Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 17-06-2020

religie

betekenis & definitie

[→Lat.], v. (-s, -giën), 1. godsdienst (e); 2. geloofsleer, een bepaald systeem van godsdienst; godsdienstige overtuiging: vrijheid van —; de christelijke, de gereformeerde -.

(e) Het woord religie wordt gebruikt in verschillende betekenissen:

1. een bepaald complex van menselijke geestesverschijnselen naast wetenschap, kunst enz.;
2. een bepaalde vorm van religieus leven, b.v. de christelijke religie;
3. het religieuze leven van de enkeling, in de zin van het geloof.

Op vele manieren heeft men getracht een formule te vinden voor het wezen van de religie. Sommigen zochten het in wat alle religies gemeenschappelijk hebben, een soort van ‘grootste gemene deler’. Zo kwam men echter terecht bij een minimum van religie als wezen van de religie. Anderen zochten het wezen van de religie daar waar zij geacht werd voor te komen in haar ‘eenvoudigste’ vorm, nl. bij de schriftloze volken (‘primitieve religie’). Maar:

1. schriftloze volken zijn niet zo ‘eenvoudig’;
2. het is verre van gemakkelijk hun geestesleven te benaderen;
3. het is principieel onjuist het wezen van iets alleen in zijn oorsprong te zoeken, nog afgezien van de vraag of men bij de schriftloze volken wel met de oorspronkelijke religie te maken heeft.

Niettemin kan men zeggen: religie is de verhouding tussen de mens en het/de Heilige. Om die communicatie tot stand te brengen, kennen vrijwel alle religies religieuze functionarissen (priester, sjamaan, medicijnman). De verhouding tussen de mens en het/de Heilige berust op een manifestatie of openbaring van dit/deze laatste, die bestaat uit voorstellingen en handelingen en die heil beoogt. Men spreekt van het/de Heilige al naargelang de voorstelling dienaangaande meer onpersoonlijk of persoonlijk is. De voorstellingen betreffen geloofsopvattingen over het bestaan en de activiteiten van bovennatuurlijke wezens (goden, geesten, helden) of krachten (mana, taboe), mythen waarin de activiteiten van goden en voorouders worden verhaald en die een verklaring geven waarom de dingen zijn zoals ze zijn. Tot de handelingen behoren de rituelen, die via een vast patroon van voorgeschreven symbolische handelingen ten doel hebben een bepaald heil op bovennatuurlijke wijze te bereiken; het heil kan zeer verschillende vormen aannemen: lang leven, rijkdom aan kinderen, vee e.d., gezondheid, maatschappelijk welzijn, bevrijd zijn van het bestaan in deze wereld, van het individuele ‘ik’, van de zonde, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, de gemeenschap, vereniging of identiteit met de godheid. Historisch is de oorsprong van de religie niet te benaderen, wegens gebrek aan bronnen; de mening, dat de schriftloze volken zo ongeveer bij de oorspronkelijke vorm zijn blijven staan, is onjuist gebleken.

De religie is een cultuurfactor van de eerste rang.

M.n. bij de schriftloze volken en de oude cultuurvolken (China, India, Egypte, Akkad, Griekenland, Rome) is dat duidelijk. Staatsvormen, rechtspleging, sociale organisatie, wetenschap, kunst, akkerbouw enz. zijn door de religie voortgebracht óf erdoor beïnvloed. Natuurlijk onderging de religie ook hun invloed. Incidentele spanningen tussen religie en cultuur werden ingekapseld (b.v. de asceten in India). Naarmate echter binnen een religieuze culturele gemeenschap zich voorstellingen aangaande het heil in bepaalde kringen ontwikkelden die afweken van de algemeen erkende, trad een tegenstelling tussen cultuur en religie naar voren. Zo kent elke →wereldreligie een element van kleinering van de cultuurfactoren, dat zich tot vijandschap kan toespitsen in de mystiek (die in alle religies een belangrijke plaats bekleedt) en in het religieus pessimisme, dat zich als kloosterleven (boeddhisme, christendom) en chiliasme openbaart.

Als gevolg van enkele eeuwen missiewerk in alle delen van de wereld zijn vele niet-westerse religies grotendeels verdwenen en vervangen door het christendom. Bij nadere beschouwing echter blijkt vaak dat diverse elementen van het traditionele religieuze systeem zijn blijven voortbestaan. In enkele gevallen is het verzet tegen de overheersing door de blanken ook in religieuze cultussen tot uitdrukking gekomen, m.n. in de →nativistische bewegingen, zoals de cargo cults in Melanesië en de ghost dance bij sommige Noordamerikaanse Indianenstammen. Vooral na de Tweede Wereldoorlog kreeg een reeks van nieuwe religies bekendheid, meer of minder sterk geïnstitutionaliseerde bewegingen, waarvan vooral Japan en de staat Californië de bakermat zijn. In Japan heeft de capitulatie (1945) met het verdwijnen van de keizercultus en de vooroorlogse samenlevingspatronen een vacuüm geschapen, dat door nieuwe religies is opgevuld, met als bekendste de Sokai Gakkai. In Californië zijn vooral uit het hindoeïsme en boeddhisme afkomstige bewegingen met missionaire tendens neergestreken, die daar, en later in de gehele VS en Europa, gehoor vonden (Zen, Hara Rrishna, transcendente meditatie).

Een complex van factoren speelt hier een rol: opbloei van de techniek, versnelde geïntensiveerde contacten met andere werelddelen en zelfs met planeten, verstedelijking, het wegvallen van autoriteit op gebied van geloof en zeden, periodieke politieke en economische crises. Uit rassentegenstellingen is de religieuze beweging van de Black Muslims in de VS voortgekomen.

LITT. G.van der Leeuw (red.), De godsdiensten der wereld (1956); M.Eliade, Das Heilige und das Profane (1957); E.Norbeck, Religion in primitive society (1961); F.Sierksma, De nieuwe hemel en de nieuwe aarde (1961); J.van Baal, Symbols for communication (1971); E.Benz, Die neuen Religionen (1971); J.Needleman, De nieuwe godsdiensten (1975).