Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 29-06-2020

tijd

betekenis & definitie

m. (-en), 1. de voortgang en opvolging van heden naar toekomst, als een zelfstandige en ononderbroken eenheid beschouwd ⓔ: na verloop van —, op den duur; in de loop des tijds,

op den duur, langzamerhand; de — zal het leren, na verloop van tijd zal men zekerheid krijgen; als hij maar — van leven heeft, a. als hij lang genoeg daarvoor leeft; b. als hij geduld heeft; bij — en wijle, als het schikt;

2. schema van verdeling en benoeming van de voortgang van het gebeuren in de kosmos als universele maatstaf: de ware —, het door de stand van de zon aangewezen punt in de voortgang van het etmaal; de middelbare —, berekend naar het gemiddelde van de zonnedagen; hebt u de —? kunt u me zeggen hoe laat het is?;
3. tijdstip: de — van aankomst; ten tijde van; te allen tijde; terzelfder —; te zijner —, op een gelegen tijdstip; van — tot —, nu en dan; (abs.) het is —, nl. om te beginnen, op te houden of uit te scheiden; het wordt mijn —, nl. om te vertrekken; er is een — van komen en een — van gaan, niets is bestendig, ook de mens niet; iemands —, het hem bestemde ogenblik, m.n. van sterven; bij de — zijn, paraat, bijdehand, pienter; ook van zaken; op —, vroeg genoeg, niet te laat; over —, later dan behoorde, te laat;
4. duur, tijdsduur: na hoeveel — begint het opnieuw?; in de — van een jaar,binnen het verloop van een jaar; voor korte —, niet lang geleden; sedert onheuglijke tijden, waarvan men zich het begin niet herinnert; in tijden, lang; een korte duur: het bleef nog een tijdje stil; de hele —, voortdurend: hij praat de hele — over zichzelf; het zal mijn — wel duren; alles heeft zijn —, alles duurt een bepaalde tijd; termijn: na afloop van de —; zijn — uitzitten, nl. in de gevangenis; (sport) opgenomen tijdsverloop waarin een afstand is afgelegd: de — van 11,5 s was teleurstellend;
5. tijdperk; niet meer van deze —, geheel verouderd, thans misplaatst; (zegsw.) komen die tijden, komen die plagen, wie dan leeft, die dan zorgt; komt —, komt raad, als het die tijd is, dan zal men wel raad weten; geen zorgen voor de —, voordat het nodig is; andere tijden, andere zeden, iedere tijd heeft zijn eigenaardige zeden en gewoonten; uit de —, niet meer gebruikelijk, verouderd; de Franse, de Spaanse —, de tijd van overheersing door die volkeren; met zijn — meegaan, met de heersende denkwijze, de mode; de tijd van zijn bloei: dat was vóór mijn —; zijn — gehad hebben, het beste deel van zijn leven; (ook van zaken) die jas heeft zijn
— gehad; bij tijden breekt de zon door de wolken;
6. seizoen; periode: in de — van de oogst, wanneer men de oogst binnenhaalt;
7. beschikbare gelegenheid: hoeveel — heb je daarvoor nodig?; — is geld, wie de tijd goed besteedt, kan geld verdienen; zich de — geven, gunnen, iets op zijn gemak doen; je hebt de —, je behoeft je niet te haasten;
8. (grammatica) elk van de vormenreeksen van een ww. die de werking als volt. of onvolt. in heden, verleden of toekomst plaatsen: de tegenwoordige, de verleden, de toekomende —. ⓔ FILOSOFIE. De filosofische opvattingen over tijd kunnen in drie groepen verdeeld worden:
1. de idealistische opvatting, volgens welke de tijd slechts een produkt is van het menselijk verstand, waarmee niets buiten het bewustzijn correspondeert. Het verstrijken van de tijd is slechts schijn, en de ware werkelijkheid is eeuwig en onveranderlijk. Deze opvatting is scherp in strijd met de ervaring, die leert dat alles voortdurend in verandering en beweging is.
2. Volgens de realistische opvatting is de tijd een zelfstandig voortstromend medium, waarin de gebeurtenissen een plaats hebben. Omdat de tijd onafhankelijk is van wat er in gebeurt, spreekt men van absolute tijd. Een groot bezwaar van deze opvatting is dat die veronderstelde tijdstroom in het geheel niet waarneembaar is; men moet hem afleiden uit de plaatsvindende gebeurtenissen.
3. De relationele opvatting stelt daarom dat de tijd niet meer is dan

een relatie tussen de gebeurtenissen, een abstractie en generalisatie van de primitieve relatie van voor-en-na.

