Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 29-09-2020

2020-09-29

nemen

betekenis & definitie

(nam, heeft genomen),

1. (iets of iemand) aanvatten, beetpakken: neem jij dit eind in je hand; neem uw pen en schrijf; hij had een boek voor zich genomen en deed alsof hij las; iemand bij de kraag —; een kind op de arm —;
2. in fig. uitdrukking waarin nemen zelf echter niet in bijzondere of afgeleide betekenis moet worden opgevat: iemand bij de hand —; iets ter hand —; de benen —, op de vlucht gaan; in aanmerking, in acht, te baat, in behandeling, in beslag, in bezit, in gebruik, ter harte, op zijn lippen, in ogenschouw, in overweging, voor zijn rekening, op zijn verantwoording —; op zich —, zich met iets belasten; iemand bij zich —, onder zijn hoede of in zijn huis; in acht, in vertrouwen —; iemand ertussen —, hem voor de gek houden, beetnemen; abs.: ze proberen daar altijd je te —; ik voel me lelijk genomen; in vaste uitdrukkingen met een zn. als voorwerp: aandeel aan of in iets —; een aanvang, afscheid, een besluit ―; deel — aan of in iets (thans aaneengeschreven); genoegen — met iets; het er (goed) van —, zich te goed doen, veel verteren; zijn intrek, kennis, een kijkje, maatregelen, nota (van iets of iemand), plaats, rust, zijn toevlucht, een wending, de wijk, het woord, wraak — enz.;
3. nuttigen, gebruiken: een kop koffie, een borrel, poeiers ―; met betrekking tot andere organen: wind —, van dieren: snuiven om aard en richting van de wind na te gaan;
4.zich van iets of iemand bedienen tot een bepaald doel: iemand tot getuige ―; voor dit werk moet je dunne verf —; met neme ..., gewone aanwijzing in kookboeken; van vervoermiddelen: de tram, een taxi —;
5. op zijn weg een punt aandoen of langs iets gaan: (sport) een hindernis —; hij heeft die bocht niet goed genomen;
6. zich aanschaffen of verschaffen: melk―; kaartjes —; les―, naar een bepaald model: een foto ―, vandaar bij overdracht voor fotograferen: hij is van terzijde genomen; iemand in dienst —; iemand tot vrouw (man)―,trouwen;
7. aanvaarden, aannemen wat geboden wordt: ― wat je krijgen kunt; weten te geven en te —; iemand (iets) — zoals hij (het) is, er genoegen mee nemen, hem (het) aanvaarden met alle gebreken, karakterfouten enz.; met nadruk: dat neem ik niet, dat accepteer ik niet, dat is beneden mijn waardigheid enz.;
8. zo opvatten als een bep. aanduidt: iets voor lief, voor aangenaam, voor wat het is —; iets kwalijk —; iets nauw — ;
9. onderstellen, aannemen: neem nu dat het waar is wat hij zegt;
10. berekenen, ramen: op zijn minst genomen bedraagt zijn inkomen f 50000;
11. een bezitter iets tegen zijn zin doen verliezen: iemand het leven —; in de oorlog, in een gevecht overmeesteren: de stad is genomen;
12. (gew.) iemand voor een vreemdeling —, houden.