Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 19-06-2020

oorlog

betekenis & definitie

m. (-en),

1. gewapende strijd tussen georganiseerde groepen (volken, staten): een verdedigende — ; ter zee, te land; de verklaren; toestand dat er zo’n strijd gaande is: het is — ; Koude Oorlog (naar Eng. cold war), toestand van vijandigheid zonder gevechtshandelingen; (concreet) een bepaalde dusdanige strijd: de Tachtigjarige Oorlog; troepen op voet van —, op volledige getalsterkte gebracht en uitgerust om de oorlog in te trekken;
2. de minister van Oorlog, die aan het hoofd van het Ministerie van Defensie staat; (fig.) vijandschap tussen twee personen: het is tussen ons; in met iemand leven;
3. economische strijd: alleen in samenst. als broodoorlog, prijzenoorlog.

(e) De historie telt vele oorlogen. Men heeft uitgerekend dat de mensheid in de haar bekende geschiedenis van 3400 jaar minder dan 234 jaren van vrede heeft gekend. Sinds 1945 vonden meer dan 25 internationale oorlogen (statenoorlogen) en meer dan 100 burgeroorlogen plaats, waarbij naar schatting meer mensen omkwamen dan in de Tweede Wereldoorlog. De vorm van de oorlog is in de loop der eeuwen ingrijpend veranderd, waarbij een ontwikkeling van beperkte naar totale oorlog kan worden waargenomen. In de 17e-18e eeuw werd voornamelijk gestreden door beroepslegers. De burgers, voorzover zij niet door oprukkende of terugtrekkende legers werden gemaltraiteerd, stonden buiten de oorlog.

Zij vochten niet mee, en mochten zich ook niet in de strijd mengen. Ze waren dan ook geen militair doel. Met de Franse Revolutie ontstonden de massale volkslegers die gedreven werden door de nationale gedachte. Men kan hier spreken van actieve democratisering van de oorlog. De industrialisering en de technologie verhoogden in de 19e eeuw de betekenis van de wapens: een ontwikkeling van bewapende manschappen naar bemande wapens. Hierdoor kreeg een aanval op de oorlogsindustrie en op de arbeiders die erin werkten militaire betekenis.

Vandaar het begrip passieve democratisering van de oorlog. Ook om andere redenen werd de burgerij hoe langer hoe meer als doelwit bij de oorlog betrokken. Allereerst werd het mogelijk door verdragend geschut, vliegtuigen en raketten de burgerij te treffen. Door de oorlogshandelingen tegen de burgerij te richten, kon de oorlog ondraaglijk worden gemaakt, zodat de bevolking haar regering zou dwingen tot capitulatie. Deze gedachte stamde uit de Amerikaanse Secessieoorlog (1861-65) en vond toepassing in de Tweede Wereldoorlog. Deze zgn. ‘coercive warfare’ (dwangoorlog) is één aspect van de zich ontwikkelende totale oorlog, de oorlog van volk tegen volk, waarbij het onderscheid tussen soldaat en burger wegvalt.

Een ander aspect van de totale oorlog is de ideologisering ervan: de ‘democratische’ oorlog verlangt een morele rechtvaardiging, wat op haar beurt weer leidt tot de eis van onvoorwaardelijke capitulatie. Onderzoek heeft echter uitgewezen dat door de strategie van coercive warfare eerder de onverzettelijkheid wordt aangewakkerd dan de neiging tot capitulatie voor een medogenloze tegenstander.

De ontwikkeling van de wapentechnologie in samenhang met de gewijzigde positie van de burgerij in de oorlog leidden ertoe dat het percentage burgers onder de slachtoffers in de oorlog toenam van 5—13 % in de Eerste Wereldoorlog tot 70-85 % in de Tweede Wereldoorlog. De technologische verfijning maakte de wapens ook zeer kostbaar. In de Eerste Wereldoorlog bedroegen de kosten per gedode vijand 21000 dollar, in de Tweede Wereldoorlog was dat meer dan 50000 dollar, in Vietnam ca. 200000 dollar. De belangrijkste technologische vernieuwingen hadden plaats na de Tweede Wereldoorlog; men spreekt van revoluties in de wapentechniek ten aanzien van explosieve kracht, reikwijdte, snelheid, en precisie. Vooral de ontwikkeling van →kernwapens heeft de betekenis en de functie van de oorlog fundamenteel gewijzigd. Vandaar het onderscheid tussen conventionele en nucleaire oorlogen.

De atoomwapens zijn duidelijk typen van ‘onbruikbare’ wapens als beide partijen erover beschikken. De technologische wapenontwikkeling heeft echter ook tot de ontwikkeling van ongekend grote conventionele wapenmachten geleid, die door de blokken in de Koude Oorlog, evenals door Israël en zijn Arabische buurlanden voor een groot deel in constante paraatheid worden gehouden. De bestaande overbewapening is een spanning en argwaan verhogende factor, een zelfstandige bron van oorlogsgevaar. Vandaar het streven naar wapenbeheersing en →ontwapening (wapenvermindering).

De functie van de oorlog is verschillend geweest naar tijd en plaats. Via oorlog bevochten zich volkeren de vrijheid en bereikten staten een leefbare en samenhangende eenheid. In de eeuwen van de Europese staatsvorming werd vrede gezien als factor van interne spanningen en zedelijk verval. Daarentegen werd oorlog beschouwd als samenbundelende factor en uitdrukking van staatsmacht. Het darwinisme, toegepast op volken, bevorderde de opvatting dat oorlog een goede zaak was, die de beste deed overleven. Beroemd is de definitie van oorlog die C.von →Clausewitz (1780-1831) gegeven heeft: oorlog is de voortzetting van de politiek met andere middelen.

Deze omschrijving kan nog steeds worden toegepast op beperkte oorlogen en zal b.v. gehanteerd worden door degenen die gewelddadig een eind aan het racisme willen maken. Oorlog tussen nucleaire mogendheden kan echter niet meer redelijkerwijs als een middel van politiek worden beschouwd. Een gewilde oorlog tussen deze machten heeft dan ook aan betekenis verloren. Het gevaar van een ongewilde oorlog, ontstaan door misverstand, misrekening of door →escalatie van een beperkt conflict blijft echter aanwezig.

LITT. J.F.C.Fuller, The conduct of war 1789-1961 (1961); J.U.Nef, Western civilization since the renaissance (1963); Q.Wright, A study of war (1964); T.Schelling, Arms and influence (1966); F. C.Spits, De metamorfose van de oorlog in de 18e en 19e eeuw (1971); R.Brodie, War and politics (1973); B.V.A.Röling, Polemologie (1973); B.V. A.Röling, Het wapenprobleem (1977).