen en diep ingesneden dalen. Als verkeerswegen hebben zij zeer weinig te beteekenen. Van N. naar Z. zijn hier de voornaamste: de Yukon, die uit twee bronrivieren, den Lewes en den Pelly ontstaat; zijn geheele lengte bedraagt meer dan 3500 K.M., hij mondt met een groote delta in de Beringzee; de Fraser, die in bochtigen loop door het Canadeesche tafelland stroomt; de Columbia, ook uit twee bronrivieren ontstaan, de boven-Columbia en de Snake-river; zij stroomt door een reeks van cañons door het naar haar genoemde basalt-plateau, baant er zich met verscheidene cascaden een weg door, evenals door het Cascaden-gebergte, en loopt met een trechtermond in zee uit; de Sacramento-Joaquin; deze twee rivieren stroomen elkander tegemoet door het lengtedal van Californië, met een gemeenschappelijke delta monden zij in de baai van San Francisco uit; de Colorado, beroemd om zijn geweldige cañons, ontstaat uit verschillende bronrivieren (Green River, Grand River) en mondt uit in de Golf van Californië. Een tijdlang stroomde een deel van zijn water in de depressie van ’t Salton Meer. Nu is zijn oude loop weer hersteld. Behalve de Sacramento, die op de Sierra Nevada ontspringt, ontstaan al deze rivieren op het Rotsgebergte.

Het directe afwateringsgebied van de IJszee is ± 3.200.000 K.M.2 groot; met het ± 3.600.000 K.M.2 metende gebied van de Hudsonsbaai echter ± 6.800.000 K.M.2 Het is in den ijstijd bijna geheel met ijs bedekt geweest, en sedert dit verdwenen is, hebben de rivieren nog geen tijd gehad, haar dalen regelmatig in den harden gneissbodem in te snijden, terwijl talrijke oude dalbekkens door moreenen tot meren opgestuwd zijn. De rivieren bestaan dan ook meestal uit een aaneenschakeling van meren en stroomversnellingen; de waterscheidingen zijn zeer onduidelijk, en bifurcaties tusschen de verschillende stroomgebieden komen veel voor. Direct in de IJszee mondt de Mackenzie, waarvan de voornaamste bronrivieren zijn: de Athabasca en Peace River, die zich bij het Athabasca-meer vereenigen. De rivier stroomt dan door het Slavenmeer, neemt rechts de Liard en links de afwatering van het groote Berenmeer op, en mondt door een labyrinth van delta-armen in zee.

Van de rivierstelsels, die in de Hudsonsbaai uitmonden, noemen wij: dat van den Doobaunt, die in den Chesterfield-Inlet uitmondt, en die bifurcatie heeft, zoowel met de Mackenzie, de Groote Vischrivier, als met den Churchill. Ook deze ± 1800 K.M. lange rivier bestaat grootendeels uit meren. Het belangrijkste stroomgebied van de Hudsonsbaailanden is dat van den Saskatschewan-Nelson. De bronrivieren van de Noord- en Zuid-Saskatchewan ontspringen op het Rotsgebergte; de vereenigde stroom mondt uit in het Winnipegmeer, dat tevens den Red-river-Assineboine en den Winnipeg opneemt; onder den naam van Nelson verlaat de rivier het meer. De andere rivieren van de Hudsonsbaai zijn minder belangrijk; de voornaamste zijn nog de Albany en de East-Mainriver, die in de St. James-baai, het Zuidelijk verlengde van de Hudsonsbaai, uitmonden. Het gebied van den Atlantischen Oceaan is slechts 2.200.000 K.M.2 groot. In het Noorden (Labrador, St.

Laurensgebied) hebben de rivierstelsels nog hetzelfde karakter als de voorgaande. Het Kaniapiskan-meer, in het binnenland van Labrador, heeft afvloeiing zoowel naar het N. (door de Ungava of Kok-soeak), als naar de St.-Laurens. De St.-Laurens is de afwatering der Groote Canadeesche Meren. Door een zeer lange trechtermonding bereikt zij de G. van de St.-Laurens. De Zuidelijker rivieren, die in den Atlantischen Oceaan uitmonden, zijn kleiner, maar door haar bevaarbaarheid, speciaal in ’t benedengedeelte, zijn zij economisch belangrijk. De voornaamste zijn: de Connecticut, de Hudson, de Delaware, de rivieren, die in de Chesapeakebaai monden, de Savannah, enz. Het afwateringsgebied van de Golf van Mexico is 5.100.000 K.M.2 groot. Verreweg het grootste gedeelte (3.275.000 K.M.2) hiervan behoort tot het stroomgebied van den Missouri-Mississippi, die met 6970 K.M. de langste rivier van de aarde is.

De Missouri alleen heeft een stroomgebied van 1.400.000 K.M.2 en is 4722 K.M. lang. Hij ontspringt met verschillende bronrivieren in het Rotsgebergte, waaruit hij ook nog verscheidene aanzienlijke bijrivieren opneemt (b.v. de Platte en de Kansas). De boven-Mississippi, die uit het Itascameer ontspringt, is 1623 K.M. lang. Beide rivieren vereenigen zich bij St.-Louis, terwijl bij Cairo de derde hoofdarm, de Ohio, zich met den Mississippi vereenigt. De Ohio ontvangt zijn water van de Zuidelijke Appalachen af, en voert het meeste water aan (30%, Boven-Mississippi 17,8%, Missouri 14,2%).

De vereenigde rivier ontvangt uit ’t W. nog den Arkansas en den Red River. Hij mondt uit met een delta, waarvan de verschillende armen in zee uitsteken. De beneden-Mississippi is een echte laaglandsrivier, die meermalen zijn bedding heeft verlegd en vaak overstroomingen veroorzaakt. Van de andere rivieren, die in de Golf van Mexico uitmonden, is de Rio Grande del Norte, die het water van een groot deel van het Zuidelijke Rotsgebergte afvoert, de voornaamste. — Geen afvloeiïng naar zee hebben in Noord-Amerika gebieden met een gezamenlijk oppervlak van ± 1.000.000 K.M.2 Ze liggen alle in het Westelijk Gebergte, voorn. in het Great-Basin.

De meeste meren komen voor in die streken, welke vroeger met ijs bedekt geweest zijn. Zoo zijn de Hudsonsbaailanden het rijkste merengebied van de wereld. Van de grootste meren, die vooral in het randgebied ervan gevonden worden, noemen wij: het Groote-Beren-meer (29.000 K.M.2), het Groote-Slavenmeer (26.000 K.M.2), het Athabaska-meer (7500 K.M.2), het Rendier-meer, het Winnipeg-meer (24.500 K.M.2), het Lake of the Woods (4000 K.M.2), en vele duizenden andere. De Canadeesche- of St.-Laurensmeren vormen te zamen het grootste zoetwatergebied van de wereld. Gezamenlijk zijn ze 246.000 K.M.2 groot. ’t Hoogst ligt het Boven-meer (183 M., grootste diepte 308 M., oppervlakte 81.000 K.M.2).

Dan volgen op een zelfde niveau (177 M.) het Michigan- en het Huronmeer, resp. 58.000 en 59.500 K.M.2 groot, en 263 en 215 M. diep. Het Huron-meer heeft door de St.-Clair afwatering naar het Erie-meer (175 M. hoog, 99 M. diep, 26.000 K.M.2 groot). De afwatering van het Erie-meer naar het Ontario-meer (75 M. hoog, 225 M. diep, 17.000 K.M.2 groot) is de Niagara (met den beroemden 49 M. hoogen waterval). Ook in het Westelijk-gebergte heeft men talrijke meren, zoowel moreenenals steppe-meren. De laatste soort vooral in het Great Basin; het meest bekende is het Great-Salt-lake in Utah.

K l i m a a t De meridionaal gerichte hooglanden sluiten het binnenland naar ’t O. en W. van de zee af. Het grootste gedeelte van het Continent ondervindt daardoor zeer weinig invloed der Oceanen, maar veel meer van de beide Middelzeeën, waarvan de één in de poolstreken, de ander in de tropen ligt en tusschen de invloedspheren dier beide zeeën bestaat geen scherpe klimaatscheiding. Dit heeft ten gevolge: groote tegenstellingen in temperatuur op plaatsen, die dicht bij elkander gelegen zijn en groote temperatuurschommelingen in zeer korten tijd (soms 25° en 30° C. op één dag). Daardoor ook groote luchtdrukverschillen op korten afstand, met als gevolg hevige stormen, zooals b.v. in het N. de beruchte sneeuwstormen („blizzards”) en in het Z. de „tornados.” Temperatuur. Tot de poolstreken behoort het gebied ten N. van de lijn, die van kaap Prince-ofWales af dwars door de Hudson-baai gaat naar Hebron, aan de kust van Labrador, d.w.z. de Juli-isotherme van 10° C. Als tropisch kan men alleen beschouwen: het laagland van Mexico, en het Zuiden van Florida. Het overige van N. A. behoort dus tot het gebied der gematigde luchtstreek. Over het algemeen heeft het klimaat van Noord-Amerika een continentaal karakter. Behalve de tropische streken, heeft alleen de onder den invloed van den Grooten Oceaan staande Westkust een jaar-amplitude van minder dan 15° (Sitka, koudste maand –0,3°, warmste 13°, San Francisco 10° en 16°, Los Angeles 11.7° en 20.7°).

De Noordwestkust heeft dus een oceanisch klimaat, en ook aan de subtropische Zuid-Westkust zijn de temperaturen zeer gematigd. Direct achter het kustgebergte zijn de verschillen grooter (Portland 3.6° en 19.1°, Sacramento 7.6° en 22.6°). Gematigde amplituden (15—20°) hebben ook nog de Mississippi-vlakte, en de Atlantische kustvlakte (N.-Orleans 12.1° en 28°, Charleston 8.2° en 27°); overal elders in het groote continent zijn ze echter grooter dan 20°; in de Hudsonsbaailanden en de Noordelijke prairiën zelfs meer dan 30°. Over het algemeen zijn de zomertemperaturen hoog. De grootste hitte heeft men in de woestijnstreken van het Zuid-Westen; Tuscon heeft een gem. Juli-temperatuur van meer dan 35°. Maar ook Winnipeg en Edmonton in Canada hebben nog ± 20° C. — De Hudsonsbaai en de St.-Laurensmeren werken echter verkoelend op de zomertemperaturen (Fort York 13.4° en Duluth 18.8°). Zeer koel zijn ook de zomers aan de Westkust.

Los Angeles heeft een veel koelere Juli-maand dan New-York (resp. 20.7° en 23.1°). Geweldig is de hitte, die tijdelijk kan voorkomen. In Winnipeg komen soms temperaturen voor van 35°, in Boston en New-York van 37° en 38°; in het Ohio-dal en de Noordelijke prairiën van 40°, in Californië van 45° en in de Zuidwestelijke woestijn van meer dan 50° in de schaduw. Tegenover de hooge zomertemperaturen staan over het algemeen lage wintertemperaturen. De Januari-isotherme van 0° loopt Zuidelijker dan de 39° parallel (Washington + 0.7°, St.-Louis 0.8°, Pueblo –1.8°) tot dicht bij de kust, om dan evenwijdig met deze naar het N.W. te buigen tot Sitka (57° N.Br., –0.3°). Zéér koud (gem. minder dan –20°) zijn de Januari-temperaturen der Hudsonsbaailanden (Winnipeg nog –20.5°), en op het Jukonplateau zelfs minder dan –30°. In het Z.W. van Canada heeft men Januari-temperaturen van –11° tot –13°, in het merengebied varieeren zij van –3.3° (Cleveland) tot –12 (Duluth). — De Januari-isotherme van 10° gaat in Noord-Amerika dicht langs de Zuidkust, om dan via San Antonio (10.8°) tot Noordwestelijk van Los Angeles (11.7°) te loopen.

De kusten van Mexico hebben een echt tropisch klimaat. Vera Cruz heeft bij een gem. jaartemperatuur van 25.4°, een koudste maand van 22.1° en een warmste van 27.7°. Voor Colima zijn deze cijfers resp. 26, 23 en 281/2°. Alléén in de b.g. kustvlakten van Mexico is vorst onbekend. Zelfs bij Tampa (Zuid-Florida) is een koude van –71/2° voorgekomen, bij El Paso van –201/2°, bij Mobile van –18°. In de Noordwestelijke Hudsonsbaailanden van –50° tot –60°, in Fort Reliance –62.2°.

Luchtdruk, winden en neerslag. In den winter wordt de windrichting in Noord-Amerika bepaald door de ligging tusschen de beide luchtdrukminima boven het N. van den Atlantischen en het N. van den Grooten Oceaan. De naar ’t eerstgenoemde minimum stroomende lucht veroorzaakt in de geheele Oosthelft van N. A. de polaire, dus droge en koude N.W. winden, die uitgaan van een maximum in ’t binnenland, in W. Canada. Het windsysteem van ’t andere minimum geeft aan ’t Westelijk kustgebied van N. A. Z.W. winden, die daar tegen ’t gebergte grooten neerslag geven. In den zomer schuiven de drukgebieden en windsystemen Noordwaarts en zoo komt ’t grootste gedeelte van N. A. dan onder den invloed der beide luchtdrukminima in het N. van den Atlantischen en van den Grooten Oceaan, die van den Noorderkeerkring zijn opgeschoven, de eerste tot de breedte der Azoren, de andere tot die van Californië. De eerste geeft in de geheele W. helft van N. A. Zuidelijke tot Zuidwestelijke winden; ze zijn warm en geven, daar ze van de G. v. Mexico en den Atlantischen Oceaan waaien, veel neerslag. Het maximum van den Grooten Oceaan geeft N.W. winden, die, daar ze naar ’t warmere land waaien, veel minder neerslag geven dan de Z.W. winden in den winter. Het gebied ten Z. van Californië behoort in dit jaargetijde geheel en in den winter bijna geheel tot het gebied der N.O. passaat, die regen geeft tegen de bergen aan de Oostkust van Mexico.

