Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 17-06-2020

planten

betekenis & definitie

(plantte, heeft geplant), 1. in aarde, in de grond zetten om te laten groeien: een boom —; aardappelen —, poten; (bij uitbreiding) een tuin, een haag, een boomgaard —; (van haren, passief) in de huid gezet, ingeplant zijn;

2. (cultuurgewassen) aanplanten en kweken: rijst, tabak —; (spreekt.) oesters —;
3. (palen, staken) overeind in de grond zetten: een staak werd op de weg geplant; (dicht.) een kruis op het kerkhof —; (fig.) het kruis ergens —, er het christendom vestigen;
4. op iets plaatsen of stevig vastzetten: de voeten stevig in of op de grond —;
5. (scherts.) van personen, doen of gaan zitten: ik plantte mij voor mijn schrijftafel;
6. ergens blijvend plaatsen.