Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 15-06-2020

2020-06-15

vrij

betekenis & definitie

bn. en bw. (-er, -st),

1. zonder belemmering: het vrije veld, die deur moet — blijven; — staan, op zichzelf; (wapenkunde) — kwartier, kwartier van een niet-gevierendeeld schild; — tekenen, niet naar een voorbeeld; vrije oefeningen, alle gymnastische bewegingen die zonder toestellen worden uitgevoerd; een — uitzicht hebben; aan iets de vrije loop laten; het niet tegen (trachten te) houden; de handen — hebben, kunnen doen wat men wil;
2. niet door de aanwezigheid van anderen gehinderd: je bent hier niet —; een bovenhuis met vrije doorgang, met aparte trap; vandaar een — bovenhuis; (sport) vrije schop, vrije slag, aan een partij toegekend wegens een overtreding van de tegenpartij, die zich daarbij niet mag verdedigen;
3. kunnen gaan en staan waar men wil: zo — als een vogeltje in de lucht; m.n. zonder banden, niet gevangen: iemand op vrije voeten stellen;
4. onafhankelijk van de macht van een ander: een — man; een — land, waar men, met ontzien van andermans rechten, kan doen en laten, m.n. kan zeggen, wat men wil; vrije keus: de vrije wil; dat staat u —, niets zal u hinderen; ik ben niet meer —, ik heb mij al verbonden; dat meisje is nog -, is nog niet verloofd;
5. niet behoevende te werken: — van dienst zijn, — hebben, geen dienst moeten verrichten, geen school hebben;
6. — van, niet aan onderhevig, door aangedaan enz.: nu is hij — van koorts, zonder koorts; hij leeft — van zorgen, onbezorgd; een huis — op naam, waarvoor de verkoper de overdrachtskosten betaalt;
7. waarover nog beschikt kan worden: die kamer is nog —;
8. niet beperkt door, vallend onder gezag, onder jurisdictie of een beschikkingsrecht van anderen; vrije jacht, voor een ieder geoorloofd; vrije beroepen, waarin men zijn eigen baas is, zoals dokter, advocaat; de vrije sector, het deel van het economisch leven en de reproducerende kunst dat buiten de overheidsbemoeiing, resp. buiten subsidiëring valt; niet belast door schuld, hypotheek enz.: — en onbelast huis, onbezwaard door hypotheek;
9. waarvoor niet betaald hoeft te worden: vrije toegang; — reizen;
10. niet door wet of regel bepaald; vrije verzen, die onderling metrisch verschillen of geen vast metrum hebben, →vers libre; vrije liefde, huwelijksleven zonder burgerlijke of kerkelijke echtverbintenis; iets vertalen, zonder zich aan de letterlijke betekenis van het origineel te houden;
11. niet verplicht of beperkt; vrije inschrijving, waarbij geen voorkeursrecht wordt uitgeoefend; levering — langs boord, waarbij de goederen door de verkoper tot het zeeschip gebracht, maar niet ingeladen worden: — van boord, kosten overlading voor rekening van de verkoper, →fos;
12. vrijmoedig: — met iemand omgaan, zonder plichtplegingen; mag ik zo — zijn? staat u mij toe? ik zal zo — zijn het niet te doen, ik ben niet van plan het te doen; een al te gebruik van iets maken, de maat uit het oog verliezen;
13. tamelijk, nogal: dit artikel is — lang; de zaal was goed bezet.