Regenhoeveelheid. Het oceanisch gebied van de Westkust van Canada heeft regen in alle jaargetijden met een maximum in den winter. Winterregens heeft men ook in de subtropische streken van het Z. Het overige N.-Amerika heeft den meesten neerslag in den zomer, en wel in het Noordelijke Mississippi-bekken en de Noord-Appalachen in den vóórzomer, in Canada in den nazomer.

In het gebied met poolklimaat valt zeer weinig neerslag, minder dan 250 m.M. per jaar. Het overige Noord-A. kan men door een lijn, die ongeveer de meridiaan van 100° W.L. volgt, in een vochtige Oost-, en een droge Westhelft verdeelen. In de laatste valt minder dan 500 m.M., in het Zuidwesten zelfs minder dan 100 m.M. (Yuma, 72 m.M.). Een uitzondering maakt in de Westhelft de kuststreek van San Francisco Noordwaarts (S. Francisco 573 m.M., Neah-bay 2820 m.M., Sitka 2070 m.M.).

In verband met de Zuidelijke zomerwinden krijgt de Westelijke helft haar regen in de eerste plaats uit de sterk verwarmde Golf van Mexico. De regenval neemt, afgezien van enkele uitzonderingsgevallen, aan de loefzijden van gebergten, van het Z.O. naar het N.W. en van het O. naar het W. af. (Charleston 1237 m.M., St. Louis 1033 m.M., Bismarck 444 m.M., New-York 1136 m.M., Cleveland 907 m.M., Chicago 854 m.M., Omaha 750 m.M.) In de Zuidelijke vlakte valt veel regen (N. Orleans 1405 m.M., in Memphis nog 1294 m.M.). In Mexico valt de meeste neerslag aan de golfkust, en tegen den Oostelijken bergwand (Vera Cruz 1470 m.M., Cordova 2800 m.M.); ook nog vrij veel aan de Westkust (Colima, 1060 m.M.); veel minder op het plateau (Mexico 610 m.M.).

Men kan dus Noord-A. in de volgende klimaatprovincies verdeelen:

1) Noord-Westelijk Kustgebied (van Alaska tot Californië). Oceanisch klimaat, zachte winden en koele zomers; neerslag in alle jaargetijden met een maximum in den winter.
2) Subtropisch kustgebied van Californië. Zachte winters, koele zomers; winterregens betr. gering.
3) Pool-gebied. Zeer weinig neerslag. Groote koude in den winter.
4) Gebied van het Westelijk hoogland (met prairietafel). Groote verschillen tusschen winter en zomer; geringe neerslag, max. in den zomer.
5) Zuid-westelijk woestijn-gebied. Zéér weinig neerslag; geweldige zomerhitte.
6) Gebied der Zuidelijke Hudsonsbaailanden. Vrij hooge zomer- en zeer lage wintertemperatuur, voldoende neerslag, max. in den zomer.
7) Centraal Gebied. Matige, Oost- en Zuidwaarts toenemende neerslag, max. in den vóórzomer; warme zomers en koude winters.
8) Appalachen gebied. Komt overeen met het vorige, méér neerslag.
9) Zuidelijk- en Oostelijk-laagland. Zachte winters, warme zomers, veel neerslag, vooral in den winter.
10) Mexico. Langs de kusten zuiver tropisch klimaat. In het binnenland tropisch plateau-klimaat (verdeeling in tierra caliente, tierra templada, tierra fria).

P l a n t e n g r o e i e n F l o r a In het groote continent zijn bijna alle natuurlijke plantengebieden der aarde vertegenwoordigd. In het N. deel van Canada ten N. van de boomgrens, die aan de Amerikaansche Oostkust zijn grootsten afstand van den pool bereikt, (55° NB. a/d. Hudsonsbaai) heerscht de arctische flora. Hier vindt men de toendra’s (Barren Grounds) en hoogvenen (Muskegs) op den bevroren of steenigen bodem. Ten Z. daarvan treft men het N.-Amerikaansche woudgebied aan, dat een zeer groote gelijkenis vertoont met het overeenkomstige Euraziatische Woudgebied. Het is te beschouwen als een deel van het natuurlijke Boreale (Holarctische) Floragebied. Het bestaat uit een meest zeer eentonig dennenwoud, dat alleen langs de rivieren onderbroken wordt door loofbosschen. Picea alba (P. canadensis), gemengd met Populieren, Wilgen, Berken, Elzen en Larix, is hier de meest voorkomende plantensoort.

Ten Z. van deze strook kan men N. Amerika floristisch in drie deelen van ongelijke grootte verdeelen, die ook klimatisch aparte gebieden voorstellen. De pacifische kuststreek met een gematigd zeeklimaat ten W. van de Rocky Mountains is gekenmerkt door de enorme ontwikkeling van naaldbosschen, die in rijkdom van soorten alle andere naaldbosschen der aarde overtreffen. Vele ervan vindt men terug in de Europeesche tuinen, b.v. de Douglasden (Pseudotsuga Douglasii), de Oregonceder (Thuja gigantea), verschillende soorten van Tsuga en tal van Sparren, Dennen, en Pijnboomsoorten. Ook onder de loofboomen zijn er, die veel overeenkomst met de Europeesche vertoonen, b.v. Eiken, Ribes, Berberis e.a. — Bij dit gebied sluit zich in het Z. aan het Californische Kustgebied, van den mond van de Oregon tot aan het N. van de Golf van Californië. Het is wegens zijn droge zomers en zachte regenachtige winters te vergelijken met het gebied van de Midd. Zee. Ook hier zijn naaldboomen bijzonder goed ontwikkeld. De Mammoetboom, Sequoia gigantea, is met de veel erop gelijkende S. sempervirens de grootste boom van het plantenrijk. Vele soorten worden bij ons in de tuinen gekweekt, b.v. Abies nobilis.

Van de loofboomen houden er talrijke in den winter de bladeren. Het gebied is buitengewoon rijk aan planten met mooie bloemen en is het vaderland van een groot aantal in den Europeeschen siertuin gekweekte bloemplanten. Zoo bestaan de z.g. Japansche bloemzaden bijna geheel uit zaden van Californische planten. — Het Rotsgebied, de Rocky Mountains zelf, stelt een apart floragebied voor. Het klimaat is er droog, maar wordt naar het O. langzamerhand vochtiger en gaat geleidelijk in het prairiegebied over. Het heeft, wat de soorten aangaat, veel gelijkenis met de naburige W.lijke en O.lijke gebieden, maar gaat in het Z. al eenige overeenkomst vertoonen met het Midden-Amerikaansche Steppengebied. — Het Atlantische N.-Amerika staat onder invloed van het zeer sterk in temperatuur en vochtigheid wisselende klimaat. De zomer is meestal tamelijk vochtig; de nazomer duurt lang en is zacht. Daardoor beginnen vele planten eerst te bloeien, als de nachtvorsten al beginnen (onze Herfstasters). Bekend is ook de fraaie herfstkleur van de bladeren (Amerikaansche Eiken, Wilde Wingerd).

De loofboomen overtreffen Europa ver in rijkdom van soorten: de Tulpenboom (Liriodendron), vele Magnolia’s. Verder in het binnenland vindt men naaldboomen als de Thuja occidentalis, de Weymouthden (Pinus Strobus), de Hemlockspar (Tsuga canadensis) en vele andere in onze parken geplante soorten van dennen, sparren en Pinus. — Tusschen het Atlantische gebied en het Rotsgebied schuift zich het Prairiegebied in, dat zich het meest bij het O. aansluit. Het strekt zich ongeveer uit van den Mississippi tot aan de Californische Sierra Nevada en van 54° N.B. tot aan den Keerkring. Het klimaat, vooral in het W., is gekenmerkt door strenge winters en warme zomers, zoodat de vegetatietijd tot enkele maanden van het jaar beperkt is. De zeer droge zomer maakt het land voor boomgroei ongeschikt. Des te beter leent het zich voor grasland. Droge grassen als Bouteloua en Buchloe (Buffelgras) bedekken groote uitgestrektheden. In het N. is de bodem der prairie meest golvend, diluviaal land (rolling prairie), Z.lijk met löss en „zwarte aarde” bedekt.

Het W.lijke, hoogere deel, in het N. „plains”, in het Z. „Llano Estacado” genoemd, is steppe, die W.-waarts steeds kaler wordt, tot zij in het Z.W. een woestijnachtig karakter krijgt. De bodem is hier bedekt met halophyten en met de Sage-brush, Artemisia tridentata. Soms zijn de plains volkomen vlak, soms heuvelachtig of ruïne-achtige erosievormen („bad land”). Het landschap van het tafelland van het W.lijk gebergte met zijn eentonige hoogvlakten en zijn cañons, doet in zijn plantengroei veel aan de plains denken, maar daar treden naast de Artemisia’s ook Cactussen en Agaven op. Meer naar het O. wordt de prairie vochtiger en is daar in den zomer buitengewoon rijk aan bloemen. Het droogste deel ligt in het W. tusschen de Californische Sierra Nevada en de Rocky Mountains. De plantengroei heeft er een woestijnachtig karakter en is op sommige plaatsen door het hooge zoutgehalte van den bodem typisch halophiel. — De Z. Staten van de Unie hebben, zoowel wat klimaat als wat plantensoorten aangaat, groote overeenkomst met sommige deelen van China en Japan. De neerslag is hier meestal zeer rijkelijk.

Daardoor wordt in het Z. de vegetatie meer en meer tropisch. Er komen Bamboe-soorten voor, Palmen, Bromeliaceeën, enz. Bekend is vooral de Moerascypres (Taxodium distichum), Pinus ponderosa en Pinus palustris (Pitch Pine), Pinus australis en Pinus Taeda (stamplanten van de Amerik. Terpentijn), die op zandige plaatsen de z.g. Pine Barrens vormen. Deze boreale flora van N.-Amerika is opvallend arm aan kultuurplanten. Bijna alle zijn uit Europa of Azië ingevoerd. Slechts Tabak en waarschijnlijk ook Boonen (Phaseolus) zijn van Amerikaanschen oorsprong. Daarentegen is N.A. wel het vaderland van vele bij ons zeer gewone gekweekte of verwilderde planten, b.v. van de Valsche Acacia (Robinia Pseudacacia), de Topinamboer (Helianthus tuberosus), verschillende soorten van Populieren, de Waterpest (Elodea canadensis), de Fijnstraal (Erigeron canadense), de Teunisbloem (Oenothera) e.d.

De Bevolking. Dichtheid. De Arktische Archipel en het Noordelijk deel der Hudsons-baailanden zijn bijna onbewoond. Zeer dun bevolkt zijn ook ’t overige Hudsonsbaaigebied (0.01 per KM2.) en dat van den Yukon (0.035). Zuidwaarts, in Canada, wordt de bevolking dichter. Bepaald dicht bevolkt is in Noord-A. alleen het gebied van NieuwEngeland: het N.O. der Vereenigde Staten. Aan de Noordgrens van Massachusetts, tot aan de Deleware, heeft men een dichtheid van 130 per KM2. in Rhode Mand zelfs van 170. Vrij dicht bevolkt is het gebied ten Z. van de Oostelijke Groote meren, van het Ohiodal, en van de streken om de Chesapeakebaai (Noordelijk New-York ± 40, Pennsylvanië 66, Ohio 45, Indiana 30, Illinois 38, ’t Gebied om de Delaware-en Chesapeakebaaien ± 40 per KM2.). — Dan volgen het gebied tusschen den Ohio en de Alleghanies (± 20) en dat ten Z.W. van de Groote Meren (± 19 per KM2.). De bevolkings-dichtheid van 'de Zuid-Oostelijke vlakte neemt van ’t N.O. naar het Z.W. af. (Oost-Virginië 19, Louisiana 13 per K.M2.). Florida met zijn zandbodem „Everglades en swamps” is natuurlijk dun bevolkt (5 per K.M2.). Ten W. van den Mississippi neemt de bevolking van het midden der prairie naar alle kanten geregeld af. (Missouri 18, N. Dakotah 3, Kansas 8, Texas 6 per KM2.). Zeer dun bevolkt is het Westelijk bergland.

Slechts Colorado heeft (door de mijnbouwstreek van Denver en Pueblo) nog een bevolkingsdichtheid van 3, overal elders echter beneden de 2, uitgestrekte deelen nog beneden de 1 per KM2. Nevada b.v. slechts 0.3 per K.M2. Iets dichter bevolkt zijn de Staten van de Westkust, n.l. 6 per K.M2. In Mexico is het schiereiland Neder-Califomië het dunst bevolkt, 0.3 per KM2. In het algemeen neemt de bevolkingsdichtheid, zoover Mexico tot NoordA. behoort, van ’t N. naar 't Z. toe (op het tafelland van 2.2 tot ± 40 per KM2.). Tengevolge van de immigratie neemt de bevolking van Noord-A. sterk toe. In 1790 schatte men het aantal inwoners op 8.500.000, waarvan ongeveer de helft in Mexico woonden; in 1850 had Noord-Amerika ongeveer 36.700.000 in 1910 113.563.805 inwoners.

Rassen en kultuur.

1) Bij de komst van de Europeanen in A. behoorde de geheele bevolking tot het Amerikaansche Ras (of z.g. „Indianen”, tengevolge der bekende vergissing van Columbus). Alleen in het hooge N. woonden de Eskimo’s.

