Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 31-01-2022

Vrucht

betekenis & definitie

v./m. (-en),

1. fructus, het uitgegroeide vruchtbeginsel van een plant; rijpe, sappige, frisse vruchten; vruchten inmaken, konfijten; als coll.: zetten; verboden vruchten, iets ongeoorloofds (naar Gen.3,1—6); verboden vrucht smaakt het lekkerst, iets wat verboden is, is altijd aantrekkelijk;
2. ongeboren jong van een dier of mens: zij voelde de vrucht leven in haar schoot;
3. opbrengst, winst: het kapitaal begint af te werpen; produkt, resultaat: de vruchten van zijn arbeid; voordeel, winst: met iets aanwenden; zonder vrucht, vruchteloos, zonder resultaat.

Meestal ontstaat een vrucht na bestuiving, terwijl na bevruchting kiemkrachtige zaden ontstaan. De vruchten kunnen verdeeld worden in ware vruchten (het volledig uitgegroeide vruchtbeginsel van één bloem, waaraan bij een onderstandig of halfonderstandig vruchtbeginsel het hypanthium gewoonlijk deelneemt en met de vrucht vergroeit) en schijnvruchten (niet of slechts gedeeltelijk uit het vruchtbeginsel ontstaan).

WARE VRUCHTEN

Ingedeeld in droge en vlezige vruchten.

1. Droge vruchten,
a. Eenzadig en niet openspringend: meest voorkomend zijn de dopvruchten (achenium) of nootje (nux). De Compositae hebben een dopvrucht, de vrucht van de Labiatae bestaat uit 4 eenzadige nootjes. Indien gevleugeld spreekt men van een samara (Casuarinaceae, Myroxylon. Een bijzonder geval is de caryopsis of graanvrucht van de Gramineae, waarbij de zaadhuid met de vruchtwand vergroeid is; vaak omsluiten blijvende kafjes een rijpe graanvrucht, die zelf nooit opensplijt. Soms splijt een nootje bij rijpheid open.
b. Meerzadig. Deze éénof meerhokkige vrucht springt dikwijls open; men onderscheidt split-, kluisen doosvruchten. De splitvrucht bestaat uit twee éénof meerzadige deelvruchtjes, die bij rijpheid van elkaar loslaten; deze gesloten deelvruchtjes kunnen gevleugeld zijn. Al naar het aantal spreekt men van 2 tot 5-delige en veelvoudige splitvrucht. De kluisvrucht gedraagt zich als een splitvrucht, maar de samenstellende eenzadige deelvruchtjes splijten open. Vele Euphorbiaceae hebben een driedelige splitvrucht, die uit kluisvruchten is opgebouwd. Doosvruchten zijn van sterk verschillende aard. De kokervrucht is uit één vruchtblad opgebouwd en springt langs de vergroeiingsnaad open. De peul (Leguminosae) is een langs twee naden (hoofdnerf en vergroeiingsnaad) openspringende vrucht, die waarschijnlijk ook uit één vruchtblad ontstaat. Soms is de peul tussen de zaden ingesnoerd en valt bij rijpheid in eenzadige stukjes uiteen. Er bestaan allerlei overgangen tussen kokervrucht en peul; ook gevleugelde vormen komen voor. Een hauw ontstaat als twee vruchtbladen langs de de randen vergroeien, wordt tweehokkig doordat een ‘vals’ (vruchtbeginsel) tussenschot ontstaat (Cruciferae) en springt met twee kleppen open. Hauwtje is de (kunstmatige) term voor een hauw waarvan de lengte ten hoogste driemaal de breedte is. Ontbreekt het ‘valse’ tussenschot en is de eenhokkige vrucht uit meer dan één vruchtblad opgebouwd, dan spreekt men van een ‘echte’ doosvrucht. Tussenschotten kunnen de doosvrucht meerhokkig maken, maar dan maken de tussenschotten deel uit van de samenstellende vruchtbladen (en niet als een later verschijnend weefsel uit de vruchtbladrand ontstaan: het ‘valse’ tussenschot). De doosvrucht splijt open met kleppen, waarbij de zijwanden uiteenwijken: b.v. slechts aan de top, dan ontstaan tanden, waartussen poriën (Papaver)', of aan top en voet, waarbij een nauwe opening als spleet wordt aangeduid (Orchis). Laat de zijwand rondom de top van de vrucht los, dan wordt die top tot een deksel (Hyoscyamus). Als de kleppen vaneensplijten, kunnen zij langs de middennerf van elk vruchtblad barsten, terwijl de vruchtbladranden hun vergroeiing handhaven. Elke vruchtklep bestaat dan uit een linker-en een rechterhelft van belendende vruchtbladen en elke klep opent dus twee hokjes (elk voor de helft): de vrucht is ‘hokverdelend’ (Iris). Splijten de vruchtbladen langs de vergroeiingsnaden (en blijft de middennerf intact), dan zal elke klep een vruchtblad vertegenwoordigen en één hokje openen: de vrucht is ‘schotverdelend’ (Centiana). Als de doosvrucht tussenschotten had (zie boven), wordt zij in dit geval schotverbrekend als de schotten losscheuren van de klep (die dan dus maar een deel van de vrucht is).
2. Vlezige vruchten. Bij de bes (bacca) liggen de zaden vrij in het vruchtmoes. Bijzondere vormen van de bes zijn de pompoen (Cucurbita), waarbij rijen zaden in het vruchtmoes liggen, en de citrusvrucht (Rutaceae). De eenzadige bes dient men niet te verwarren met de steenvrucht, waarbij het zaad omsloten wordt door de steenhard geworden binnenlaag van de vruchtwand (Prunus). De harde pitdop kan 1—5 zaden bevatten. De granaatappel is een besachtige vrucht met leerachtige schil, gekroond door de kelk, waarbinnen onregelmatig gerangschikte massa’s hoekige besjes. De ‘pitvrucht’ (Malus, Pyrus) heeft een leerachtig ‘klokhuis’ (de verharde vruchtbladen), waarbinnen de zaden en waaromheen een vlezige vruchtwand en bloembodem. De ‘appel’ is eigenlijk een overgang naar de schijnvrucht.

