Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 13-12-2021

negenoog

betekenis & definitie

v./m. (-ogen),

1. prik;
2. (ook: karbonkel), carbunculus, goedaardige of kwaadaardige steenpuist omgeven door andere steenpuisten die ineenvloeien.

GENEESKUNDE

Een negenoog is een huidaandoening waarbij een ophoping van vaak etterige puisten is waar te nemen als een rode verdikking. De negenoog gaat uit van een haarvat of talgklier, en tast zelfs het onderhuids bindweefsel aan; komt m.n. voor in de nek en op de rug.

Negenogen zijn te onderscheiden in goedaardige en kwaadaardige. De goedaardige negenoog kan ontstaan door samenvloeien van dicht bijeen gelegen furunkels (steenpuist) of doordat bij een furunkel weefselversterf in het dieper gelegen onderhuidse bindweefsel ontstaat. De negenoog begint met een roodblauwe verkleuring van de huid, gepaard gaande met een vaste pijnlijke zwelling. Hierbij bestaan koorts en een algemeen gevoel van ziek zijn, terwijl dikwijls lymfknoopzwelling optreedt. Na 4—5 dagen treedt de centrale verweking op, waarna op verscheidene plaatsen etterproppen worden uitgestoten (‘negenoog’). Hierna volgt genezing met vorming van litteken.

Bij de behandeling kan men antibiotica gebruiken, terwijl het niet zelden nodig is door insnijdingen de etterafvoer te vergemakkelijken. Kwaadaardige negenogen komen voor bij miltvuur.