In Mexico vormen de Indianen en Mestiezen (uit vermenging van blanken en Indianen ontstaan) verreweg het grootste gedeelte van de bevolking; 40%, dus ± 6 mill., worden hier beschouwd als raszuivere of nagenoeg zuivere Indianen. In de Vereenigde Staten is het ras echter door langdurige verdelgingsoorlogen met de blanken sterk verminderd, en uit het O. bijna geheel verdrongen. De overblijfsels zijn voor het grootste deel in z.g. „reservations” opgesloten. Hun oude jagersleven hebben zij laten varen: zij zijn meest landbouwers geworden. Tegenwoordig wonen in de Ver. St. nog 265.000 in Canada 150.000 Indianen. Zie verder INDIANEN.

2) Het Blanke ras. In de XVIe eeuw vestigden zich de Spanjaarden in het Z.W. en in de XVIe de Hollanders en de Engelschen in het O., de Franschen in het N. en midden.

De oudste Engelsche koloniën waren NieuwEngeland, in het N.O. de latere Vereenigde Staten, en Virginia in het Z.O. Daar tusschen lag de Nederlandsche kolonie Nieuw-Nederland (de tegenwoordige Staat New-York), terwijl de Franschen zich in het St.-Laurens gebied en in het Mississippi-dal (Louisiana) vestigden. In 1664 werd de Nederlandsche kolonie door de Engelschen geroofd en in de XVIIIe eeuw maakten dezen zich van het Fransche gebied in Canada meester. In 1776 verklaarden echter de dertien Engelsche koloniën zich vrij van het moederland en vormden de Vereenigde Staten; in 1803 verkregen zij van Napoleon I Louisiana. In 1848 veroverden zij van Mexico (dat zich van 1820— 35 vrij van Spanje gemaakt had) Califomië en het Zuidelijk deel van het Westelijk Gebergte. De XlXe eeuw was een tijd van sterke immigratie. In het eerst kwamen de landverhuizers hoofdzakelijk uit het N.W. van Europa, dus vooral Germanen van verschillende soort, Ieren en Engelschen; in den laatsten tijd meer uit Z.- en O.-Europa: Slaven, Hongaren, Joden en Italianen. In 1911 waren ongeveer 15 millioen inw. van N.-Amerika in Europa geboren (waarvan ± 1.500.000 in Canada, 13.343.545 in de Vereenigde Staten en 38.667 in Mexico). Daarenboven waren 18.897.837 inwoners der Vereenigde Staten kinderen van Europeesche ouders. —In Canada en de Vereenigde Staten is Engelsch de officieele taal, in Mexico Spaansch, in Canada wordt door de afstammelingen der oude kolonisten ook nog veel Fransch gesproken.

3) De Negers zijn in A. indertijd als slaven ingevoerd, en wonen dus vooral in de plantagestaten van het Z.-O. In 1910 werd het aantal negers en Mulatten in de Ver. St. berekend op 9.827.763, in Canada wonen er ± 17.000. Hoeveel er in Mexico (vooral aan de Oost-kust) wonen, is onbekend. In de Zuid.

Staten vormen zij 32 % der bevolking. Een poos dreigde er een groote invasie van M o ng o l e n (Chineezen en Japanners) in het W. van Noord-A. Wettelijke beperkingen hebben aan deze immigratie grenzen gesteld. Er wonen nu in Noord-A. ongeveer 200.000 vertegenwoordigers van het gele ras, iets meer Chineezen dan Japanners.

De rassen hebben zich op verschillende wijzen ook vermengd. Vooral talrijk zijn in de Vereenigde Staten de Mulatten (Blank x Neger) en in Mexico de Mestiezen (Blank x Indiaan), die daar ± 40 % der bevolking uitmaken. Daar vindt men ook de Z a m b o’s (Neger x Indiaan). In de Vereenigde Staten bestaat een scherpe grens tusschen zuiver blanken en „coloured people”.

Onder het Blanke ras, dat verreweg in de meerderheid is, en de Europeesche beschaving van Europa naar Noord-A. overgebraoht heeft, zijn door historische en physische oorzaken eenige verschillen in de kultuur ontstaan. In Oost-Canada hebben de Katholieken van Fransche afkomst nog veel invloed, ofschoon door de immigratie uit Engeland de beschaving meer en meer een Engelsch karakter aanneemt. De Noord-Ooststaten der „Union” zijn ontstaan uit de demokratisch Calvinistische koloniën van „New-England”. Ze hebben door hun gunstige aardrijkskundige ligging, natuurlijke rijkdommen en daarvan afhankelijke dichte bevolking de leiding in de Ver. Staten. Hun kultuur komt het meest met die van WestrEuropa overeen en kenmerkt zich door het sterk domineeren van het kapitaal.

De Zuid-Oost-Staten zijn ontstaan uit feodaal ingerichte plantage-koloniën. Hier is nog een grootgrondbezitters-aristokratie een zeer belangrijke factor, waarnaast een paria-bevolking van negers leeft. — Het W. van Noord-A. heeft een maatschappij in wording. De bevolking bestaat er grootendeels uit immigranten van den lateren tijd, die hier alle gelegenheid en ruimte hebben om hun werkkracht te ontplooien en met veel energie zeer veel te bereiken. Mexico is een oud Spaansch plantage-gebied, waar een heerschende kaste een dunnen glimp van Romaansche kultuur gaf aan een Indiaansche bevolking. Deze is, alleen als zij met ijzeren hand door een krachtige persoon in toom gehouden wordt, in staat, de groote natuurlijke rijkdommen van het land tot hun recht te doen komen.

Bestaansmiddelen. In Mexico vonden de Spanjaarden reeds een geregelde bodemcultuur. Zij legden zich vooral op de ontginning van de edele metalen toe. De eerste Europeanen, die van de Oostelijke koloniën de wildernissen introkken, waren de Trappers (jagers), de Lumberers (houthakkers), de Squatters (de eerste boeren) en de Diggers (de eerste ongeregelde mijnbouwers). Met het ontstaan van verkeerswegen en met de ontwikkeling daarvan, ging ook het doordringen van geregelde kolonisatie, met regelmatigen landbouw, veeteelt, mijnbouw en industrie, naar het W. gepaard.

Ten opzichte van den landbouw moet men Noord-A. verdeelen in:

1) het Noordelijk Gebied, waar landbouw onmogelijk of uiterst bezwaarlijk is, 2) het Oostelijk deel met voldoenden regenval en zomertemperatuur voor intensieven landbouw, 3) het droge W„ waar irrigatie-landbouw of „dry-farming” noodig is.

Ten behoeve van de bevloeiïng zijn zoowel door particuliere maatschappijen, als door den Staat grootsche werken aangelegd, waardoor vele en belangrijke oasen zijn ontstaan. De delta van den Sacrament, is door Nederlandsche boeren ingepolderd. 2) en 3) kan men weer verdeelen in een Noordelijk gebied met een gematigd, en een Zuidelijk met een subtropisch klimaat.

Van de producten komen in de eerste plaats korensoorten in aanmerking, n.l. mais en tarwe. Het eerste wordt vooral verbouwd in de Vereenigde Staten (b.v. Ohio-gebied en in de prairiën) en in Mexico, waar het zijn vaderland heeft; in Canada wordt het nog benoorden het Erie- en Ontariomeer verbouwd. Tarwe komt het meest uit de Oostelijke prairiën, en ook uit het kustgebied van den Grooten Oceaan. De Noordelijke tarwegrens bereikt in het Mackensie-dal, dank zij de betrekkelijk hooge zomertemperatuur, den 60en breedtegraad. Haver en gerst worden ook veel verbouwd; de eerste vooral in Oostelijk Canada en in de New-Englandstaten. Rijst komt voor in de Zuidelijke laagvlakten. — Andere belangrijke landbouwproducten zijn: aardappelen, vooral in Canada; in de Ver. St. hebben zij veel van ziekten en insecten (Colorado-kever!) te lijden; bataten, in het Zuiden der Ver. St. en Mexico; tabak, vooral in het Ohio-gebied en op het Piedmont-plateau, in Nieuw-Nederland en in Connecticut; hop, vooral in het lengtedal van Oregon; luceme-klaver, in de Westelijke irrigatie-oasen.

De Zuid-Oostelijke Vereenigde Staten zijn het belangrijkste katoen-gebied van de aarde; ook wordt het in Mexico veel verbouwd, evenals de Sisal-agave (henequen); rietsuiker in de benedenMississippi-vlakte en in Florida. — Zeer belangrijk is ook de tuinbouw. In Canada levert hij vooral erwten, in de Ver.-St. verschillende soorten van groenten, die voor een groot deel als conserven uitgevoerd worden. De voornaamste ooftsoorten zijn appels, perziken, pruimen en tomaten. Ooftbouw heeft men vooral aan de oevers van het Ontario-meer, in het Ohiogebied, het Mississippidal en in Californië. Daar heeft men ook veel druiventeelt, rozijnen, en wijnbouw. De „zuidvruchten”-cultuur (sinaasappels en ananassen) is beperkt tot Florida en ZuidCalifornië e.o.

Producten van in 't wild groeiende planten. De wouden van Canada leveren een ontzaglijke massa hout. De houtrijkdom der Ver.-Staten is sterk achteruitgegaan door de roofhakkerij en de talrijke boschbranden. Tegenwoordig leveren vooral de wouden van Oregon en Washington en verder Alaska het meeste. Andere belangrijke boschproducten zijn Ahornsuiker in de Noord-Oostelijke Staten, terpentijn in de Zuid-Oostelijke dennenwouden.

Veeteelt. De meridiaan van 100° W.L. scheidt ook het weidenrijke gebied in het O. met intensieve, van het droge steppegebied van het Westen met extensieve veeteelt. Het meeste rundvee ziet men in Canada, de Noord-Oostelijke Ver. Staten, en in de prairie-staten. Daar vindt men het meeste melkvee. Canada voert o.a. veel boter uit. In de Zuidelijke steppen, vooral in Texas, heeft men meer extensieve runderteelt met „Cowboys”.

Runderen, schapen en varkens leveren het materiaal voor de reusachtige exportslachterijen in het Ohio-dal en in Chicago. Wisconsin is het belangrijkste schapen-gebied. Ook de paardenteelt is in Noord-A. hoogst belangrijk, in het Z. houdt men ook veel ezels en muildieren. Verder ge vogelte en bijenteelt. In Califomië is men begonnen met struisvogel-farms aan te leggen; in Virginië teelt men krokodillen (voor het leer); in Canada is men begonnen met de teelt van pelsdieren.

Jacht op wilde pelsdieren is nog steeds in de Hudsonsbaailanden en in Alaska een belangrijk middel van bestaan. De opbrengst neemt echter af. In de Vereenigde Staten is de vroegere wildrijkdom verdwenen.

Visscherij. De kustwateren van Noord-A. behooren tot de rijkste visscherij-gebieden van de wereld; vooral de sterk ingesneden Noord-Oostkuststreken (o.a. de New-Foundlandbank, NieuwSchotland en de sonten en inlets van de Westkust van Canada). De Indianen van de laatstgenoemde streek en de Eskimo’s in het hooge Noorden leven hoofdzakelijk van de visscherij. Ook de zoete wateren zijn rijk aan visch. De Canadeesche meren en rivieren leveren veel zalm, die even als de kreeft van de N.O. kust veel in blik uitgevoerd wordt. In de Chesapeake-baai worden oesters gevangen; de Oostkust van Florida levert sponsen.

Mineralen. Vooral de Vereenigde Staten zijn rijk aan steenkool en anthraciet. De voornaamste velden vindt men in het Ohiogebied, de Zuidelijke Appalachen, in Illinois, Iowa en Missouri; verder heeft men in het Westelijk bergland nog vele kleinere, verspreide velden. Petroleum wordt gewonnen op het schiereiland tusschen het Huron- en Erie-meer, in het Ohiobekken, in Oklahoma, Colorado, Californië, Texas en bij Tampico in Mexico. IJzer wordt vooral gewonnen in Minnesota, in het St.-Laurens- en Appalachen gebied, in het Ozarkgebergte, in Colorado, in het beneden Fraser- en Columbia-gebied enz.; zink o.a. in het midden-Missouridal; koper, vooral in de omgeving van het Bovenmeer, in Arizona en bij Butte in Montana; lood in Washington, in Colorado, in het boven-Mississippi en boven Ohiogebied; kwikzilver in Califomië; zilver op verschillende plaatsen van het Westelijk bergland, vooral in Mexico, dat nog altijd het voornaamste zilverland van de wereld is; goud, ook op verschillende plaatsen in het Westen, b.v. in het uiterste Noord-Westen (Nome), in het boven Yukon-gebied (Klondyke), in Britsch-Columbia, in Idaho (Boise), Colorado, Califomië en Mexico. Verder o.a. in NieuwSchotland en in de Alleghanies. Van andere mineralen vooral zout, b.v. in het woestijngebied van het Zuidwesten, ten Zuiden van het Ontariomeer (Syrakuse), en in Kansas.

Industrie. De industrie van Canada begint zich pas in den laatsten tijd belangrijk te ontwikkelen, vooral de textiel-industrie. Mexico heeft alleen een belangrijke katoennijverheid, en sigaren- en tabaksindustrie. Een reusachtige industrie hebben de Vereenigde Staten, vooral de Noord-Ooststaten. Vooral ijzer- en machine-industrie (landbouwwerktuigen, auto’s, spoorwagens, naaimachines, enz.), en daarnaast de textiel-industrie.

Politieke Verdeeling. In Noord-A. liggen twee groote Staten, n.l. de bondsstaten Mexico en de Vereenigde Staten, waartoe ook Alaska behoort; en voorts het Engelsche gebied, bestaande uit Dominion of Canada, dat onder Engelsche opperhoogheid staat, New-Foundland met een klein deel van Labrador, en de Bermudas. Verder bezit Frankrijk twee kleine eilandjes in het N.O.: St.-Pierre en Miquelon; Denemarken Groenland. Oppervlakte en aantal inw. der verschillende gebieden:

KM2. inw.

