Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 24-06-2020

2020-06-24

mens

betekenis & definitie

m./o. (-en),

1. het hoogst begaafde wezen op aarde, in biologische zin tot de klasse van de zoogdieren behorende (e); een jong, volwassen, oud —; de grote mensen, de volwassenen; de mensen, zij die de maatschappij vormen: hij bekommert zich niet om het oordeel van de mensen; persoon, iemand, ook in toepassing op de spreker zelf: dat doet een goed; een — zijn lust is een — zijn leven; geen —, geen — ter wereld, niemand; ik ben geen half — meer, ik ben op van vermoeidheid, ik kan niet meer; geen meer zijn, niets menselijks meer hebben, ten gevolge van ziekte, spanningen enz.; de — wikt, maar God beschikt; men ziet er God noch goed —, men ziet er niemand; een — is geen steen, (ook) geen stokvis, geen snijboon, geen puthaak, heeft gevoel, of: wil wel eens een verzetje; als zedelijk wezen: Diogenes ging met zijn lamp op zoek naar mensen; brave mensen; een edel —; het dierlijke in de —; met het oog op de onvolkomenheid, zwakheid enz. in tegenst. tot God of een ideaal: ik ben maar een — van vlees en bloed; ik ben een en niets menselijks is mij vreemd; hij kan natuurlijk dwalen: hij is ook maar een —; (theologie) de oude —, de aangeboren natuur; de oude — afleggen, uitdoen, zijn zonden afleggen, zijn leven beteren; (christendom) de nieuwe —, die door Gods genade is wedergeboren; de inwendige— , de geest; (scherts.) de inwendige — versterken, eten;
2. in het mv., beschouwd als gezellig wezen, als lid van de maatschappij of van een bepaalde kring (e): mensen zien, niet afgezonderd leven, bezoeken afleggen, gasten vragen; onder de mensen gaan, deel gaan uitmaken van de maatschappij; onder de mensen komen, uitgaan, aan het sociaal

verkeer deelnemen; mensen wachten, bezoek, visite; (gew.) dat kost stukken van mensen, hopen geld, fantastisch veel;

3. persoon die een taak voor anderen vervult: daar heeft hij zijn mensen voor;
4. (alleen o.) individu (veelal in medelijdende of minachtende zin, vooral van vrouwen): het arme is doodziek; met dat — wil ik niets te maken hebben; ook als aanspreekvorm: —!, pas toch op!; — toch!, uitroep van verbazing of medelijden.

(e) BIOLOGIE. De mens, Homo sapiens sapiens, biosystematisch een ondersoort van het geslacht →Homo, wordt gerekend tot de klasse zoogdieren (familie Hominidae). De oudste vondsten uit Europa verschillen van vindplaats tot vindplaats zo weinig dat de gehele groep wel wordt samengevat onder de naam Cro-Magnon mens. Maar ook buiten Europa (Azië, Australië, Amerika en Afrika) zijn skeleten cultuurresten van fossiele H. sapiens sapiens gevonden.

De mens onderscheidt zich in het bijzonder door rechtop te kunnen staan en gaan met gestrekte rug en knieën, de voeten plat op de grond, de armen vrij en voorzien van handen. De hersenschedel domineert over de kleine gezichtsschedel, die gekenmerkt is door betrekkelijk kleine kaken met een gesloten tandenrij, zonder uitstekende hoektanden. De grote hersenschedel bevat de structureel en functioneel hoogst ontwikkelde hersenen van alle organismen. Het hart rust op het middenrif. Veel apen, m.n. gibbon, chimpansee en gorilla, kunnen eveneens rechtop staan en gaan, maar zij doen dit met min of meer gebogen rug en knieën, en slechts voor korte tijd. Alleen de mens is in staat zich zonder moeite en voor zeer lange tijd in opgerichte houding voort te bewegen.

Hierdoor is het gebruik van de handen op een heel andere wijze dan bij de overige primaten mogelijk. Dit is een zeer wezenlijke stap in de evolutie geweest.

De mens onderscheidt zich ook van de overige soorten uit het dierenrijk door geestelijke functies en activiteiten. De stembandmusculatuur is, anders dan bij de overige primaten, sterk ontwikkeld. Het doelbewust uitzoeken en vervaardigen van werktuigen, zowel als het gebruik van vuur, zijn een exclusief menselijk kenmerk. In kunst en architectuur manifesteert zich een vermogen tot abstractie, dat ook blijk geeft van besef van de dood. Het zijn juist aanwijzingen hierover (vuurgebruik bij de Pekingmens; begrafenisritueel bij Neanderthalers), die, behalve aanwijzingen over een menselijk gebit en een opgerichte houding, bepalen of fossiele vondsten tot het geslacht Homo gerekend kunnen worden.

