Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 24-06-2020

2020-06-24

persoon

betekenis & definitie

[→Lat. persona, toneelmasker dat een karakter of functie aanduidde en daardoor voor het publiek herkenbaar was], m. (-sonen),

1. toneelrol: dit stuk bestaat uit vijf personen; stomme personen, figuranten;
2. zelfstandig optredend menselijk wezen; individu (e): hij bevond zich in gezelschap van twee andere personen; ons gezin bestaat uit zes personen; een van gewicht; het kost een gulden per —; hij is de aangewezen -, daarvoor wordt hij het meest geschikt geacht; in eigen -, zelf;
3. iemands lichamelijk wezen: veiligheid van en goed; dat alles was in één verenigd; iemand ten opzichte van zijn uiterlijk: hij is groot, klein, knap, lelijk van —; met zijn verlegen zijn, niet weten hoe men zich zal gedragen, in gezelschap zich bewegen moet;
4. iemands individuele eigen(aardig)heid: er was iets achterdochtigs in zijn —; handelen zonder aanzien des persoons, zonder op rang of stand te letten;
5.(recht) menselijk wezen of lichaam (corporatie, vereniging enz.) met rechten en plichten die door de wet erkend worden; men onderscheidt natuurlijk —, ter aanwijzing van mensen, en rechtspersoon, van zaken; burgerlijk —;
6. (theologie) elk van de drie onderscheidingen of bestaanswijzen van het goddelijk wezen: Vader, Zoon en Heilige Geest, drie

personen en één God;

7. (spraakk.) de drie klassen van pers. vn. in overeenstemming met de werkwoordsvorm: het voornaamwoord van de eerste —, ik; vandaar ook voor elk van de vormen van het ww. die de verhouding uitdrukken tussen de spreker en het ond. van de werking: de eerste wanneer de spreker het ond. van de werking is; de tweede wanneer de aangesprokene het ond. is; de derde —, wanneer noch spreker, noch aangesprokene, maar een derde mens, dier, ding of begrip het ond. is.

(e) Persoon is de aanduiding van de mens in zijn onverwisselbaar eigensoortige individualiteit. In het begrip persoon ligt de voorstelling besloten van een bewust handelend en voor zijn daden verantwoordelijk wezen. →persoonlijkheid, →persoonlijkheidstheorie.

LITT. A.de Wilde, De persoon (1951); D.von Oppen, Das personale Zeitalter (1960); P.Lersch, Aufbau der Person (10e dr. 1968); B J.Kouwer (red.), Persoon en existentie (1977).