Mexico 1.987.000 15.500.000 Vereenigde Staten 7.839.000 98.000.000 Alaska 1.530.000 65.000 Engelsch gebied:

Dominion of Canada 9.900.000 8.000.000 New-Foundland 110.700 41.000 Bermudas 50 21.000 Deensch gebied:

Het niet met ijs bedekte gedeelte van Groenland 88.000 13.500 Fransch gebied:

St. Pierre en Miquelon 240 4.700 Verkeer. Het zeeverkeer met Europa concentreert zich hoofdzakelijk in de havens van het O, en vooral in New-York, de tweede haven van de wereld. De voorn, zeehavens zijn van N.

naar Z.: St. Johns op N.-Foundland, Halifax op Nieuw-Schotland (eindpunt van den Canadian Pacific), Boston, Providence, New-York (uitgangspunt van het trans-continentale verkeer), Philadelphia, Baltimore. De Zuidelijke Atlantische havens Charleston, Savannah, zijn van minder belang. De voorn, havens aan de Golfkust zijn: NewOrleans (mondingshaven van het Mississippigebied), Tampico, Vera Cruz (voorn, haven van Mexico), Puerto Mexico (Coatzacoalco, eindpunt van den Tehuantepec-spoorweg). Het verkeer met OostAzië en Australië maakt o.a. gebruik van de havens a/d Pugetsound, Vancouver en Seattle (tevens eindpunten van trans-continentale lijnen) en vooral van San-Francisco. Zuidelijker liggen o.a. Wilmington (de haven van Los Angeles), Manzanillo en Acapulco.

Het scheepvaartverkeer over zee bedroeg in 1911:

Canada 12.768.191 ton ing. 11.821.414 ton uitgev.

Ver. St. 47.158.000 „ „ 46.417.000 „ „ Mexico 3.802.646 „ „ 3.923.465 „ „ totaal 63.728.937 „ „ 61.161.879 „ „ Het rivierverkeer heeft in de Vereenigde Staten veel te lijden van de concurrentie en de tegenwerking der machtige spoorwegmaatschappijen. De rivieren in het W. zijn, als echte plateaustroomen, in het geheel niet of slechts plaatselijk te bevaren. Alleen de Yukon is tot de White Horsevallen bevaarbaar, al beperken ijsbezwaar en stroomveranderingen de vaart. Deze bezwaren gelden ook voor de Mackenzie, waarbij, evenals op de rivieren van de Hudsonsbaailanden, nog reeksen van stroomversnellingen als hindernissen bijkomen. De laatste worden dan ook alleen gebruikt voor het kano-verkeer der Indianen en pelsjagers, die dan gebruik kunnen maken van de geringe hoogte der waterscheidingen om van het ééne stroomgebied in het andere te komen. — Voor het binnenwater-verkeer is het groote St.-Laurens Merengebied het belangrijkst.

Door kanalen zijn de meren met elkander en met den Hudson (Eriekanaal), met den Ohio (Toledo-Dayton), en met den Mississippi (Chicago-Illinois) verbonden. Van den St.-Laurens is ook met behulp van kanalen een dóórloopende waterweg naar zee gemaakt, die tot Montreal voor groote zeeschepen bevaarbaar is. Van de rivieren van de Oostkust is de Hudson als waterweg verreweg de voornaamste, doch ook de andere worden een eindweegs bevaren. — Een vooral belangrijk verkeersnet vormt ook het Mississippistelsel. De Mississippi zelf is tot Minneapolis, de Ohio tot voorbij Pittsburg bevaarbaar (bij Louisville worden stroomversnellingen door middel van een kanaal omgevaren). Het verkeer op de zoo vaak waterarme Missouri, Arkansas, Platte e.a. is door de spoorwegen bijna geheel opgehouden.

De belangrijkste verkeerswegen voor Noord-A. en vooral van de Vereenigde Staten zijn echter de spoorwegen. In 1912 was het spoorwegnet van:

Canada 42.012 K.M. lang.

v/d Ver.-Staten 409.944 „ „ van Mexico 25.398 „ „ totaal 477.354 K.M. lang.

(Zie verder bij de verschillende staten).

Handel. Zoowel tengevolge van eigen groote productie, als van de ligging tusschen de twee rijkste kultuurstreken van de wereld, n.l. Oost-Azië en West-Europa, heeft Noord-A. een geweldig handelsverkeer, hetgeen uit de volgende cijfers (van 1912) blijkt:

import in Dollar. export in Dollar.

Canada 659.321.000 316.317.000 Ver.-Staten .... 1.769.300.000 2.292.600.000 Mexico 97.886.000 16.020.3000 totaal 2.416.507.000 2.758.020.000 MIDDEN-AMERIKA. Oro- en hydrographie van Midden-Amerika.

Midden-Amerika bestaat uit I. Centraal-Amerika, dat zich uitstrekt van de landengte van Tehuantepec tot aan het dal van de Arato in Columbia en uit een archipel; II. de Antillen of West-Indische Eilanden.

I. Centraal-Amerika is 722.835 K.M.2 groot. Men kan het in drie natuurlijke Landschappen verdeelen.

Het N.W. deel bestaat uit een O.-W. loopend ketengebergte, aan welks Z.-rand zich talrijke vulkanen verheffen. De hoogste toppen van dit gebergte zijn 3 a 4000 M. hoog. Ten Ai. ervan strekt zich tertiair en jonger kalkheuvelland uit, vol karstverschijnselen, b.v. tallooze dolinen en onderaardsche watercirculatie. Hiertoe behoort het schiereiland Yucatan; in het 0. van Britsch-Honduras verheft zich het zeer oude Coxcomb-gebergte tot 1128 M. De scheiding tusschen dit eerste deel en het volgende is het Unuadal, of de lijn, die de Fonseca-Baai, met de G. v. Honduras verbindt.

Het middel-gedeelte van Centraal-A., dat van de Unna reikt tot de grens tusschen Nicaragua en Costa-Rica, bestaat in hoofdzaak uit bergland van matige hoogte. In de Noordelijke kustketen van Honduras bereikt het 12460 M. In het O. wordt het begrensd door de moerassige Mosquito-kustvlakte. Dwars door Centraal-A. gaat van de golf van Fonseca naar den mond van den S. Juan de Nicaragualaagte, een „inzinking”, waarin zich de Nicaragua- en Managua-meren bevinden. Ten Z. van deze laagte ligt een reeks gedeeltelijk werkende vulkanen, van den ± 1100 M. hoogen Consaguina in het N.W., tot den ± 3500 M. hoogen Irazu in het Z.O.

Het Z. deel van Centraal-A. is een landengte, gevormd door een S-vormig gebogen ketengebergte, dat in den geïsoleerden vulkaan Chiriqui 3600 M. hoogte bereikt. Oostwaarts in Panama, wordt het gebergte lager, en in de „Culebra”, waar het Panama-kanaal doorheen gesneden is, is de waterscheiding nu slechts 82 M. hoog. Oostelijk van het kanaal, in Darien, wordt het gebergte weer hooger, maar verheft zich niet meer boven de 1000 M.

De kusten van Yucatan, en die van de Mosquitolaagvlakte, zijn lagunekusten, door met duinen bezette schoorwallen of mangrove-moerassen van de zee gescheiden. De Z.kust heeft hier en daar diepe baaien, soms door kusteilanden afgesloten, b.v. de golf van Fonseca, de baaien van Nicoya, de golf Dulce, de baai van Montijo. De laatste is is door het schiereiland Azuero van de groote golf van Panama gescheiden. Westelijk van de Golf van Fonseca is de kust veel minder geleed; aan de Noordkust is de golf van Chiriqui de eenige belangrijke insnijding.

De vorm van Centraal-A. verhindert natuurlijk het ontstaan van groote rivierstelsels. Daar de waterscheiding dicht langs de kust van den Grooten Oceaan loopt, stroomen daarheen slechts kleine kustrivieren. Belangrijker zijn de rivieren, die naar de Caraibische Zee stroomen, b.v. de Uciniacinta, die in ’t Z. van Guatemala ontspringt, en aan de kust van Tabasco (Mexico) uitmondt; de Rio Coco, de grensrivier van Honduras en Nicaragua; de San Juan, die het Nicaragua meer afwatert. Dit meer is 7700 K. M.2 groot, en 80 M. diep. Het Managuameer is even diep en 1134 K.M2. groot.

II De Antillen worden verdeeld in:

1) Groote Antillen (Cuba, Jamaica, Haïti en Portorico);
2) Kleine Antillen of Eilanden boven den wind (d.w.z. den N.O. passaat; de eilanden beneden den wind, Curaçao enz., behooren aardrijkskundig tot Zuid-Amerika);
3) de Bahamaeilanden. Ondiepten, die tevens de Amerikaansche middelzee in drie bekkens verdeden, vormen een onderzeesche verbinding van Cuba met Yucatan en van Jamaica met het middendeel van Centraal-A. Het Westelijkste van deze drie bekkens is de Golf van Mexico, de beide andere vormen samen de Caribische zee.
1)Cuba is 114.524 K.M2. groot. In het Z.O. verheft zich een W.O. loopend gebergte, de SierraMaestra, tot 2560 K. Het centrale deel van het eiland El Camaguey, is heuvelland van hoogstens 500 M.; westwaarts verheft zich het oude bergland van Las Villas tot 1700 M. Het Westelijk gedeelte eindelijk is karstland, de Vuelta Abajo, met een grootste hoogte van 800 M. De Zuidkust is steil, de overige kusten zijn moerassig, met talrijke koraaleilanden er voor.

Jamaica, 10896 K.M2. groot, bestaat uit een centraal ketengebergte in het midden, waar tegenaan in het N. en Z. kalkplateau’s liggen, die steil naar de kust toe af breken. Hoogste top: de 2240 M. hooge Blue Mountain in ’t Oosten.

Haïti, 77.253 K.M2. groot. Dit eiland vormt de kern der Antillen, doordat hier de voortzettingen der gebergten van Cuba en Jamaica samenkomen. In het W. vormen zij twee schiereilanden, die de baai van Port-au-Prince insluiten. Van daaruit loopt een laagte, waarin zich verschillende meren bevinden, naar de baai van Neyba. Deze laagte scheidt het Zuidwestelijke, uit vulkanisch gesteente (basalt) bestaande, schiereiland van de rest af. De hoogste top van Haïti en van alle Antillen is de 3140 M. hooge Lomatina.

Portorico, 9314 K.M2. groot, bestaat uit bergland van hoogstens 1132 M. hoogte, dat naar het Z. steil naar ’t N. vlak afloopt. De kusten zijn arm aan havens.

2) De Kleine Antillen zijn te samen ± 6800 K.M2. groot. Ze vormen een vulkanischen binnen- en een niet-vulkanischen buitenboog. Tot den eersten behooren, behalve vele kleine eilanden, o.a. de Nederlandsche Saba en St-Eustatius, de Westhelft van Guadaloupe, Dominica (777 K.M.2), Martinique (987 K.M2.), St-Lucia (602 K.M2.), St-Vincent (360 K.M2.). Tot den buitenboog behooren de Oosthelft van Guadaloupe en verder meerendeels kleinere eilanden, waarvan Barbuda, Antigua, Marie Galante en Barbados (430 K.M2.) de voornaamste zijn. Ook het half-Nederlandsche St-Martin behoort hier toe. Guadaloupe, dat dus over beide bogen verdeeld is, is het grootste der kleine Antillen (ruim 1600 K.M2.) Ook vindt men hier den hoogsten top, n.l. den 1677 M. hoogen vulkaan Grande Souffrière. Van de overige vulkanen heeft zich vooral de Mont Pelée op Martinique, door de verwoesting van St-Pierre bij de uitbarsting van 1902, berucht gemaakt.
3)De Bahama-eilanden, te samen11.405 K.M2. groot, bestaan uit 29 grootere, 661 kleinere eilanden en tallooze klippen en koraalriffen. Het grootste is het 3524 K.Ma. groote Andros. ’t Zijn doorgaans vlakke koraaleilanden; alleen Klein Salvador bereikt een hoogte van 125 M.

ZUID-AMERIKA. Dit werelddeel is ± 19.000.000 K.M.2 groot. Verreweg het grootste deel ligt op het Z. halfrond. Kaap Hoorn, het Zuidelijkste punt, ligt op 55° 59' Z.Br.; de N.punt, kaap Galinas, op het schiereiland Guajira, op 11° 33' N.Br. In het N. grenst het aan de A.sche Middelzee (Caribische Zee), in het O. aan den Atlantischen, en in het W. aan den Grooten Oceaan.

In tegenstelling met Noord-A. is de kustgeleding zeer gering, n.l. slechts 2 :1. Randzeeën heeft Zuid-A. in het geheel niet. Ook het aantal baaien is zeer gering. Aan de W.-kust is de eenige baai van beteekenis die van Guayaquil. Het meest geleed zijn de N.-kust, en de W.-kust van Patagonië. De N.-kust van Z.-Amerika heeft b.v. als geledingen de golven van Maracaibo en Paria ingesneden, de schiereilanden Guajira en Paraguana en vóór de kust de „Eilanden beneden den Wind” (Curaçao enz.) en Trinidad. De Westkust, van Patagonië is sterk verbrokkeld, met fjorden en rotsige eilanden b.v. Chiloe en Chonos-eilanden, de Oostkust heeft daar vlakke, breede bochten. Een fjordachtige zeestraat, de Straat van Magelhaes, snijdt het 71.500 K.M2. groote eiland Vuurland van het vasteland af, en dit is weer door Straat Le Maire van Staten-eiland gescheiden.

