Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 19-06-2020

Oude Testament

betekenis & definitie

(OT), christelijke benaming voor:

1. de heilsgeschiedenis van de schepping tot de komst van Christus;
2. de schriftelijke neerslag hiervan: de Hebreeuwse bijbel ofwel Tenach.

De term testament stamt uit de Latijnse vertaling door Hiëronymus van 2 Kor.3,14, waar het oorspronkelijke Griekse woord diatheke beter weergegeven kan worden met de term verbond. De benaming Oude Testament veronderstelt een later verbond, het Nieuwe Testament, waarin Jezus beleden wordt als de Messias in wie het Oude Testament zijn vervulling vond. De christenen zien het Oude Testament dan ook als de voorafschaduwing van het Nieuwe. →bijbel, →openbaring.

Het Oude Testament bestaat afgezien van de apocriefen uit 39 boeken in drie verzamelingen, nl. de Wet of Pentateuch (Torah), de Profeten (Nebiïm), en de Geschriften (Ketubim). Deze driedeling bestaat in alle Hebreeuwse uitgaven en is zeer oud, zoals blijkt uit de proloog van Jezus Sirach, die men in 132 v.C. geschreven acht. Latere vertalingen sluiten in indeling en volgorde van de bijbelboeken meer aan bij de Septuaginta, die een indeling maakt in ‘historische’, dichterlijke en profetische boeken. Oud ook is de indeling in parasjen (alinea’s), maar die in hoofdstukken is betrekkelijk jong en van christelijke oorsprong: men schrijft deze toe aan de Engelse theoloog Stephen Langton (♰1226). De versindeling dateert pas uit 1571.

INHOUD. Het thema van het Oude Testament is Jahwe’s verbond met het volk Israël. Het begint met Genesis of het boek der schepping, dat verhaalt hoe God de oorsprong is van al wat bestaat. Vanwege de zonde van de mens is het leed in de wereld gekomen en heeft God reeds eenmaal door het water de mens van de aarde verdelgd met uitzondering van Noach en zijn gezin. Uit Noachs zonen zijn de stammen voortgekomen die ten tijde van de schrijver het Nabije Oosten bevolkten. Uit deze volken kiest God Abraham uit om stamvader te worden van het uitverkoren volk.

Abrahams kleinzoon Jakob trekt met zijn twaalf zonen naar Egypte. Exodus of het boek van de uittocht verhaalt hoe de talrijk geworden nakomelingen van Jakob onder leiding van Mozes uit Egypte vluchten en door de woestijn naar de berg Sinaï gaan, waar zij door een verbond het volk van God worden en zich verplichten tot onderhouding van de Wet, waaraan ook de boeken Leviticus en Numeri zijn gewijd. Deuteronomium is een samenvatting van de Wet; het eindigt met de dood van Mozes aan de grens van het beloofde land. Het boek Jozua verhaalt de verovering van Palestina en de verdeling van het land onder de twaalf stammen. Rechteren geeft schetsen van de lotgevallen van Israël tijdens de eeuw die volgde op de verovering van Palestina. Daarna beschrijft 1 en 2 Samuel de instelling van het koningschap onder Saul en de organisatie van de staat door David. 1 Koningen 1 — 11 is gewijd aan de luister van Salomo’s regering, waarna de aftakeling begint met de splitsing in een noordelijk koninkrijk, waaraan in 722 v.C.

Assyrië een einde maakte, en een zuidelijk, dat in 586 door Babylonië ten val werd gebracht. Vanuit een typisch Judees en religieus-cultisch standpunt herhalen de Kronieken heel deze geschiedenis. In Ezra en Nehemia volgt het relaas van de restauratie van Juda na de ballingschap. De profetische boeken geven een beeld van het optreden en de boodschap der profeten. Daarnaast bevat het Oude Testament cultusliederen (Psalmen), wijsheidslitteratuur, die zich bezig houdt met levenskunst (Spreuken, Job en Prediker), het lied van de liefde (Hooglied), klaagzangen over de verwoesting van Jeruzalem (Klaagliederen), het verhaal over de oorsprong van het Purimfeest (Esther) en een idylle over de voorouders van David (Ruth). Zie voor verdere bijzonderheden onder de namen van de afzonderlijke boeken. LITTERAIRE GENRES.

Tot de oudste litteraire vormen van het Oude Testament behoren de wetten, die men kan onderscheiden in casuïstische en apodictische. De casuïstische wetten, die Israël gemeen heeft met Babylonië, Assyrië en het Hettitische Rijk, zijn codificaties van uitspraken gedaan in de poort van de stad waar men rechtsprak. De klassieke vorm van apodictische wetten vindt men in de Tien Geboden. Behalve wetten had het staatsbestel van Israël ook behoefte aan kadasterstukken, zoals grensbeschrijvingen en stedenlijsten (vergelijk Jozua). Vanzelfsprekend werden aan het hof de annalen van de koningen van Juda en Israël bijgehouden. Op deze annalen beroepen zich de schrijvers van Koningen en Kronieken; Nehemia legde zijn bestuur als gouverneur van Juda vast in memoires.

Meermalen worden brieven vermeld; in Jer.29 en Ezra 4 vlg. wordt de inhoud van twee brieven weergegeven. Het OT bevat veel verhalen, waarin men gemakkelijk het karakter van de oosterse verteller herkent met zijn levendige verbeeldingskracht, die zijn personen of hun handelingen verdubbelt, belangrijke woorden meermalen herhaalt en houdt van woordspeling enz. Hiertoe behoren ook de overleveringen, zoals die van Jakobs strijd aan de Jabbok of de ondergang van Sodoma en Gomorra, profetenen heiligdomslegenden of een novelle als die van Jozef in Dotan (Gen.37). Het OT kent twee fabels (Rechteren 9,18 en 2 Koningen

14,9). De historiografie is er opmerkelijk vertegenwoordigd door het verhaal van de troonopvolging

van David in 2 Samuel en 1 Koningen en door de (auto)biografische passages in de profetenboeken, m.n. Jeremia. Tot het genre poëzie behoren de Psalmen, Spreuken, Job, Prediker, Klaagliederen, Hooglied en de orakels van de profeten. De meeste poëtische composities zijn religieus van aard, als hymnen en dankliederen. Spreuken zijn de vorm die de priesters voor hun onderwijzing, de profeten voor hun orakels en de wijzen voor hun levenslessen kozen. Tenslotte bevat het OT ook profane poëzie: overwinningsliederen, oogst-, arbeids-, spoten liefdesliederen, lijkklachten enz. →Hebreeuwse litteratuur. TEKST EN VERTALINGEN. →bijbelvertaling, →masora. UITLEG EN KRITIEK. →exegese, →hermeneutiek, →inleidingswetenschap, →isagoge, →Elohist, →Jahwist, →ontmythologisering.

LITT. B.J.Roberts, The old testament text and versions (1951); P.Kahle, Die Hebr. Handschriften aus der Höhle (1951); E.Würthwein, Die Überlieferung der Bibel (1963); C.van Leeuwen en J.Schoneveld, Handboek bij de Bijbel I (1963); G.Fohrer, Das Alte Testament (1969); T.C.Vriezen en A.S. van der Woude, Litteratuur van Oud-Israël (1973): R.Smend, Die Entstehung des Alten Testaments (1977); L.H.Grollenberg, Nieuwe kijk op het oude boek (1977); M.J.Mulder en A.S.van der Woude, Bijbels Handboek 2 (1977); Het Oude Testament in zes Ned. vertalingen (3 dln. 1977).