Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 15-06-2020

wol

betekenis & definitie

v./m. (g. mv.),

1. (stofn.) de fijne, krullig dooreengegroeide zachte haren van m.n. schapen

(e), ook van sommige andere dieren: kashmir(wol), van kashmirgeit; lamawol, van lama enz.;

2. spinsel van haren, wollen draden: kousen van — breien;
3. wollen weefsel; (fig.) in of door de — geverfd, door de — heen zijn, geheel bedorven, in hoge mate onbeschaamd;
4. (coll.) wollen goed: — dragen; onder de — gaan, naar bed gaan;
5. fijne, zachte en korte haren op bladeren, zaden enz. van vele planten.

(e) Wol is in het algemeen afkomstig van het bedekkende haarkleed van schapen; de wol van andere zoogdieren wordt aangegeven naar de naam van het dier, b.v. ➝ kashmirwol, ➝ lamawol, ➝ angorawol van het angorakonijn. Het haar van de angorageit noemt men echter ➝ mohair. De voornaamste wolleveranciers zijn de schapen. Wol kan men naar herkomst op verschillende manieren indelen.

I. Naar ras.
1. Merinosschapen: er zijn verscheidene variëteiten, afhankelijk van het land waar ze gefokt worden, terwijl klimaat en bodem hun invloed uitoefenen op de kwaliteit, b.v. het Spaanse merinosschaap, het Franse merinosschaap of Rambouilletschaap (hoofdtype van het Australische merinos) en het Vermont-merinosschaap (VS).
2. Engelse schapen (tabel). Verder komen in diverse landen nog inlandse rassen voor, in Nederland b.v. de Texelse, Friese, Noorden Zuidhollandse schaperassen, die in polders leven, en andere die voorkomen op schrale heidegronden, zoals in Drenthe, op de Veluwe en in de Brabantse en Limburgse Kempen.

II. Naar leeftijd en geslacht.

1. lamswol: fijne en korte wol van de eerste schering na ca. een halfjaar;
2. jaarlingwol: middelfijne en middelmatig lange wol van de eerste schering na ca. anderhalf jaar;
3. hamelwol: afkomstig van rammen na de eerste schering;
4. ramswol: langharige, grovere wol van oudere volwassen rammen;
5. moederwol: vaak brosse wol, omdat door drachtigheid en zogen van het schaap verstoringen in de haargroei optreden,

III. Naar winning.

1. scheerwol (fleecewol): de wol die men van het levend schaap door eenmaal scheren per jaar verkrijgt;
2. huidwol: wol afkomstig van de huid van geslachte schapen die te herkennen is aan de aanwezigheid van de haarwortel. De huidwol wordt weer onderverdeeld:
a. looiwol, verkregen door de vellen in een kalkoplossing te brengen of aan de vleeszijde met een kalkbrij in te smeren; na een paar uur kan de wol door spoelen of schrapen van de huid worden verwijderd;
b. blootwol, wol verkregen volgens de zwavelnatriummethode, waarbij vellen na geweekt te zijn aan de vleeszijde met een brij van zwavelnatrium worden ingesmeerd; of de vellen worden in zgn. smorthokken (zweethokken) bij een hoge relatieve luchtvochtigheid gedurende enige dagen bij een bepaalde temperatuur bewaard, waarbij fermentatie, gepaard gaande met rotting, plaatsvindt en de haren (zweetwol) loslaten;
c. herwonnen wol: die men kan onderscheiden in afval van spinnerijen, b.v. kamlingen, en scheurwol verkregen door het uit elkaar trekken van afval uit weverijen, confectie-industrie en lompen. Wolsoorten verkregen uit lompen worden, afhankelijk van kwaliteit en verwerkingswijze aangeduid als shoddy, mungo en ➝ extractwol (alpaca).

Na de winning wordt de wol gewassen en gesorteerd naar fijnheid. De kwaliteit van wol iso.a. afhankelijk van de lengte (stapel) en de fijnheid. De wolfijnheid wordt uitgedrukt in klassen of graden, volgens een fijnheidsnummering b.v. 60’s (spreek uit: 60-er) of aanduidingen met letters en cijfers, AAA, BI en CII , die per land verschillen. Aangezien dit vaak tot misverstanden aanleiding geeft, wordt de voorkeur gegeven aan de aanduiding van de gemiddelde wolvezelmiddellijn, uitgedrukt in micrometer (afb.). De merinosschapen leveren de fijnste en de Engelse en andere inlandse schaperassen de grofste wol. Crossbred geeft de middelfijne wol.

Wol wordt als los vezelmateriaal gebruikt voor vulsel, gesponnen als breien tapijtknoopgaren en voorts wordt het garen verwerkt in geweven en gebreide kledingstoffen, tapijten, gordijnstoffen enz. Wol is bijzonder geschikt voor kledingdoeleinden wegens de goede warmte-isolerende en vochtabsorberende eigenschappen: de vezel neemt bij een relatieve luchtvochtigheid van 65 %, 13—14% vocht op en kan veel meer vocht bevatten zonder nat aan te voelen. Door het verviltend vermogen van wol kan men dichte en warme kledingstoffen maken. Het wassen van wollen kledingstukken moet, juist in verband met het gemakkelijk vervilten, zeer voorzichtig gebeuren, bij lage wastemperatuur en met weinig mechanische beweging.

Wol wordt vaak vermengd met andere, meestal halfof geheel synthetische vezels. Volgens het (Ned.) Textielartikelen Besluit moeten textielprodukten voorzien zijn van een etiket waarop de grondstofsamenstelling is vermeld. Het woord ➝ scheerwol heeft hierbij een enigszins andere betekenis dan de eerder genoemde fleecewol. Artikelen die worden aangeduid met 100 % puur of zuiver wol, moeten bij produkten vervaardigd uit strijkof kaardgaren voor 95 % en bij kamgaren voor 98 % uit wol bestaan. Voor zuiver scheerwol geldt 99,7 % wol.

Australië en Zuid-Amerika zijn de grootste wolproducenten. In 1975 bedroeg de wereldproduktie aan wol 1514 mln. kg, d.i. 6 % van de totale textielvezelproduktie.

Litt. H. Doehner en H. Reumuth, Wollkunde (2e dr. 1964).