De eigenschap zich te kunnen aanpassen aan de meest wisselende omstandigheden, heeft het mogelijk gemaakt dat de mens zich over vrijwel alle delen van de aarde heeft verspreid en gehandhaafd. De thans levende mensen behoren allen tot dezelfde ondersoort, H. sapiens sapiens. Deze recente vorm evolueerde uit andere, thans uitgestorven soorten, die vanaf de periode van de ijstijden geleefd hebben (→antropogenese). FILOSOFIE. →-antropologie. PSYCHOLOGIE. In de geschiedenis van de psychologie zijn veel verschillende opvattingen met betrekking tot de mens aan te wijzen. Evenmin als men kan spreken over de psychologie, kan men spreken over het mensbeeld van de psychologie; aan elke school of richting ligt een bepaald mensbeeld, een bepaalde conceptie van de aard van de mens ten grondslag, al wordt deze conceptie lang niet altijd expliciet gemaakt. Zo treft men stromingen aan waarin de mens als een soort (complexe) machine wordt gezien, en het menselijk gedrag als geheel opgebouwd uit prikkel-reactie-sequenties, naast stromingen waarin overeenkomsten tussen menselijk en dierlijk gedrag centraal worden gesteld, of richtingen waarin benadrukt wordt hoezeer de mens door sociale invloeden wordt gevormd.

Voor de 20eeeuwse psychologie zijn vooral de mensopvattingen die samenhangen met het →behaviorisme en met de →psychoanalyse van betekenis geweest. Vooral deze laatste heeft in het algemeen een grote invloed gehad op het beeld dat de mens van zichzelf heeft, in die zin dat zij als het ware een Copernicaanse revolutie in dit beeld voltrok door vernietiging van de illusie dat de mens meester is van zijn denken en handelen, →humanistische psychologie, →psychologie. [dr.J.Peeck]. SOCIOLOGIE. Het meest elementaire sociologische feit omtrent de mens is, dat de mens in het enkelvoud irreëel is. Mensen leven in meervoud: het samenleven is voor hen een noodzakelijke bestaansconditie. Zelfs de sporadische kluizenaar heeft een voorgeschiedenis, waarin hij met andere mensen samenleefde en van andere mensen afhankelijk was. Het behoort tot de genetische uitrusting van de mens dat hij gericht is op het samenleven met anderen.

Anders dan bij lagere dieren ligt de levenswijze van mensen niet reeds in grote lijnen genetisch vast. Mensen zijn voor de inrichting van hun leven in hoge mate aangewezen op hun leervermogen. Dit leervermogen wordt vooral ontwikkeld in het sociale verkeer; verreweg het meeste dat een mens in zijn leven leert, leert hij van anderen. De levenswijze van mensen wordt derhalve sterk bepaald door de geaccumuleerde leerervaringen van vele opeenvolgende generaties.

De wijze waarop de individuele persoonlijkheid van een mens zich zal ontplooien, is in hoge mate afhankelijk van de typische samenlevingsvormen die zich in zijn maatschappij ontwikkeld hebben. Deze sociologische visie op de mens dateert uit de 19e eeuw. Zij staat centraal in de sociologische traditie, zoals deze is beschreven door R.Nisbet. Men vindt haar bij A.Comte, A.de Tocqueville, K.Marx, e.a. grondleggers van het sociologisch denken. Ze is het meest stringent uitgewerkt door E.→Durkheim. Het bekendst is Durkheims studie over zelfmoord, met als thema: of het individu zijn eigen leven beëindigt, hangt af van de sociale bindingen die zijn samenleving hem biedt.

Waar een toestand van →anomie heerst, biedt de samenleving niet langer een moreel referentiekader, waardoor er geen sociale rem meer ligt op de individuele hartstochten. Een anomische samenleving maakt anomische individuen.

De samenlevingsverbanden moeten niet bezien worden als factoren die buiten de mens staan. De samenleving bestaat uit de individuen die haar vormen. Deze individuen echter zijn slechts wie zij zijn doordat zij zijn opgegroeid en al hun huidige bestaanskansen vinden in deze samenleving, die op haar beurt geworden is tot wat zij is in een lange historische ontwikkeling. Men vindt in de moderne sociologie deze visie het meest consequent uitgewerkt bij N.Elias. LITT. E.Durkheim, Le suicide (1897); C.W.Mills, Image of man (1960); G.C.Homans, Social behavior (1961); D.H.Wrong, The oversocialized conception of man (American Sociol. Review, 1961); R.Dahrendorf, Homo sociologicus (3e dr. 1964); T.

Parsons, Social structure and personality (1964); H. Marcuse, One-dimensional man (1964); R.Nisbet, The sociological tradition (1966); I.Tiger, Men in groups (1969); N.Elias, Was ist Soziologie? (1970; Ned. vert. 1971); J.Goudsblom, Balans van de sociologie (1974). THEOLOGIE. →antropologie. HERALDIEK. Als wapenembleem komt de menselijke figuur (man en vrouw) regelmatig voor. De gebruikelijke voorstelling is in front; een andere stand wordt in de wapenbeschrijving afzonderlijk vermeld. Behalve als naakt komt de menselijke figuur meestal in een bepaalde modestijl gekleed voor; een mannelijke figuur is vaak geharnast of geüniformeerd. In de 18e en 19e eeuw hebben wapentekenaars dikwijls de mens de gelaatstrekken gegeven van de wapenvoerder, vooral als een man en/of vrouw als schildhouder fungeren. Ook de vermenselijkte gestalten van goden, geesten en symbolen komen voor: in Frankrijk, dat geen rijkswapen kent, wordt vaak een Marianne-figuur de profil in een wapenschild geplaatst. →Moor.