Tot Zuid-Amerika worden ook nog gerekend: de Galapagos-eil., de Juan Fernandezgroep in den Grooten Oceaan en de Falklands-eilanden (16.800 K.M.2 groot) en enkele oceanische, eenzame rotseilandjes (Fernando de Noronha, Trinidad e.a.) in den Atlantischen Oceaan.

Verdeeling en Orographie. Evenals Noord-A. is de algemeene orographische richting Zuid-Noord., en ook hier vindt men een jong vouwings-gebergte in het W., oude hooglanden in het O., en een reeks groote vlakten in het midden.

Men kan Zuid-A. verdeelen in: I. Het Caribische gebergte, II. de Cordilleras de los Andes, III. het Hoogland van Guayana, IV. het Hoogland van Brazilië, V. het Laagland der Orinoco of der Llanos, VI. het Laagland der Amazone of der Selva’s, VII. het Laagland der La Plata (Gran Chaco en Pampa’s), VIII. Patagonië en Vuurland, IX. de Eilanden.

I.Het Caribische gebergte strekt zich dicht langs de N.-kust van Venezuela uit. Het bestaat uit twee evenwijdige ketens, waarvan de Noordelijkste ten O. van Caracas door de zee wordt onderbroken, en waarvan de hoogste top (de Pico de Naiguata) 2782 M. bereikt. Beide ketens zetten zich Oostwaarts voort op ’t eiland Trinidad, dat door de golf van Paria van het vasteland gescheiden is en een oppervlakte heeft van 4544 K.M2. Vóór de kust kunnen we in de eilanden Bonaire, Aruba, Curaçao, Blanquilla en eenige kleinere, en de schiereilanden Paraguana en Guajira de resten zien van een derde, aan de vorige evenwijdige, keten van het Caribische gebergte. Misschien behoort ook de 5100 M. hooge Sierra „Nevada” (sneeuwgebergte) de Santa Marta er toe.

II. De Cordilleras de los Andes vormen het groote W. bergland van Zuid-A. Wij verdeelen het in: 1) de Cordilleren van Columbia, 2) die van Ecuador, 3) die van Peru, 4) de Midden-Cordilleren, 5) de Zuidelijke Cordilleren.

De Cordilleren van Columbia bestaan uit drie ketengebergten, die de lengtedalen van de Cauca en Magdalena insluiten. De Westelijke keten bereikt hoogten van ± 3500 M.; er vóór ligt in ’t N., aan de andere zijde van het dal van de Atrato, nog een lagere kustketen, die tot het ketengebergte van Centraal-A. behoort, en een steile bergkust vormt. De middelste keten heeft zachte ronde vormen. Zij verheft zich op 3° N.Br. in den vulkaantop Novada de Huilo tot 5700 M. Ook, Noorderlijker liggen nog eenige vulkanen van meer dan 5500 M. De 5590 M. hooge Ruiz is de Noordelijkste vulkaan van de Andes. De O. keten is de belangrijkste; ze kenmerkt zich door talrijke hoogvlakten van 2000—3000 M. hoogte („Paramo’s). Noordwaarts splitst zich dit gebergte in twee ketens, die de laagvlakte en de lagune van Maracaibo insluiten, en waarvan de Oostelijke, de Sierra Nevada de Merida (tot 4700 M. hoog) de verbinding vormt van de Cordillera’s met het Caribisch gebergte.

2)De Cordilleren van Ecuador bestaan slechts uit twee hoofdcordilleren (van 3000—6000 M. hoogte). Verder zijn zij gekenmerkt door talrijke vulkanen, die mot hun materiaal dwarsjukken tnsschen de beide hoofdketens gevormd hebben. Tot de vulkanen behooren o.a. de Chimborazzo (6310 M.) en de Cotopaxi (5943 M.). De laatste is de hoogste werkende vulkaan der aarde. Aan de kust ligt een 150 K.M. breed laagland, waardoor hier en daar nog enkele lage ketens heen loopen.
3)De Peruaansche Cordilleren. Diep ingesneden dalen verdeelen hier het gebergte. Dit bestaat gedeeltelijk uit dorre hoogvlakten, waarboven geweldige sneeuwgebergten uitsteken. Men onderscheidt hier: a. de Westelijke (kust)keten (Costa), b. het hooge binnenland (Puno), c. waarin de dalen (Valles) door d. erosiegebergten (Sierra’s) gescheiden zijn, e. de Oostelijke keten, met dichte wouden op de Oosthelling (Montafia). In de Westelijke Cordilleren verheft zich ’t gebergte tot geweldige hoogten (Nevada de Huascar, 6760 M.); werkende vulkanen ontbreken in dit gedeelte van de Andes.
4)De Midden-Cordilleren, te rekenen vanaf den bergknoop Nudo de Pasco in Peru tot den Aconcagua in Chili, komen in veel opzichten overeen met het Westelijk bergland van Noord-Amerika. De bergketens gaan wijder uit elkaar. Het geheele bergland wordt tot ± 700 K.M. breed. Op een kustketen van 1200 tot 2800 M. hoogte volgt een woestijngebied, dat van ± 1000 M. stijgt tot 2 a 3000 M. hoogte, o.a. de Pampa de Atacama, aan den voet van de eigenlijke Westelijke Cordilleren. Tusschen de Cordillerenreeksen, die ook hier geweldige hoogten bereiken (Illemani 6405 M., Sorata 6617 M.), ligt het 150 K.M. breede, 3700 — 4500 M. hooge tafelland, dat grootendeels uit dikke vulkanische massa’s bestaat.

In de Midden-Cordilleren komen weer veel vulkanen voor, die vooral in de W.-ketens de hoogste toppen vormen (Sajama 6416 M.). Ten Z. van 27° Z.Br. lost het O. deel van het gebergte zich in verschillende ketens op, die op ± 36° Z.Br. in de vlakte van Argentina verdwijnen. Het verste reikt de Sierra de Cordova. In de W.-hoofdketen komen in dit gedeelte nog toppen van 6000— 7000 M. voor, o.a. de vulkaan Aconcagua 7020 M., de hoogste top van geheel Amerika. Het gebergte is hier droog, en met geweldige puinmassas bedekt.

5) De Zuidelijke Cordilleren bestaan slechts uit de kustketen en de voortzetting van de Westelijke Cordilleren. In het N. deel sluiten beide het Chileensche lengtedal in. In het Z. is de kustketen, als in Canada, in eilanden opgelost, die met het 8349 K.M2. groote Chiloe beginnen en over den Chonosarchipel naar Kaap-Hoorn en Staten-eiland doorloopen. Behalve in Vuurland komen in de geheele kustketen geen grootere hoogten dan van 1700 M. voor. De hoofdketen, die in het Z. ook in verschillende geïsoleerde massieven verbrokkeld is, daalt van N. naar Z. van 5000 tot 3000 M. Talrijke vulkanen komen er voor. De sneeuwgrens daalt snel van het Noorden naar het Zuiden, zoodat het lagere Zuiden meer het karakter van een hooggebergte heeft, dan het hoogere Noorden. Het lengtedal daalt van 570M. bij Santiago tot het zeeniveau bij Puerto Montt, waar het in de Patagonische sontenreeks overgaat.

III. Het Hoogland van Guayana heeft een oppervlakte van ± 1.200.000 K.M2. ’t Is een zeer oud bergland van graniet enz., dat is afgesleten tot tafelland, waarboven steile, soms fantastisch gevormde toppen geïsoleerd zijn blijven uitsteken. Westelijk van 60° W.L. ligt hier en daar zandsteen op het graniet, Daaruit bestaat b.v. de hoogste berg van Guayana, de 2600 M. hooge Roraima. O. Guayana, waartoe ook Suriname behoort, is lager; in het Z. 800 a 1000 M. hoog, en daalt langzaam naar het N. af. In het binnenland verheft zich het Wilhelminagebergte nog tot 1100 M. De kust wordt gevormd door een lage kleivlakte.

IV. Het Hoogland van Brazilië even als Guayana een geweldig tafelland van oud gesteente, ook hier en daar met zandsteen bedekt, De rivieren hebben er dalen ingesneden, en verdeelen het daardoor in een aantal hoogvlakten (Chapada’s), waarboven zich tafelbergreeksen (Serra’s) verheffen. Centraal-Brazilië is over het algemeen niet hooger dan 400 a 700 M. met serra’s van 1000 a 1200 M. In het O. bereikt de Serra de Espinhaijo echter 1700—2000 M, en in de plaats der tafelbergen komen hier spitse toppen en kegels voor. !t Hoogst is het kustgebergte van Rio de JaneiroSao Paulo, waar de Itatiaya 2712 M. bereikt. De N.O. kust van Brazilië is laag, met zandbanken en koraalriffen. Die kust heeft duinen of is moerassig en dan met mangroven begroeid Bij Kaap Frio begint een steile kust, waarin de beroemde baai van Rio de Janeiro. Meer Zuidwaarts ligt tusschen bergrand en zee weer een kustvlakte met lagunen, door schoorwallen van den Oceaan gescheiden.

V. De Vlakte van den Orinoco (of der Llanos) is 300 tot 100 M. hoog, en ligt tusschen de Cordilleren van Columbia en het Hoogland van Guayana. Tusschen de rivierdalen vindt men soms lage tafelbergen (Mesa’s tot 400 M. hoogte). Het is bijna geheel savanne.

VI.De Vlakte der Amazone of der Selva's is ± 4.600.000 K.M2. groot, en de grootste tropische laagvlakte der wereld. Zij ligt tusschen Guayana, de Cordilleras de los Andes en het Tafelland van Brazilië ingesloten, en gaat onmerkbaar Noordwaarts in den Orinico- en Zuidwaarts in de La Plata vlakte over. Bij de beneden-Amazone komen de Hooglanden van Guayana en Brazilië dicht bij elkander. Tusschen de mondingen^van de Amazone en de Rio Para ligt het 19000 K.M2. groote eiland Marajo. Dit groote laagland is aan de randen ± 400—180 M. hoog, in het midden bij Manaos slechts 26 M. Bij hoogen waterstand zijn de lagere deelen, één water- en woudwoestenij. Alleen de z.g. terra firma is steeds droog.

VII. De La Plata-vlakte ligt tusschen de Cordilleren en het Braziliaansch Tafelland, resp. de zee, in. In het Z. scheidt het dal van den Colorado haar van Patagonië. Het grootste gedeelte is vlak, naar den kant van de Andes bestaat het uit heuvelland, het laagste deel bestaat uit alluvium der groote rivieren. Het N. gedeelte der La Platavlakte heet Gran Chaco, een volkomen vlak, steenloos gebied van 300 a 100 M. hoogte en met xerophiel woud bedekt; het Z. deel, Pampa („steppe”), dat grootendeels lössbodem heeft. De hoogte neemt langzaam van het W. naar het O. van 38—200 M. toe; de Z.W. droge Pampa ligt 200—600 M. hoog, en heeft hier en daar onvruchtbaren zandsteen- en kalkbodem. Het W. deel heeft meer het karakter van een hoogvlakte en is 360 a 700 M. hoog. Hier vindt men zout- en zandwoestijnen (Salina’s en Arenales). In de Pampa verheffen zich enkele lage bergketens (o.a. de Sierra de la Ventana tot 1200 M).

VIII. Patagonië is een terrasland, dat aan den voet der Andes 1000 a 800 M, in het midden 4 a 600 M. hoog ligt, en hier en daar met een steilen 100 a 160 M. hoogen wand naar zee afdaalt. In het W. heeft het land een geweldig basaltdek, dat door de erosie soms in tafelbergen, naalden en klippen verbrokkeld is, en gedeeltelijk door ’t puin van vroegere gletsjers bedolven. De dalen der rivieren zijn diep ingesneden.

IX. De Galapagos-eilanden te samen 7430 KM2, groot, bestaan uit tien groote, en talrijke kleine vulkanische eilanden.

Ook de Juan-Fernandezgroep en de kleine rotseilandjes in den Atlantischen Oceaan zijn zuiver vulkanisch. De Falklands-eilanden, 16.800 KM2 groot, bestaan uit twee bergachtige eilanden van oud gesteente, die tot ± 700 M. hoogte reiken en talrijke kleinere.

Hydrographie. Het gebied, dat naar den Grooten Oceaan afwatert, is zeer gering, doordat het W. gebergte dicht langs de kust loopt. Men vindt er dus alleen betrekkelijk kleine kustrivieren. Afvloeilooze gebieden, ook van betrekkelijk kleinen omvang, vindt men in de bekkens van de Centrale Andes, en in het W. deel van de Pampa’s. Verreweg het grootste gedeelte van Zuid-A. heeft dus afwatering naar den Atlantischen Oceaan. Het grootste stroomstelsel, dat in de Caribische zee uitmondt, is dat van de Magdalena, die uit tweelingrivieren, de Cauca en de boven-Magdalena ontstaat, De grootste lengte bedraagt ± 1350 K.M., de grootte van het stroomgebied ± 300.000 KM2. — Onmiddellijk naar den Atlantischen Oceaan gaat: de Orinoco (2400 K.M. lang, stroomgebied ± 1.000.000 KM.2 groot). Hij stroomt om het bergland van Guayana heen; door de Cassiquiare heeft hij bifurcatie met den Rio Negro, dus met het Amazone-systeem. Van uit de Cordilleren ontvangt hij verschillende bijrivieren (de Guaviare, de Meta, de Apure); de Orinico heeft een reusachtige delta. De Amazone heeft het grootste stroomgebied van de aarde n.l. ± 7.000.000 K.M2.