SCHIJNVRUCHTEN

Vo
orbeelden:

1. het napje van de eikel (Quercus), of het stekelige omhulsel van beukenootjes (Fagaceae);
2. de opgeblazen, vlezige, gekleurde kelk van de lampionplant (Physalis);
3. de als een appel gezwollen, vlezige steel van Anacardiunv,
4. de rode, vlezige, gezwollen bloembodem van de aardbei (Fragaria), die vele kleine droge dopvruchtjes draagt; deze schijnvrucht ontstaat uit één bloem;
5. de zakvormige, meestal rode bloembodem, die op de binnenwand vele droge dopvruchtjes draagt bij de roos (‘rozebottel’, Rosa); ook deze schijnvrucht ontstaat uit één bloem;
6. de zakvormige vijg (Ficus), waarbinnen vele droge dopvruchtjes in een zoete pulp; deze schijnvrucht is uit vele bloemen ontstaan (hypanthodium).

Soms verschillen de vergezellende organen van de schijnvrucht niet duidelijk van de vrucht zelf. oorbeelden:

1. de moerbei (Morus), een steenvrucht, wordt door vlezig geworden, gelijk gekleurde schubben omsloten (bloemdek) en enige van deze pseudobessen zitten bijeen;
2. de ananas (Ananas), een regelmatig gerangschikte reeks van schijnvruchten, bestaande uit vlezige, sappige schutbladeren, die een bes omhullen;
3. de jeneverbes (Juniperus), een strobilus (‘kegel’), die vlezig wordt en enige zaden insluit;
4. de verzamelvruchten, waarbij vele vruchten tot één geheel samenhangen zonder onderling vergroeid te zijn.