Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 24-06-2020

omslag

betekenis & definitie

I. m. (g. mv.),

1. omstand, omhaal, drukte: niet veel (weinig, geen) maken voor iemand, niet veel bijzonders doen om het hem aangenaam te maken; niet veel maken met iemand of iets, er zonder complimenten mee handelen, er korte metten mee maken; met weinig of zonder ,zonder meer drukte te maken dan vereist wordt, (ook) zonder complimenten, zonder zich door beschroomdheid te laten weerhouden, kort en goed;
2. wijdlopigheid, breedvoerigheid van behandeling, omhaal van woorden: wat baat een van bewijzen, wanneer men slechts zijn ogen behoeft te geloven?; zonder zonder omhaal van woorden, kort en bondig;
3. het veranderen in iets tegengestelds: de plotselinge van het weer; een in hun gezindheid;

II. m./o. (-en),

1. (werktuigkunde) zwengel, kruk van een boor, ook van een slijpsteen;
2. (heelkunde) doek, om een ziek lichaamsdeel geslagen, kompres;
3. omgebogen of overgeslagen rand of boord van een voorwerp: een zilveren schaal met brede —; (ook opslag, overslag) boord of rand, gewoonlijk van verschillende stof of kleur, of met borduurwerk voorzien, aan de hals, de mouwen enz. van kledingstukken bevestigd en bestemd om omgeslagen of omgevouwen te worden: een witte jurk met rode omslagen;
4. (ook: kaft, stofomslag) papieren bekleedsel van een boek, bedrukt met titel enz.;
5. papieren bekleedsel waarin brieven enz. worden gesloten, couvert;

III. m.

1. (abstract) het omslaan: de van de averij-grosse;
2. (-en), (concreet) wat omgeslagen wordt; belasting naar rato van hun bezittingen, vermogens of inkomsten over Je belastingschulden verdeeld: de invordering van de der polderlasten.