Het omvat het geheele Amazonebekken, en een groot deel van de Andes en het Braziliaansche Tafelland. De lengte, n.l. vanaf .de bron van den Ucayali, is ± 5500 KM. De hoofdrivier ontstaat door de vereeniging van verschillende Cordillera-rivieren, n.l. van de Maranon, Huallaga en Ucayali, en ontvangt uit alle omgevende berglanden groote bijstroomen. Links van de Andes o.a. de Napo, de Iça, de Yapura. De Wauper, die door de Llanos stroomt is de hoofdbronrivier van den Rio Negro, die tevens door den Rio Blanco een groot deel van den zuidrand van Guayana afwatert, waar ook nog de Rio Trombetas, en verschillende kleinere rivieren ontspringen. Rechts komen van de Andes o.a. de Javari, de Jurua, de Purus en de hoofdbronrivieren van de Madeira, n.l. de Rio Beni en de Mamore. De laatste vereenigt zich met de Guapore, die van het Braziliaansche tafelland komt, waar ook de Rio Roosevelt, een, vroeger Duvida genoemde, zijrivier van de Madeira, ontspringt. Van dit tafelland komen ook de Tapajoz en de Xingu.

Ofschoon meestal tot het Amazonestelsel gerekend, is de Rio Para veeleer een zelfstandige rivier, daar ze een eigen monding heeft. De Rio Para ontstaat uit de twee zusterrivieren Araguay en Tocantins. De monding staat met die van de Amazone door een rivierarm, ten Z. van Marajo, in verbinding. Beneden den RioNegro-mond is de Amazone nergens smaller dan 5 K.M. Beneden de Xingu begint de trechtermond, waar hij, 100 K.M. breed, vol eilanden is. De grootste rivier, die aan de N.O. kust van Brazilië uitmondt, is de Parnahyba.

Aan de Oostkust eindigt slechts één groote rivier, n.l. de Sao Francisco (stroomgebied 652.000 K.M2, lengte ± 3000 KM.). De Rio de la Plata is de gemeenschappelijke trechtermond van de rivieren Parana en Uruguay. De eerste ontstaat uit de Paraguay en de Parana of Rio Grande. Deze rivieren ontspringen op het Braziliaansche Tafelland, en stroomen dan door de La Plata-vlakte. Van de Cordilleren ontvangt de Paraguay-Parana, de Pilcomaya, de Bermejo, de Salado. Het geheele stroomgebied is 3.100.000 KM2, groot, de lengte is gerekend van de oorsprong van den Rio Grande af, 3900 KM. — In Patagonië stroomen van de Cordilleren naar zee o. a. de Colorado, de Rio Negro, de Chubut.

Veel groote meren heeft Zuid-Amerika niet. In West-Venezuela ligt het ± 20.000 KM.2, groote, 250 M. diepe meer of Lagune van Maracaibo. In de Puno der Centrale Andes, 3812 M. hoog, het 8300 K.M2. groote Titicaca-meer. Dit heeft door de Desaguadero afvloeiing naar het meer van Aullagas. Langs de Amazone vindt men talrijke rivierlagunes; tusschen Beni en Mamore het Moeras Royaguado. Talrijke meren van glacialen oorsprong liggen in en aan den Oostrand der Zuidelijke Andes (b.v. het Nahuel Huapi, het lago Valentin, het lago Argentino, enz.).

Klimaat. Geheel Midden- en het grootste deel van Zuid-A. hebben een tropisch klimaat. Temperatuur. Neemt men de isotherme van 15° C. voor de koudste maand als grens, dan kan men geheel Paraguay en Brazilië (behalve Rio Grande do Sul), het N. van Argentinië en van Chili nog tot de tropen rekenen. Ten gevolge van het koude kustwater gaat de grens aan den Westkant ver naar het N. (Lina op ± 12° Z.B. heeft een koudste-maandgemiddelde van 15° C. en een jaargemiddelde van 19° C.). Als subtropisch kan het klimaat beschouwd worden van het midden La Plata-gebied en van midden Chili tot de breedte van Santiago. Het Z. gedeelte van Zuid-A. behoort tot den gematigden klimaatgordel. — In tropisch Amerika bereiken de schommelingen der gemiddelde maandtemperaturen alleen op enkele plaatsen in ’t binnenland (Cuyaba) eenhooger bedrag dan 6° C. De gemiddelde temperatuur is natuurlijk van de hoogte boven het zee niveau afhankelijk.

In de lagere streken bedraagt de gemiddelde jaartemperatuur 25° a 26°, terwijl de gem. temperatuur van de warmste maand nergens de 28“ (Bélize) schijnt te boven te gaan. De hoogere berg- en plateau-streken worden in het midden en Noordwesten van Zuid-Amerika verdeeld in terra fria (koude zone) en tierra templada (gematigde zone), terwijl het warme laagland tierra caliente (warme zone) genoemd wordt. Quetzaltenango in Guatemala, 2350 M. hoog, en Quito in Ecuador, 2850 M., hebben een gem. jaartemperatuur van resp. 14,2° en 13,5°; La Paz in de Puno van Bolivia, 3950 M. hoog, heeft een gem. jaartemperatuur van 10°, in de warmste maand van 121/2 en in de koudste van 5,2°. Deze 3 plaatsen liggen in de tierra fria. Guatemala 1480 M. en Mindo in Columbia 1264 M, beide in de tierra templada, een van ruim 18°.

Aan de kust van Chili nemen de jaartemperaturen van N. naar Z. af, n.l. van 18° Iquique, Valparaiso 14,3°, tot Oranje-baai (op Kaap-Hoom) 5,6°. De genoemde plaatsen hebben in de warmste maand resp. 21°, 17,3° en 7,2°, in de koudste 13°, 11,4° en 3,6°. De verschillen tusschen de warmste en koudste maand nemen dus van het N. naar het Z. in verband met het oceanischer worden van het klimaat — men komt daar n.l. in ’t gebied der Westelijke zeewinden — af, van 8° tot 3,6°. Het klimaat van West-Patagonië kenmerkt zich vooral door gure, stormachtige zomers. In het meer beschutte lengtedal van Chili is het klimaat veel continentaler (Tacna: gem. jaartemp. 13,6°, Januari 21,2°, Juli 7,2°). — Staten-eiland heeft een gem. jaartemperatuur van 5,7°. Ook zelfs in de woestijnachtige Pampa’s, zijn de jaarlijksche temperatuurschommelingen niet bijzonder groot. Voor San Juan 17° (zomer 26° winter 9°); in de Chaco misschien iets hooger. Het continentale van het klimaat komt hier meer uit in de groote dagelijksche schommelingen (soms 25“) en in de verschillen tusschen de uitersten (San Juan: 39,6° en + 1,5°).

Luchtdruk, windrichting, regenval. In het zomerhalfjaar van het Z. halfrond ligt onder en onmiddellijk ten Z. van den evenaar de gordel der windstilten en van den grooten regenval. Deze gordel is tevens een van lagen luchtdruk, waarheen de W. passaat waait, die gevoed wordt door de twee centra van hoogen luchtdruk, die gelegen zijn ten Z. van den Steenbokskeerkring op ± 35° Z.B., ’t Z. van den Atlantischen en den Grooten Oceaan. Geheel Zd.-A. tusschen ± 10° Z.B. en ± 30° Z.B. staat dus dan onder invloed van den Z.O. passaat, die aan de Oostzij der gebergten, en vooral aan de 0. kust, grooten neerslag brengt. Voor de W. kust is de Z.O. passaat een droge landwind. Ten Z. van 35° Z.B. zal de van genoemde barometrische maxima uitgaande luehtbeweging aanleiding geven tot een Westelijke windrichting. In dat gebied der overheerschende W. winden valt de meeste neerslag aan de W.zijde der bergen. — In het Zuidelijk winterhalfjaar schuiven al deze klimaatgebieden, met de zon, eenigszins Noordwaarts, ’t Verschil is echter vooral, dat dan op ’t Z.-Amerikaanschvasteland (en in Z.W. Brazilië) een maximum ontstaat, dat door de van uitgaande luchtbeweging, den Z.O. passaat aan de Oostkust verzwakt. Bijgevolg zal daardoor de neerslag aan de Oostkust verminderen.

Op het gedeelte van Z.-A., dat ten N. van den evenaar ligt, heerscht in ’t eerstbesproken jaargetij (daar het winterhalfjaar) de N.O. passaat, in ’t andere jaargetij schuift deze met het geheele windstelsel Noordwaarts, zoodat deze streek dan geheel in den kalmtegordel ligt, met veel neerslag Regenhoeveelheid. Behalve aan de Westkust valt dus in de tropen en de subtropen de meeste regen bij den hoogsten stand van de zon. Dus heeft men in het equatoriale gedeelte een dubbelen regentijd, en in de Oostelijke subtropen zomerregens. Een uitzondering maken de Llano’s, waar de N.O. passaat in onzen winter droogte brengt, daar ze achter het bergland van Guayanga liggen. De weinige regen in het Westelijk kustgebied valt daarentegen hoofdzakelijk in den winter. Aan de Westkust van het oceanische Chileensch Patagonië heeft men regen (en sneeuw) in alle jaargetijden, met een maximum in den winter. — In de Antillen is de regenval zeer verschillend aan de loef- en lijzijden der eilanden.

Zoo heeft b.v. Kingston aan de Zuidkust van Jamaica 964 m.M., Port Antonio aan de Noordkust 3548 m.M. — In Centraal- en Zuid-A. vormen de Cordilleren een scherpe klimaatscheiding. In verband met den N.O. passaat valt in Centraal-A. de meeste neerslag aan de Atlantische zijde (Colon 3100, Greytown zelfs 6583 m.M.; aan de Pacific-zijde Naos 1136, Salvador 1680 m.M.). Columbia, het gebied der equatoriale windstilten en daarmee gepaard gaande regens, heeft veel neerslag, het meest aan den Westkant (meer dan 2000 m.M.). Van Guayaquil Zuidwaarts wordt de regenval steeds geringer, om in de Atacama-woestijn ongeveer op 0 te komen; immers heeft de Z.O. passaat reeds al zijn neerslag op de Oostzij der bergen verloren, terwijl ook mogelijke zeewinden geen neerslag geven, daar het kustland zeer warm is en dus de wolken oplost. Dan neemt de neerslag weer langzaam toe. (Iquique ± 0, La Serena 38, Valparaiso 353, Constitucion 500 m.M;). Ook het centrale gebergte is in deze zone nog zeer droog, en ook de Oostelijke Andes hebben weinig regen (Cochabamba 462 m.M.) De Oostelijke afhelling, de z.g. Montafia, moet echter blijkens den plantengroei, zeer veel regen ontvangen. Zuidelijk van Constitucion neemt de neerslag aan de Westkust snel toe (Porto Montt 2449, Valdivia 2900 m. M.)

We komen daar in ’t gebied, waar de Westenwinden tegen ’t koude gebergte waaien. De Oostkant van het gebergte is hier weer droog (Punta Arenas 400 m.M.). — In het geheele tropische gebied ten 0. van de Andes en ten N. van een lijn, die ongeveer van Montevideo naar Tucuman loopt, valt meer dan 1 M. regen per jaar (met uitzondering misschien van de Llanos). Meer dan 2000 m.M. valt in de buurt van sommige kuststreken van Venezuela en Guayana (Paramaribo, 2350 m.M.) en van de Oostkust van Brazilië (Bahia 2267, Joinville, 2245; Rio daarentegen slechts 1091 m.M.). Verder in bijna het geheele Amazone-bekken (Manaos, 2200, Iquitos 2625 m.M.). — Van Montevideo (1000 m.M.) Zuidwaarts neemt de neerslag af tot ± 250 m.M. (Rawson), om dan weer toe te nemen, waar de Cordilleras lager worden en de Westenwind dus zijn neerslag ook over kan brengen (Staten-eiland 1632 m.M.). In ’t binnenland is de neerslag geringer (Cordova 700 m.M., San Juan slechts 50 m.M., Mendoza 190 m.M.).

Vegetatie. De Flora van Midden-Amerika en van bijna geheel Zuid-Amerika behoort tot een ander natuurlijk plantengebied dan N. Amerika, n. l. tot de Neotropis. Midden-Amerika, d.i. Mexico (behalve Yucatan) en een deel van Texas tot aan de landengte van Panama, bestaat bijna geheel uit droge gebieden, behalve den O. rand van de Mexicaansche hoogvlakte en de Z.kust van de Golf van. Mexico. Daar krijgt het oerwoud reeds een geheel tropisch Z.Amerikaansch karakter en bevat Boomvarens, Palmen, Bananen, Cycadeeën, Bromeliaceeën en tal van Orchideeën. Het zet zich tot hoog in het gebergte voort met boomsoorten, die meer op die van een gematigd klimaat gelijken, n.l. Eiken, Dennen, Sparren enz. Op de hoogvlakte zelf zijn Steppen, met een groot aantal Cactussen, Yuceasoorten en groote Lelieachtigen als Fourcroya, Agave, Echeveria, e.d., de algemeene plantenformatie. Naar het W. zet zich dit droge terrein in den vorm van Savannen tot aan de kust van den Stillen Oceaan voort. Mexico heeft in dit gebied reeds een groot deel van de bekende Z.Amerikaansche kultuurplanten.

