Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 15-06-2020

winkel

betekenis & definitie

m. (-s),

1. in de detailhandel een van een etalage voorziene besloten verkoopruimte, waar het publiek goederen kan kopen (e): een rijdende—; in een — staan, winkelbediende zijn; winkels kijken, nl. de etalages; er zijn in die straat mooie winkels; (ook) bureau dat op idealistische basis voorlichting of hulp geeft in maatschappijen rechtszaken (rechts-, wetswinkel), vaak ook met etalage.
2. werkplaats van een ambachtsman: naar de — gaan; (zegsw.) er is veel werk aan de —, er valt veel te doen; bij iemand in de — kijken, zijn werkwijze, zijn beroepsgeheim afkijken.

(e) Wegens het permanente karakter van de vestiging wordt de winkel gerangschikt onder de gevestigde of gezeten handel, al is tijdelijke vestiging mogelijk: vliegende winkel; men kent tegenwoordig ook rijdende winkels. De gesloten winkel is een variant die zich kan ontwikkelen als men de detailhandel meer cachet wil verlenen of wanneer ook het ambacht wordt uitgeoefend. →winkelcentrum.