Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 15-06-2020

waterbouwkunde

betekenis & definitie

v., tak van de technische wetenschap die zich bezighoudt met de aanleg van dijken, kanalen en andere waterwerken.

(e) De waterbouwkunde heeft zich ontwikkeld uit de strijd tegen overlast van water en uit het streven, zich het water ten nutte te maken. De noodzaak zich tegen hoge zeeen rivierstanden te beschermen leidde tot de bouw van dijken, met de daarbij nodige werken tot ontlasting van de binnendijks gelegen landen van het teveel aan hemelwater (ontwateringswerken, waaronder later ook bemalingen). De behoeften van de landbouw en de economische bestaansvoorwaarden brachten de bevloeiingsen irrigatiewerken, de inpolderingen en droogmakerijen; de mogelijkheid tot verdediging van het land in oorlogstijd leidde tot inundatiewerken. Het vervoer te water had aanvankelijk uitsluitend langs de natuurlijke, bevaarbare waterlopen plaats en kon aan de zeekust slechts plaatshebben van en naar natuurlijke havens en reden. Naarmate dat vervoer groeide en de economische omstandigheden zich wijzigden, ontwikkelde zich de aanleg van kanalen, kunstmatige havens, sluizen, en de regeling van de bevaarbaarheid der rivieren (normalisatie en kanalisatie). De techniek die de aanleg van deze werken beheerst en onder de algemene naam van waterbouwkunde is samengevat, was dus oorspronkelijk een zuivere ervaringswetenschap. Pas in de 20e eeuw heeft zij zich mede ontwikkeld als een techniek op wetenschappelijke grondslag.