Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 15-06-2020

2020-06-15

vooruitgang

betekenis & definitie

m., 1. het voorwaarts gaan;

2. verbetering: er is — in de toestand van de zieke te bespeuren; dat is een grote —; (m.n.) het gedurig beter worden van de maatschappelijke toestanden, de beschaving, de economie, de wetenschappen (e).

(e) Reeds bij enkele Griekse en Romeinse schrijvers, zoals de sofisten en Lucretius, is de opvatting te vinden dat de geschiedenis van de mensheid in het verleden een vooruitgang te zien geeft. Meer verbreiding kreeg deze gedachte in de 17e eeuw in West-Europa; de eigen, ‘moderne’, tijd werd sindsdien als superieur aan alle voorafgegane perioden beschouwd. Een op de toekomst gericht vooruitgangsoptimisme werd het eerst duidelijk uitgesproken door Francis Bacon (1620), zij het nog met een voorwaardelijk karakter: indien de mens de in de natuur heersende wetten bestudeert, zal het hem mogelijk worden de natuur steeds meer aan zich te onderwerpen, hetgeen zal leiden tot steeds verder gaande vermindering van materiële nood en van lichamelijk lijden en tot een steeds geriefelijker en gelukkiger leven. Bacon is dan ook de eerste schrijver bij wie het moderne dynamische streven naar steeds verdergaande technische vooruitgang te vinden is. De overtuiging van een vooruitgang van de mensheid, die zich niet alleen in het verleden maar ook in de toekomst onbeperkt voortzet, en tot steeds groter deugdzaamheid en wijsheid zal leiden, werd het eerste uitgesproken door Charles Irénée Castel, abbé de Saint-Pierre (1737). Met hem begint dan ook het moderne vooruitgangsgeloof, dat in de 18e eeuw geleidelijk meer aanhangers vond en in de 19e eeuw en begin 20e eeuw de overheersende geschiedbeschouwing geweest is.

De Europese (resp. westerse) geschiedenis werd in bijna alle vooruitgangstheorieën beschouwd als de eigenlijke algemene geschiedenis. Een uitzondering vormt hier A.J.Toynbee, volgens wie de kringloopbewegingen van de afzonderlijke beschavingen tezamen de weg vormen waarlangs de mensheid vooruitgaat. De vooruitgang is door sommige denkers (Kant, Fichte) in de eerste plaats als een morele, door andere (Comte) als een intellectuele en door weer andere (Condorcet, Marx) als een sociale vooruitgang opgevat. In de eerste helft van de 20e eeuw heeft het vooruitgangsgeloof in de westerse landen zijn positie van dominerende opvatting aangaande de zin van de geschiedenis verloren. De massale vernietiging van mensenlevens in twee wereldoorlogen en in de nationaal-socialistische concentratiekampen heeft het vertrouwen in een vooruitgang op moreel gebied, en daarmee ook het vooruitgangsgeloof in het algemeen geschokt. Het inzicht won veld, dat wetenschap en techniek de enige cultuurgebieden zijn, waar van een aanwijsbare vooruitgang gesproken kan worden, doordat hier steeds kan worden voortgebouwd op het reeds bereikte en daaraan telkens iets nieuws kan worden toegevoegd.

Dit roept de vraag op, hoe de vooruitgang van wetenschap en techniek gewaardeerd dient te worden. Hoewel ook de waarde van de zgn. zuivere wetenschap, van het streven naar het weten-om-het-weten, door sommigen aangevochten wordt, staat niet deze in het centrum van de belangstelling, maar de vraag naar de waarde van de vooruitgang van de op technische toepassing gerichte kennis en van deze ook kwantitatief steeds toenemende toepassing zelf, m.a.w. de waarde van de technische vooruitgang.

De zich in de laatste twee eeuwen in steeds sneller tempo voltrekkende ontwikkeling van de techniek is in de geïndustrialiseerde landen tot een zo alles beheersend verschijnsel geworden, dat zij centraal is komen te staan niet alleen in de vooruitgangsproblematiek, maar in het gehele hedendaagse denken. Tot het einde van de Tweede Wereldoorlog richtte het denken over de technische vooruitgang zich vooral op de gevolgen, die de mechanisering van de produktie had voor de industriearbeiders (materiële omstandigheden, arbeidsvreugde) en op de gevolgen van het door de technische vooruitgang zo ingrijpend veranderde levenspatroon voor het geestelijk leven; daarnaast ook reeds op de gevolgen van de vooruitgang van de techniek voor oorlog en vrede, voor politieke vrijheid en democratie en op de gevolgen op esthetisch gebied. Hoewel aan deze problemen nog steeds talrijke beschouwingen gewijd worden, komen in de tweede helft van de 20e eeuw andere aspecten van de technische vooruitgang die de meeste aandacht opeisen: de gevolgen van de industrialisering voor landen met een van de westerse landen sterk afwijkend levenspatroon, de geweldige ontwikkeling van de militaire techniek, de vervuiling van lucht, land en water door de industrie en het autoverkeer en het nieuw gewonnen inzicht, dat bij voortzetting op dezelfde schaal van industriële groei, bevolkingsgroei en milieuvervuiling, de aarde de mensheid binnen afzienbare tijd niet meer zal kunnen voeden. Door dit alles heeft het denken over waarde en betekenis van de technische vooruitgang na de Tweede Wereldoorlog een dramatische wending gekregen: steeds dringender wordt de vraag of de mens nog in staat zal zijn, zijn in ongekende mate gegroeide macht in de hand te houden.

LITT. J.B.Bury, The idea of progress (1920); M.Ginsberg, The idea of progress, a revaluation (1953); B.Delfgaauw, Gesch. en vooruitgang (3 dln. 1962); V.Brome, The problem of progress (1963); C.van Doren, The idea of progress (1967); R.W.Meyer (red.), Das Problem des Fortschrittesheute (1969).