Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 24-06-2020

paus

betekenis & definitie

[→Gr. pappas, →Lat. papa, vader], m. (-en), 1. het hoofd van de Rooms-Katholieke Kerk (e): de wordt gekozen door een college van kardinalen; de — van Rome; in Rome geweest zijn en de — niet gezien hebben, het voornaamste gemist hebben;

2. iemand die anderen de wet voorschrijven wil: hij is een echte een despoot; ook: de van de anatomen, het onbestreden hoofd.

(e) De titel paus werd oorspronkelijk gebruikt in het Oosten voor patriarchen, bisschoppen en abten, sinds de 3e eeuw ook in het Westen, tenslotte uitsluitend voor de bisschop van Rome. Volgens de leer van de Rooms-Katholieke Kerk is de paus het zichtbare, door Christus als zijn plaatsvervanger aangestelde hoofd van de Kerk. Het eerste Vaticaans Concilie (1869-70) heeft als geloofsleer gedefinieerd dat de paus het persoonlijk charisma van de →onfeilbaarheid bezit, alsmede het primaat, d.w.z. de gewone, onmiddellijke en werkelijke bisschoppelijke jurisdictiemacht over allen en ieder afzonderlijk (daaruit volgt niet, dat de pauselijke macht de enige is in de Kerk, zodat de paus zonder bisschoppen zou kunnen regeren, of dat de bisschoppelijke macht slechts een uitvloeisel van de pauselijke macht is). De paus bezit de opperste wetgevende en rechterlijke macht. De laatste oefent hij uit door de Romeinse curie, de eerste door het bijeenroepen van een algemeen concilie of langs de weg van schriftelijk verkeer met de afzonderlijke bisschoppen. Met dit recht van de hoogste wetgeving hangt ook het recht van de dispensatie samen.

De paus wordt in het bestuur van de kerk bijgestaan door de curie. Behalve deze en andere rechten van jurisdictie bezit de paus nog een aantal ererechten. Zo is hij patriarch van het Westen (van de Westerse of Latijnse Kerk), primaat van Italië, aartsbisschopmetropolitaan van de Romeinse kerkprovincie en bisschop van Rome. Voorts was de paus tot 1870 vorst van de →Kerkelijke Staat. Na die tijd bleef hij vrijwel zonder grondgebied. Hij hield echter de rechten van soeverein vorst sinds de Lateraanse Verdragen van 1929, over Vaticaanstad.

Een teken van de pauselijke waardigheid was de tiara (door paus Paulus vi afgeschaft). Andere onderscheidingstekenen zijn: de witte toga, de rode pauselijke stola, de vissersring, een gouden ring waarop de beeltenis van de H. Petrus, in een scheepje met een net vissend (Matt.4,18); de ferula (kruisstaf), een breeduitlopend kruis op rechte staf (de paus gebruikt geen kromstaf). Voorst dienen nog vermeld: de sedia gestatoria (pauselijke draagstoel), de pauselijke troon en het pauselijk baldakijn (draaghemel). De pauselijke kathedraal is de patriarchale aartsbasiliek van Sint-Jan van Lateranen te Rome. →pauskeuze, →pauslijst, →sedisvacatie. litt. G.Schwaiger, Gesch. der Päpste im 20. Jahrh. (1968); K.O.von Aretin, The papacy and the modern world (1970); A.Franzen en R.Bäumer, Papstgeschichte (1974); G.Schwaiger, Konzil und Papst (1975); H J.Mund, Das Petrusamt in der gegenwärtigen Diskussion (1976).