Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 29-06-2020

uitkomen

betekenis & definitie

(kwam uit, is uitgekomen),

1. naar buiten, te voorschijn komen: ik zag hem het station —;
2. toegang geven tot: deze kamer komt op de straat uit; 3. uitspruiten, uitbotten: de bladeren komen uit;
4. uit het ei komen: een pas uitgekomen kuikentje; er zijn 10 eieren uitgekomen, uitgebroed; 5. getrokken worden: mijn nummer is uitgekomen; 6. optreden, spelen, m.n. bij sport: A. komt uit tegen B.; beginnen bij een spel: wie moet — ?;
7. ontdekt, bekend worden: de moord zal — ; 8. openlijk voor iets -, het bekennen; 9. het licht zien, verschijnen; 10. tot slot of resultaat hebben: het kwam volgens zijn woorden uit, het eindigde, zoals hij voorspeld had; 11. akkoord blijken te zijn, het juiste of gewenste slot vertonen: dat komt uit, dat is zo; die deling komt uit, geeft nul als rest; 12. genoeg hebben: met die voorraad zal ik wel —; met het huishoudgeld —, niet te kort komen; 13. treffen, beschikt zijn: dat komt net goed uit, komt voor ons zeer gelegen; 14. duidelijk zichtbaar zijn: tegen de lichte achtergrond komen de figuren goed uit; tot uitdrukking komen; de belichting doet de kleuren niet voldoende —; doen blijken: je moet goed laten — dat hij begonnen is.