Vanuit de realistische opvatting dat de tijd stroomt, stamt het idee dat de tijd een richting heeft, die best eens veranderlijk zou kunnen zijn en dus b.v. zou kunnen omkeren. In de relationele opvatting doen deze problemen zich niet voor, doordat aan een stroom van gebeurtenissen geen richting toegekend kan worden. Verder past de relativistische stelling dat de snelheid waarmee de tijd ‘stroomt’ afhankelijk is van de bewegingstoestand van de waarnemer, veel beter in de relationele dan in de realistische opvatting.

Wat betreft de structuur van de tijd: men beschouwt doorgaans de tijd als continu, dus oneindig deelbaar. Aangezien het echter moeilijk voorstelbaar is dat men altijd maar door zou kunnen gaan met het in stukken delen van een tijdsinterval, valt er ook wel iets te zeggen voor de stelling dat de tijd een discrete structuur heeft, d.w.z. uit atomen bestaat. Sommige filosofen nemen twee tijden aan, een fysische en een psychische. In de relationele opvatting is dit echter onnodig, omdat beide soorten verschijnselen, de fysische zowel als de psychische, in één reeks geordend kunnen worden. De hypothetische reeks van alle gebeurtenissen, gerangschikt volgens de relatie voor-en-na, vormt de universele tijd.

LITT. A. Grünbaum, Philosophical problems of space and time (1963); R.M. Gale (red.), The philosophy of time (1967); P.J. Zwart, About time (1976).

NATUURWETENSCHAPPEN. De schatting van tijdsverhoudingen (gelijktijdigheid, tijdsduur, intervallen, enz.) op grond van ervaring en herinnering is weinig betrouwbaar, er bestaat een behoefte aan een objectieve maatstaf. Het meten van tijd kan slechts geschieden met behulp van de ruimte, beweging en getallen. Een goede mogelijkheid om eentijdseenheid te definiëren levert de periode van een bepaalde slinger. Een andere maatstaf is de daglengte, d.i. de tijdsduur van de aswenteling van de aarde, een van de meest regelmatige bewegingen die men kent (➝tijdmeting).

In de natuurwetenschappen, m.n. bij de wiskundige beschrijving ervan, denkt men zich de tijd continu, homogeen en oneindig, zodat men opeenvolgende ogenblikken als punten op een rechte lijn (of een andere oneindig voortlopende kromme) kan voorstellen. Men kan hierdoor gelijke tijd definiëren, althans op dezelfde plaats. Het begrip gelijktijdig wordt gecompliceerd door de eindige snelheid van de snelste signalen, men kan nl. alleen via signalen bepalen of twee gebeurtenissen in het heelal op dezelfde tijd plaatsvonden (➝relativiteitstheorie). Deze zgn. absolute tijd is een mathematische idealisering en er blijken zich in de quantummechanica ernstige problemen voor te doen.

Men kan de beweging van een stoffelijk punt in de ruimte weergeven met behulp van drie ruimtecoördinaten en met als vierde coördinaat de tijd. Het punt beschrijft dan een kromme in de vierdimensionale ruimte. Deze gedachte, die al uitgesproken werd door J.L. Lagrange, heeft m.n. door het werk van H. Minkowski grote betekenis gekregen. Hij vond dat de mechanica uit de speciale relativiteitstheorie in een eenvoudige wiskundige vorm gebracht kon worden door de tijd als vierde, complexe coördinaat te nemen.

De assen in deze zgn. minkowskiruimte zijn gelijkwaardig en kunnen door draaiingen uit elkaar worden afgeleid. LITT. G.J. Whitrow, Het tijdsbegrip in de moderne wetenschap (1965); P.J. Zwart, Het mysterie tijd (1971); M. Capek, The concepts of space and time (1975).