Typisch zijn o.m. Sarsaparil (Smilax), Theosinte (Euchlaena luxurians), de vermoedelijke stamplant van de Mais, Agave americana en de Vanille.—West-Indië, d.z. de Groote en Kleine Antillen, de Bahama’s en de Bermuda-eilanden, benevens de Z.punt van Florida, is een aparte afdeeling van de Neotropis, (zie WEST-INDIË, plantengroei) met zeer verschillend klimaat op de verschillende eilandengroepen, zoodat ook de vegetatie in uiterlijk een zeer uiteenloopend karakter heeft. Het Cisaequatoriale Z. Amerika (Columbia en Venezuela) is ten deele (de Pacifische kust) een regenrijk, ten deele een droog gebied. Het allerdroogst is het deel van Venezuela tusschen het kustgebied en de Orinoco, waar de Llano’s met hun buitengewoon weelderige grasvegetatie in April groote uitgestrektheden innemen. Ook een deel van het gebergte is boomloos ten gevolge van het klimaat en den drogen en krachtigen passaat. Het bergland van Guyana sluit zich hierbij aan. De Hylaea, het gebied van de Amazone-rivier, bevat het tropische regenwoud in zijn meest typischen vorm en in de grootste uitgestrektheid. Van den mond van de Amazone af zet het zich tot diep in Peru voort in zeer breede strooken, ook langs de zijrivieren. (Zie voor een uitvoeriger beschrijving SURINAME, plantengroei). Al naar de vochtigheid van den bodem treedt het op als Igapo-woud op een bodem, die geregeld overstroomd wordt en die uitmunt door rijkdom aan palmen,en als Ete-woud op een drogeren bodem.

Vooral dit laatste is buitengewoon rijk aan soorten. Meer naar het Zuiden gaat de plantengroei met het droger worden van het klimaat over in Savannen (Campo’s), en in bosschen,die door de droogte periodiek hun loof verliezen (Catinga’s). (Zie ook BRAZILIË, plantengroei). — Zeer sterke afwijkingen, wat de flora aangaat, vertoonen de Andes. In het N. vindt men in de lagere deelen een zuiver tropische vegetatie, die in de drogere gebieden, een groote overeenkomst met de Mexicaansche Flora vertoont. Op groote hoogte, in het alpine gebied, treden tal van families, geslachten en soorten van de Noordelijk gematigde luchtstreek, in het bijzonder van het Westen van N.Amerika op. Vele ervan krijgen in de Andes een nieuw ontwikkelingscentrum en vertoonen een verbluffenden vormenrijkdom, b.v. Berberis, en Valeriaanachtigen.

Naast de Saxifraga’s, Gentiana’s, Astragalussoorten, komen Fuchsia’s en Oenothera’s in groote hoeveelheden voor. Het N. lijke deel van de Andes met zijn bekende droge hoogvlakten heeft een zeer armoedige flora: Grassen, houtige Composieten e.d. spelen er een groote rol. De O.lijke hellingen zijn veel vochtiger en met bosch bedekt. Hier is het vaderland van de Kina-boom.

Het Z.lijk deel van Z.Amerika (het Argentijnsche Gebied) heeft een droog klimaat, waardoor steppen (Pampa’s) de overhand hebben. (Zie ARGENTINA, plantengroei). Hier en daar gaan deze zelfs in zoutsteppen over, op andere plaatsen echter ook in bosschen. In het algemeen is het gebied echter opvallend arm aan boomen, wegens de zeer ongelijke verdeeling van den regen over het jaar. Het deel van de Andes ten Z. van den Keerkring wordt geleidelijk vochtiger. Hier is het vaderland van den Aardappel, vermoedelijk van de Boonsoorten (Phaseolus). — Het allerzuidelijkste deel van Z.Amerika, in het bijzonder de W.kust, behoort met eenige eilanden tot een geheel afzonderlijk Floragebied, het Antarctische.

Het is zeer rijk aan neerslag, waardoor een gematigd regenwoud ontstaan is, welks boomen harde, leerachtige, blijvende bladeren hebben. Het voornaamste geslacht is Nothofagus, een boom, die zeer nauw met onzen Beuk verwant is. Zeer talrijk zijn hier lianen en epiphyten, mossen en varens, die het woud, ondanks de lage temperatuur, een tropisch uiterlijk geven. Naar het Z. gaat de, met dicht mos bedekte, bodem in een echt mosmoeras over, dat arm is aan boomen.

Bevolking. Dichtheid. Zuid-A. wordt ongeveer door 61.000.000 menschen bewoond, Centraal-A. door ruim 6.000.000, en de Antillen door 8.300.000.

Van Zuid-A. is dus de gemiddelde dichtheid 3,2, in Centraal-A. 8,2, van de Antillen 30 per K.M2. — In Centraal-Amerika is de Zuidkust van Guatemala en San Salvador vrij dicht bevolkt. Laatstgenoemde staat heeft een bevolkingsdichtheid van 56,6 per K.M.2; daarentegen is die dichtheid in het centrale gebergte en aan de Atlantische kust nergens meer dan 5 per K.M.2; in het binnenland van Yucatan zelfs minder dan 2.

Sommige kleine Antillen zijn zeer dicht bevolkt. Barbados heeft zelfs 400 inw. per K.M.2. Van de groote Antillen heeft Cuba 21, Haïti (Staat) ± 90, S. Domingo 15, Portorico 125 en Jamaica 77 inw, per K.M.2 — In Zuid-A. zijn zoowel de woestijngebieden ten Westen van de Centrale Andes en van Patagonië, als het Oerwoudgebied der Selva’s uiterst dun bevolkt. In deze streken is de dichtheid minder dan 1 per K.M.2. (In ’t Amazonegebied 0,2, in Zuid-Patagonië 0,1 per K.M.2). Eveneens zeer dun bevolkt, n.l. van 1 tot 5 per K.M.2, zijn het Braziliaansche Tafelland, de Gran Chaco en de N, Pampas, het Orinoco-dal en het N. Andes-gebied. Iets dichter (van 5 tot 10 per K.M.2) Peru en WestVenezuela. De Oostkust van Brazilië en het Chileensche lengtedal hebben een bevolkingsdichtheid van 10—20 per K.M.2 Slechts in enkele streken, vooral aan de kusten en in de buurt der hoofdsteden, is de bevolking dichter. (De Venezuelaansche provincie Carababo 36, de Chileensche provincies Valparaiso 60, en Concepcion 24 per K.M.2).

Rassen en kultuur.

1) Het oorspronkelijke ras, dat der Indianen, vormt nog het grootste deel der bevolking, vooral in de Westelijke staten. Zie INDIANEN.
2) Het Blanke Ras. In het begin der XVIde eeuw, werd het grootste deel van Midden-A. en in Zuid-A. het Andes-gebied en de beneden La Plata door de Spanjaarden veroverd; de kusten van Brazilië door de Portugeezen. Later werden de Spanjaarden uit het grootste deel der Antillen weer verjaagd door de Hollanders, Franschen en Engelschen. In Zuid-A. hebben laatstgenoemde volken alleen in Guayana kunnen stand houden.

De immigratie van de XlXde eeuw ging voornamelijk naar de Zuidelijke subtropische en gematigde streken, vooral naar Zuid-Brazilië en Argentina en voornamelijk door Italianen en Spanjaarden, Tusschen 1857 en 1912 verhuisden naar Argentina 4.248.000 immigranten, waarvan ruim 2 millioen Italianen en 1.300.000 Spanjaarden. Verder Russische Joden, Zwitsers, Duitschers enz. De laatsten vooral ook naar de Braziliaansche provincie Rio Grande do Sul.

3) Het Negerras. Evenals in Noord-A, werden ook in Midden- en Zuid-A. negers als slaven ingevoerd. Ze bewonen vooral de streken met tropische plantage-cultuur; dus vooral de tierra caliente van Noordelijk Zuid-A. en het O. van Brazilië. In de Antillen vormen zij zelfs de meerderheid der bevolking.
4) Aziatische Volken. Chineezen zijn als werkkrachten aan de Westkust van Zuid-A, (vooral in Perzu en in de Antillen) ingevoerd, Hindoes in de Antillen en Guayana, en in Suriname ook Javanen. Deze volken vormen echter nergens een belangrijk deel van de bevolking.

Vermenging der verschillende rassen komt veel voor. Een zeer groot gedeelte der bevolking van Centraal-A. en der Noordelijke Andes-staten bestaat uit Mestiezen (gemengd Blanken- en Indiaansch ras); Zambos (gemengd Indianen- en Neger-ras) komen veel voor in Columbia en Venezuela; terwijl Mulatten (gemengd Blanken- en Neger-ras) een groot contingent vormen van de bewoners der Antillen en van Brazilië. In het Zuidelijk deel (Chili, Argentina, Uruguay en ZuidBrazilië) hebben de blanken hun bloed meer zuiver gehouden.

Van de getalsverhouding der verschillende rassen en kruisrassen bestaan geen statistieken. Het aantal „wilde” Indianen wordt op l1/2 a 2 millioen geschat, dat der Negers op 4 millioen.

Kultuur. De Indianen der tropische streken zijn over het algemeen jagers- en visschersvolken, die op een lagen trap van beschaving staan. De meest ontwikkelden doen nog iets aan landbouw. De meest primitieven wonen in het O. van Brazilië, en aan den boven-Xingu. De Zuidelijke Indianen hebben sedert de komst der Europeanen het paard leeren kennen en vormen nu woeste ruitervolken. Zeer laag staan de jagers- en visschersnomaden van Vuurland. De godsdienst van al deze volken is animistisch.

Toen de Spanjaarden in A. kwamen, vonden zij in de Andes reeds een vrij ontwikkelde kultuur. Hier bloeide toen het machtige Inca-rijk, een communistisch ingerichte staat met verplichten krijgsdienst, goede wegen, irrigatie-landbouw, indrukwekkende bouwwerken. Men kende de bewerking van het koper en der edele metalen. De hoofdgod was de zon, van wie de koninklijke familie heette af te stammen.

Tegenwoordig hebben de gebergte-Indianen grootendeels de beschaving en den godsdienst hunner veroveraars aangenomen. Zeer weldadig was de werkzaamheid der Jezuiëten onder de Indianen van het boven La Plata-gebied, waar zij de Guarani onder straffe tucht tot een hoogeren trap van kuituur en welstand wisten te brengen. Ten gevolge van de verdrijving hunner orde in 1768 ging hun schepping, de „Missiones”, grootendeels weer ten gronde.

Ook de Negers hebben zich meestal aangepast aan de kultuur der blanken in hun omgeving, en zijn ook meerendeels Christenen. In de binnenlanden van Guayana zijn de afstammenlingen der weggeloopen slaven echter weer tot hun ouden Afrikaanschen toestand teruggevallen.

Bestaansmiddelen. Reeds vóór de komst der Europeanen leefden de Andes-Indianen grootendeels, en de meeste natuurvolken van het tropisch gebied voor een deel, van den landbouw. Verscheidene, doch in vergelijking met Azië zeer weinige, producten, die nu in een groot deel van de wereld inheemsch zijn, heeft men aan A. te danken. Hiertoe behooren o.a. de mais, de aardappel (waarschijnlijk oorspronkelijk uit Chiloë), de batate, de maniok, de arrowroot, de sisalagave en de katoensoort Gossypium barbadense uit Midden-A., de tabak, de coca, de cacao en de vanille.

In Tropisch-A. vormen vooral wortelgewassen: maniok, oka (Oxalis tuberosa), batate, arrowroot enz. het volksvoedsel. Daarnaast enkele vruchten, vooral bananen en in de kuststreken kokosnoten. Dit is ook bij uitstek het gebied van den plantagebouw. In de Antillen en in Guayana heeft deze veel geleden door de te plotselinge opheffing der slavernij, en begint zich pas in den laatsten tijd iets te herstellen. De voornaamste plantageproducten zijn: cacao voor de heetste streken (Guayana, Venezuela, ’t Amazonegebied en de tierra caliente van Columbia, Ecuador en van Midden-Amerika); suiker (Cuba, dat het belangrijkste rietsuikerland der aarde is); koffie (Brazilië, Venezuela, Centraal-Amerika, alleen uit het eerstgenoemd land komt ± 75 % van de geheele wereldproductie); tabak (vooral Brazilië en de Antillen); katoen (vooral N.O. Brazilië); vanille (tot de heetste streken, meest in Mexico); coca (in de Montaña van Peru en Bolivia). In de hoogere bergstreken ook producten van de gematigde zone: tarwe, aardappelen, erwten en boonen. Deze worden ook in de subtropische streken (vaak met behulp van irrigatie) verbouwd, naast producten als katoen, suiker, tabak en maniok, en vooral ook wijn (Chili), perziken, amandelen, quinoa (in Zuid-Peru en Chili), mais, luceme (vooral in de Pampa), vlas, gerst. De weinige landbouw van Zuid-Chili en Patagonië levert slechts rogge, gerst en aardappelen.

Producten van in 't wild groeiende planten. Hieraan zijn vooral de tropische oerwouden rijk. Zoo leveren de wouden van Midden-A. het kostbare mahonie-, campêche- en cederhout; die van Guayana, Amazonië en het Noordelijk Braziliaansche Tafelland, het purperhout, ebbenhout, enz. Zéér belangrijk is de rubber (in Midden-A. van den Castilloa elastica en in Amazonië vooral van de Hevea brasiliensis) en de balata (in Guayana en Venezuela van Mimusops Balata). Verder leveren de tropische wouden copaiva-balsem, sarsaparilla, copal, tonkaboonen, paranoten; de Caatinga verfhout; de Montana Spaansche peper, plantenivoor (van den Phytelephas maerocarpa), coca, kina, palmwas. Uit tropische wouden is het quebrachohout van den Chaco bekend. Een product uit die streek is ook de mate, d.i. thee van de bladeren van den Bex paraguayensis.

