Accent betekenis & definitie

Accent - In de taalwetensch. de benaming, waaronder de verschijnselen, die betrekking hebben op de afwisseling in klemtoon en toonhoogte bij het spreken worden samengevat. Men onderscheidt daarbij in de eerste plaats het expiratorisch of dynamisch a. (den klemtoon), en het muzikaal of chromatisch a. (de toonhoogte). Verder onderscheidt men bij elk van deze beide soorten, het a. van de lettergrepen, het woordaccent en het zinsaccent. Zie verder PHONETIEK.

Ook gebruikt men a, in de bet. van accentteeken, de schriftelijke aanduiding van het a.

In de muziek is a. de nadruk gegeven aan die maatdeelen, welke ter verduidelijking van den metrischen bouw van een muziekstuk daarvoor het meest in aanmerking komen. Gewoonlijk wordt het a. gelegd op de zoogenaamde „zware” maatdeelen (zie MAATVERDEELING); somtijds ook worden de zwakke maatdeelen geaccentueerd (zie SYNCOPE), waardoor eene algeheele omzetting van de articulatie veroorzaakt wordt.