Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 13-12-2021

Nijmegen

betekenis & definitie

Ned. gemeente in de prov. Gelderland, aan de Waal, 42,56 km2, 148 000 inw., 77 % r.k., 9 % n.h.

De bodem bestaat in het westen (landelijk gebied) uit zware rivierklei, in het zuiden en oosten uit diluviaal zand, deel uitmakend van de stuwwal tussen Nijmegen en Wijler aan de Duitse grens. Deze gedeelten zijn vrij sterk geaccidenteerd met hoogten tot ca. 80 m en, voorzover onbebouwd, nog bedekt met bos en heide (bijna 10 % van de oppervlakte). Behalve de stad Nijmegen omvat de stadsuitbreiding enkele vm. dorpen, Brakkenstein, Hees, Hatert en Sint-Anna. De tewerkstelling ligt voor 1 % in de landbouw, 35 % in de industrie, 25 % in de economische en 28 % in de sociale diensten. De industrie produceert chemische artikelen, confectie, schoenen, hijswerktuigen, elektrische en gasapparaten, schrijfmachines, zeep, voedingsmiddelen, kleding, papier, rekenmachines, transistors, gloeilampen en stalen ramen; verder zijn er drukkerijen en een elektrische centrale. Er is een groot industrieterrein aan het Maas-Waalkanaal. Nijmegen staat vier dagen per jaar in het teken van de Nijmeegse Vierdaagse, die internationale vermaardheid geniet.In 1944 is het stadscentrum door oorlogshandelingen nagenoeg geheel verwoest. De zorgvuldig ge restaureerde oude gebouwen (stadhuis, Sint-Stevenskerk) de sfeervolle en stedebouwkundig verantwoorde opbouw van het nieuwe centrum met als centraal punt het Plein 1944, en de aanwezigheid van de in 1923 gestichte en zich snel uitbreidende Keizer Karel-universiteit (15 400 studenten, 1978) doen echter de oude wonden vergeten.

Nijmegen telt vele oude gebouwen en bezienswaardigheden: het Valkhof (alleen nog de Karolingische kapel en de laatromaanse, 12e-eeuwse Barbarossakapel), overblijfselen van de oude 15e-eeuwse vesting: de Kronenburgertoren, de in 1646 verbouwde Belvédère en een deel van de oude stadsmuur; het grotendeels 16e-eeuwse gerestaureerde renaissancestadhuis; het waaggebouw (1612), eveneens in renaissancestijl, de Kerkboog, een 16eeeuwse verbouwde doorgang van Markt naar Stevenskerkhof met daarnaast enige Vlaamse gevels uit dezelfde tijd (o.a. de lakenhal); de Sint-Stevenskerk (oorspronkelijk tufsteen ca.1270, in de 14e—15e eeuw verbouwd in gotische stijl, thans gerestaureerd); de 15e-eeuwse gotische kapel van het vm. klooster Marienburg, thans gemeentearchief en museum; de 16e-eeuwse apostolische of Latijnse school, een overgang van gotiek naar renaissance, een aantal 16e—17e-eeuwse woonhuisgevels, o.a. het laatgotische Besiendershuis; het rijksmuseum G.M.Kam (met Romeinse vondsten); opgravingen brengen steeds duidelijker resten van de vroegere Romeinse vestiging.

GESCHIEDENIS

Nijmegen bestond reeds als voor-Romeinse nederzetting en werd de belangrijkste Romeinse legerplaats in Nederland. Uit het begin van de 1e eeuw kennen we enkele grafvelden en restanten van nederzettingen, waarschijnlijk van de door Tacitus genoemde Batavodorum en Oppidum Batavorum. Bij het vaststellen van de limes aan de Rijn door keizer Claudius (41—54) werd Nijmegen grensstad van het Rijk. Na de opstand van de Bataven (70) werden op de Hunerberg de grote castra aangelegd, waar tot ca.105 het Legio x Gemina gelegerd is geweest. Bij dit kamp moet een nederzetting geweest zijn. Daarnaast ontstond in de laagvlakte een burgerlijk centrum, dat onder de naam Civitas Ulpia Noviomagus tot stad verheven werd (Ulpia naar de familienaam van keizer Traianus, 98—117).

Na het terugtrekken van de Romeinen midden 3e eeuw werd deze stad verlaten en vestigde men zich weer op de heuvelrug. In de 7e eeuw ontstond er een Frankische nederzetting. Karel de Grote had hier een palts die later door keizer Frederik Barbarossa werd verbouwd. Daarbij ontwikkelde zich een handelscentrum. In 821, 830, 837, 838 en 1018 werden te Nijmegen rijksdagen gehouden. Nijmegen kreeg in 1230 Akens stadsrecht, werd vrije rijksstad en kwam in 1248 aan de graven van Gelre.

Nijmegen kreeg in de 13e eeuw enige nijverheid, die vooral afzet verwierf in het Maasen Rijngebied. Daarnaast was de stad een belangrijk handelscentrum, waar overlading van goederen in het Rijnverkeer plaats vond. Nijmegen was een volberechtigde Hanzestad en was als zodanig reeds in de 14e eeuw betrokken bij de Oostzeehandel. In de eerste helft van de 15e eeuw wist Nijmegen, door interne twisten in Gelre, zijn positie te verstevigen. In de laatste decennia van die eeuw had Nijmegen veel te lijden onder de strijd tussen Gelre en Bourgondië. In 1585 viel Nijmegen in Spaanse handen.

In 1591 heroverde prins Maurits de stad. Hij kreeg toen het recht de stedelijke overheid te benoemen zo lang de oorlog duurde, welk recht na de dood van Willem II (1650) werd ingetrokken. Nijmegen had in 1672—74 Franse bezetting. In de 18e eeuw werd Nijmegen verscheurd door interne twisten tussen de zgn. Oude en Nieuwe Plooi (Plooierij) en later tussen patriotten en prinsgezinden. Stadhouder Willem V vestigde zich hier in de jaren 1786—87.

Nijmegen had begin 19e eeuw 20 000 inw. In 1923 werd hier de Katholieke Universiteit gesticht. Tijdens de Tweede Wereldoorlog leed Nijmegen zeer zware schade. Een deel van de stad werd al op 22.2.1944 verwoest bij een geallieerd bombardement. Bij de geallieerde poging de overgangen over Maas, Waal en Rijn in handen te krijgen, werd Nijmegen op 21.9.1944 veroverd, waarbij de Duitsers grote stadsdelen in brand staken. Daarna bleef de stad nog maandenlang onder Duits granaatvuur liggen.

Hierdoor werd Nijmegen een van de zwaarst getroffen Ned. steden.

LITT: Tijdschrift Numaga (sedert 1954); A.Lammerts van Bueren, De verwoesting van een oude keizersstad (1946); R.J.Kolman, De reductie van Nijmegen 1591 (1952); M.P.Daniels, Noviomagus, Rom. Nijmegen (1955); H.Brunsting, 400 jaar Rom. bezetting van Nijmegen (1969); M.G.M. Brinkhoff, Nijmegen, vroeger en nu (1971); H.J.J. Hendriks, M.J.Steenkamer en A.G.Mustert, Nijmegen onder raadpensionaris, koning, keizer en souvereine vorst (1971); Nijmeegse studiën (4 dln. 1973).