Veeteelt. Vooral de savannen en pampa’s, en ook de Puno, zijn streken van een zeer belangrijke extensieve veeteelt. Reusachtige kudden worden in de Llanos van den Orinoco door Maneros, in de Campos van Brazilië door Campeiro’s, in de Pampas van Argentina door Gaocho’s gehoed. Voornamelijk bestaan deze kudden uit runderen, daarnaast ook uit paarden en, vooral in de Zuidelijke Pampas en Patagonië uit schapen. In de Andes ziet men naast paarden ook veel muildieren en ezels; verder ook geiten; terwijl het eenige oorspronkelijke Zuid-A.’sche vee door de lama’s en alpaca’s vertegenwoordigd wordt, die wol leveren, en in de Puno ook als transportdieren gebruikt worden. De teelt van melkvee (kaasbereiding) is in Midden-A. en de Noordelijke Andes niet zonder beteekenis, en neemt in de Zuidelijke Staten toe. In Argentina worden ook struisvogels om der wille van de veeren geteeld.

Jacht. De natuurvolken leven voor een groot deel nog van de jacht, en eten ongeveer alles, wat loopt, vliegt en kruipt. Zoo is het vleesch van apen en leguanen soms een geliefkoosd voedsel. De Indianen van Zuidelijk-Argentina maken veel jacht op lama’s (Guanacos) en struisvogels.

Visscherij. Eveneens is de visscherij, vooral voor de natuurvolken, een gewichtig bestaansmiddel. Zeevisscherij wordt vooral uitgeoefend in Z.O. Patagonië en Vuurland, aan de Noordkust van Venezuela en de Nederlandsche kusteilanden, en in de Antillen.

In de rivieren van ’t Amazonegebied zijn schildpadden talrijk, hun eieren worden gezocht, om er olie uit te bereiden. Oost-Brazilië levert oesters, de kusten van Centraal-A., de Antillen en de Noordkust van Zuid-A. parels, paarlemoer en schildpad, de Bahama’s sponzen.

Mineralen. Vooral de edele metalen lokten de oude veroveraars. Nog steeds leveren verschillende deelen van de Cordilleras de los Andes en van Centraal-A. veel goud en zilver. Goud wordt daarenboven gevonden op Haïti, in Guayana en Brazilië (vooral in Minas Geraes). Verder wint men tin in Columbia, koper in Chili en Columbia, kwikzilver in Peru, ijzer in Brazilië en Paraguay, mangaan in Oost-Brazilië, bismuth in Noord-Chili, antimonium in Peru, diamanten in Oost- en Midden-Brazilië, smaragden bij Muzo in Columbia; steenkolen vooral in Brazilië en Columbia. In streken met een droog jaargetijde wordt aan de zeekusten zout gewonnen, en ook in de zoutsteppen der Westelijke Pampa. Het belangrijkste mineraal van Zuid-Amerika is de salpeter uit de woestijnen van Noord-Chili; phosphaat wordt daar ook gewonnen, evenals op Curaçao en Bonaire; guano aan de westkust van Peru.

Industrie. De belangrijkste grootindustrie vindt men in het subtropische en gematigde Zuiden. In de eerste plaats komen hier in aanmerking de reusachtige slachterijen en fabrieken van vleeschwaren en andere veeteeltproducten, n.l. de Saladeros en Xarqueades. In de meer tropische streken is de suikerindustrie (en de rhumfabricage) van belang. Verder nog de tabak- en sigarenindustrie.

Een belangrijke huisindustrie is de vervaardiging van Panama-hoeden uit de vezels van de Carludovica palmata, in N.W. Zuid-A. en Centraal-A.

Politieke Verdeeling. De eenige buitenlandsche bezittingen in Centraal-A. zijn Britsch-Honduras en de kanaalzone in Panama, die aan de Ver. Staten behoort. Daarentegen zijn in de Antillen slechts Cuba en de beide republieken op Haïti onafhankelijk. In Z u i d-A. beperkt zich het buitenlandsch bezit tot de drie Guayana’s, de Nederlandsche eilanden beneden den wind, en de Engelsche Trinidad, Tobago en Falklandseilanden.

De republieken van het Spaansch sprekende Centraal- en Zuid-A. zijn voortgekomen uit de vrijheidsoorlogen uit het begin der XlXde eeuw. Brazilië werd in 1824 een onafhankelijk keizerrijk, onder een lid van het Portugeesche koningshuis, en werd pas in 1889 een republiek. Cuba werd onafhankelijk tengevolge van den Spaansch-A-’schen oorlog in 1898; de republieken op Haïti door negeropstanden tijdens de Fransche revolutie.

Het Noordelijke deel van Centraal-A. behoort aan Mexico, het overige is in verschillende kleine Staten verdeeld. In Zuid-A. bestaat Venezuela uit Westelijk Guayana, het Caraibisch bergland en een deel der Llanos. Columbia, Ecuador, Peru, Bolivia en Chili zijn vooral Andesstaten; daarenboven hebben zij, behalve Chili, alle aandeel aan het Amazone-laagland. De kern van Argentina wordt gevormd door het La-Plata en Pampa-gebied. Daarenboven behooren daar nog toe het Patagonisch terrasland, en deelen van de Andes. Ook Paraguay en Uruguay zijn La-Plata-staten. Tot Brazilië behoort het geheele Braziliaansche Tafelland en het grootste gedeelte van het Amazonegebied. Het Oostelijk deel van Guayana is verdeeld tusschen Engeland, Nederland en Frankrijk.

Men heeft dus de volgende politieke verdeeling:

Centraal-A. K.M.2 inw.

Aandeel van Mexico 186.300 1.050.000 Guatemala 113.000 2.120.000 Honduras 114.670 566.000 Salvador 21.200 1.200.000 Nicaragua 128.300 4.600.000 Costarica 48.400 410.000 Panama 87.250 365.000 Amer. Kanaalzone 1.160 62.800 Britsch-Honduras 22:300 41.000 Antillen: Onafhankelijk:

Cuba 114.600 2.500.000 Haïti 28.700 2.500.000 S. Domingo 48.600 700.000 Engelsche Bezittingen:

Bahama eil. 11.400 7.5250 Jamaica 10.900 865.000 Leeward eil. (Virginische eil., Anguilla, St.-Christoffel, Nevis, Antigua, Barbada, Montserrat en Dominica) Windward eilanden (St.Lucia, St.-Vincent en Grenada)

Barbados Fransche Bezittingen: Guadeloupe en onderh. Martinique Nederlandsche Bezittingen: Saba St.-Eustatius Half St.-Martin Deensche Bezittingen:

St. Thomas, St. Croix en St. Jan Amerik. Bezitting:

Portorico 1.850 128.000 1.760 340.000 1.700 340.000 1.780 212.000 987 194.000 13 2.000 21 1.500 47 ± 4.000 360 27.000 9.300 1.184.000 Zuid-Amerika:

Columbia 1.206.200 5.000.000 Ecuador .300.000 1.500.000 Peru 1.137.000 5.600.000 Bolivia 1.470.000 2.520.000 Chili 785.000 3.500.000 Venezuela 1.020.000 2.756.000 Brazilië 8.500.000 25.000.000 Argentinië 2.950.000 7.500.000 Paraguay 253.100 760.000 Uruguay 187.000 1.280.000 Engelsche Bezittingen:

Eng. Guayana 234.000 305.000 Tobago en Trinitad 4.840 360.000 Falklands eil. 16.800 2.300 Fransche Bezittingen:

Fr. Guayana 88.000 49.000 Nederl. Bezittingen:

Suriname 130.000 140.000 Curaçao, Bonaire en Aruba 1.100 55.000 Ve r k e e r. Het zeeverkeer gaat voornamelijk met stoomvaartlijnen en is, doordat het grootste deel naar Europa en de Ver.-Staten gaat, belangrijke r in de Antillen en de Oostkust, dan aan de kust van den Grooten Oceaan. Van uit Europa bestaat een belangrijke zeilvaart naar de Westkust, naar de salpeterhavens in Nd. Chili (Antofagasta, Iquique, Taltal). Vroeger was de haven van het Deensche St.-Thomas een rust- en middelpunt van het verkeer met de Antillen en de N.-kust van Midden- en Zuid-Amerika; in den laatsten tijd is het zeer achteruitgegaan, daar het stoombootverkeer dergelijke rustpunten minder noodig heeft. De stoomschepen, die naar de Westkust gaan, gaan door straat Magelhaes, en de zeilschepen om Kaap Hoorn. Zoodra het Panamakanaal voor de groote scheepvaart bruikbaar is, zal dat wel wijziging brengen in de tegenwoordige routen.

De belangrijkste zeehavens zijn: In de Antillen Havana op Cuba, Kingston op Jamaica, St.-Thomas, en Port Castries op St.-Lucia; in Centraal-A. Colon en Panama aan de uitgangen van het Panama-kanaal. Aan de Noordkust van Zuid-A. Sabanilla, de mondingshaven van het Magdalena gebied, La Guayra voor Venezuela, Willemstad op Curaçao, Paramaribo in Suriname. Mondingshaven voor het Amazonegebied is Para.

Aan de Braziliaansche kust: S. Luiz de Marahao, Pernambuco, Bahia, Rio de Janeiro, Santos, Porto Alegre. De mondingshavens van het La Platagebied zijn Montevideo en Buenos Aires. Punta Arenas wordt door alle schepen aangedaan, die door Straat Magelhaes varen. Aan de Westkust van Zuid-A. zijn belangrijke havens o.a.: Valparaiso in Chili, Antafagasta en Iquique voor de salpeter en de mijnen van Noord-Chili, Mollendo voor het centrale Puno-gebied, Callao voor MiddenPeru, en Guayaquil voor Ecuador.

Rivierverkeer.

Van de rivieren, die aan de Westkust uitmonden, is geen enkele voor het verkeer van belang. De Magdalena en haar zijrivier de Canca worden een eind ver bevaren; de Orinoco geregeld tot Bolivar, maar met hoogwater tot Atures toe. De ingang van het Amazone-systeem is niet de Amazone-mond zelf, maar de Rio Park. Groote schepen kunnen tot Iquitos in Peru komen. Ook neemt het verkeer op de groote zijrivieren steeds toe; dat op de Rio Negro gaat 760 K.M., op de Madeira 290 K.M. de rivier op.

In het geheel worden in het Amazone-bekken ± 10.000 K.M. door stoombooten bevaren. — De rivieren, die aan de Oostkust van Brazilië uitmonden, hebben voor het groote verkeer weinig waarde, daar stroomversnellingen en vallen de doorgaande vaart terughouden. De vaart op den São Francisco wordt b.v. gehinderd door de vallen van Paulo Alfonso. Daarentegen is weer het La Plata-systeem een verkeersader van den eersten rang; de ParanaParaguay is tot Cuyaba bevaarbaar; de Alta Parana en de Uruguay zijn echter voor het verkeer ongeschikt. Van de Patagonische rivieren wordt de Rio Negro bevaren.

Spoorwegen. In het smalle vasteland van Centraal-A. verbinden de spoorwegen van Tehuantepec, (Salina-Cruz-Coatzocoalcos),Costarica (Punta ArenasLimon) en Panama (Panama-Colon), beide oceanen. Verder heeft men er nog enkele kleinere lijntjes. In het niet-Mexicaansche gedeelte waren in 1912 in bedrijf 3077 K.M. Op de Antillen heeft Cuba een goed spoorwegnet; ook hebben S. Domingo, Portorico, Jamaica en enkele kleinere eilanden spoorwegen. Op de Antillen te zamen: 4960 K.M., waarvan op Cuba alléén 3433 K.M. In Zuid-A. bestaat nog slechts één transcontinentale baan, n.l. de spoorweg van Valparaiso naar Buenos—Aires, terwijl er plannen bestaan, om het net van Argentina met de Puno-lijnen in Bolivia te verbinden. Deze laatste staan zoowel met den Peruaanschen haven Mollendo, als met de Noord-Chileensche havens in verbinding. Een eigenlijk spoorwegnet hebben slechts Z.O.-Brazilië, Argentina en Chili; de aanleg van spoorwegen gaat in Zuid-A. echter snel vooruit, ln 1902 bestonden er nog slechts ± 42.000 K.M., in 1912 reeds ± 82.000 K.M. Hiervan hebben Brazilië 23.073, en Argentina 32.624 K.M.

Het landverkeer buiten de spoorwegen geschiedt in het Westelijk hooggebergte meestal met behulp van karavanen. Men gebruikt als transportdieren veelal muildieren en paarden, en in de Puno ook lama’s. In de vlakkere streken der Braziliaansche Campos en Argentijnsche pampa’s gebruikt men ook wagens (postwagens en ossenkarren).

De handelsomzet der verschillende Staten bedroeg in 1911 a 1912 (in duizenden guldens):

Centr.-A.

Honduras / import 7,637 / export 7,028 Guatemala - 24,760 33,163 Salvador - 16,063 . 24,864 Nicaragua - 6,865 - 11,3625 Costarica - 64,190 . 63,570 Britsch Honduras - 7,116 . 6,624 Panama - 24,7426 - 7,1575 Antillen.

Cuba - 270,245 - 322.9475 . Haiti - 24,690 - 46,835 S. Domingo - 20,545 - 30,9625 Portorico - 104,8176 - 124,2625 Engelsche Antillen - 74,668 - 70,872 Fransche Antillen - 19,834 - 20,677 Deensche Antillen - 3,487 - 1,206 Curacao en onderh. - 4,326 - 1,952 Zuid-A.

Venezuela - 51,156 - 62,826 Columbia - 64,190 - 63,570 Ecuador - 31,612 - 33,949 Peru - 62,004 - 113,256 Bolivia - 49,609 - 90,623 Chili - 296,695 - 345,806 Brazilie - 770,610 - 906,987 Paraguay - 12,943 - 10,317 Uruguay - 123,133 - 127,370 Argentina - 927,193 - 167,350 Engelsche bezitt... - 82,788 - 89,712 Suriname - 8,273 - 9,201 Fr. Guayana - 5,406 - 5,719