Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 16-06-2020

tellen

betekenis & definitie

(telde, heeft geteld),

1. een reeks van getallen of hoeveelheden in de natuurlijke volgorde opnoemen, al of niet beginnend bij één: op zijn vingers —; daar staat hij alsof hij geen tien kan —, hij staat onnozel enz. te kijken; op zijn tellen passen, goed oppassen dat men zich niet vergist, acht geven op wat men zegt of doet;
2. (van hoeveelheden) het aantal waaruit ze bestaan opmaken: de steken —, van een breiwerk; men kan zijn ribben —, zo mager is hij; (scherts.) de neuzen —, nagaan hoeveel personen er zijn; (zegsw.) zijn dagen zijn geteld, hij heeft niet lang meer te leven;
3. aantreffen, vinden in het genoemde: in het kasteel telde men honderd kamers;
4.neertellen, storten: hij tastte in zijn zak en telde het geld op tafel;
5. rekenen, laten gelden: een kegelspel waarbij de gevallen kegels dubbel geteld worden; 6. gelden: tropenjaren — dubbel; (kaartspel) heer en vrouw — voor twintig;
7. beschouwen als behorend tot of bij: iemand onder zijn vrienden —;
8. meegerekend worden, gelden als behorend tot: hij telt onder de besten van zijn tijd;
9. van belang achten, waarde hechten aan: iets (te) licht, (te) zwaar —; gelden: een mensenleven telt daar niet; (bij een spel b.v.) dat is niet geldig, mag niet meegerekend worden;
10. (gew.) op iemand of iets, rekenen, vertrouwen op.