Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 24-06-2020

man

betekenis & definitie

m. (-nen),

1. volwassen mens van het mannelijk geslacht; hij is een eenvoudig, eerlijk -; een van eer, van karakter; een van zijn woord, die zich aan zijn woord houdt; (in het mv.) lieden: de mannen van het vak; geleerde mannen; een — van de dag, iemand wiens dagen geteld zijn, m.n. een hoogbejaarde; hij is er de niet naar, het ligt niet in zijn aard; al of niet met nadere bepaling ter aanduiding van een persoon die reeds genoemd is: ‘s mans parlementaire loopbaan; — en paard noemen (d.i. het paard en de ruiter), niets verzwijgen; als vocatief: kom, mannen, aan het werk!, mannen broeders!, ja —, zo gaat het; (zegsw.) een een -, een woord een woord, men moet zijn belofte (afspraak, verbintenis) nakomen; kom, wees een -, toon dat je een — bent, wees niet kinderachtig, houd je flink; hij is mans genoeg, sterk, krachtig, flink, moedig, ondernemend genoeg; hij is wat mans, durft veel;
2. echtgenoot: — en vrouw; zij heeft geen — meer, zij is weduwe; ook man die een vrouw als echtgenoot zou willen hebben: devan haar hart, van haar keus e.d.; aan de — komen, trouwen; aan de — brengen, een meisje aan een man koppelen; (fig.) kopers voor iets vinden;
3. mens, zonder onderscheid van geslacht: wij missen een vierde —, bij een of ander spel; op de af, rechtstreeks, zonder omwegen; als de nood aan de — is (komt), als het volstrekt nodig is; de gaande en komende —, de gaanden en komenden; — voor —, een voor een; zij kregen een gulden per of de -, per hoofd;
4. iemand die behoort tot een bemanning, een leger enz. (in deze betekenis onverbogen): een paar — van de politie; een bezetting van tweeduizend —; met — en muis vergaan (van een schip), schipbreuk lijden zonder dat iets of iemand gered wordt; (zeevaart) — te roer!, commando om de roerganger te vervangen; zijn —, degeen tegen wie men moet vechten,tegenstander, ook in ruimer gebruik: hij kan zijn staan, hij is tegen moeilijkheden, tegenstanders opgewassen;
5. deskundige (m.n. in samenst.): een onderwijsman; hij is de — voor dit klusje; hij zal zijn — wel vinden, iemand die hem aandurft;
6. beroepspersoon (alleen in samenst.), m. (-lui, -lieden): timmerman, staatsman, marineman, spoorwegman, vakman enz.