Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 24-06-2020

2020-06-24

maken

betekenis & definitie

(maakte, heeft gemaakt), iets in een bep. of vereiste toestand brengen: een pak — ; (biljart) een bal —, een bal van een ander door zijn eigen bal in een zak stoten; (vandaar) je bent gemaakt, de sigaar; een bankbiljet klein —, tegen klein geld inwisselen; afhandig, los, vol — enz.; het huis in orde — ; met het als voorwerp: maak het kort, zeg gauw wat je te zeggen hebt; hij zal het niet lang meer — , hij zal spoedig sterven; het goed —, gezond zijn; hoe maakt u het?, gewone begroetingsformule; iets dat kapot, gebroken is, herstellen: wat je breekt moet je laten —; deze schoenen kunnen niet meer gemaakt worden; hij kan hem — en breken, hij is veel sterker; (iemand) in een bepaalde toestand of positie brengen: iemand voorzitter — ; hij heeft hem deelgenoot gemaakt van zijn geheim; met een bn.: blind, dood, klein —; iemand het hoofd warm —; een misdadiger een hoofd kleiner —; je zult mij dat waar —, met bewijzen staven; voorstellen, afschilderen: iets groter —, vergroten; iemand belachelijk — ; hij is zo slecht niet als de mensen hem — ; hij tracht hem zwart te —, in een ongunstig licht te stellen, door allerlei kwaad van hem te zeggen; iemand aan het lachen, schreien —; in wederk. uitdrukkingen: zich uit de voeten —; zich van kant —; zich gehaat, bemind — ;

scheppen, voortbrengen uit het niet: God maakte de mens naar zijn beeld; (in iets zwakker opvatting) de veroorzaker zijn van het genoemde: zijn woord is daad, het maakt geschiedenis; (van planten en dieren) voortbrengen, geboren laten worden: de bomen — reeds botten; (plat) een kind —, verwekken; vervaardigen: schoenen, kleren —; samen— stellen: wetten, een testament — ; een opstel, een thema —; als kunstwerk tot stand brengen, scheppen: deze schilder heeft enkele mooie stukken gemaakt; gedichten —; veel werk van iets —; zó handelen dat daardoor iets wordt opgeleverd of verkregen: een slag — (bij het kaartspel); (met geld als voorwerp) hij maakt jaarlijks duizenden guldens; (scheepvaart) het schip werd lek en maakte veel water, kreeg veel water binnen; het als object genoemde uitvoeren, verrichten, tot stand brengen, doen plaats hebben: hij maakte een breed gebaar; lawaai —; een scène —; visites —; een reis, een uitstapje —; zo maak je een hele omweg; zijn opwachting —; hij kan mij niets —, hij kan mij niet schaden; je hebt daar niets te —, je moet daar niet komen; je hebt er niets mee te —, het gaat je niets aan; hoe zal hij het met mij —, hoe zal hij mij behandelen, (ook) belonen; dat maakt niets (uit), geeft niet(s); dat maakt dat ik niets kan doen, daardoor kan ik niets doen; het iemand lastig, moeilijk, onmogelijk —; hij heeft het ernaar gemaakt, hij heeft zo gehandeld, is zo opgetreden, dat die straf, die bejegening geheel verdiend is; (angl.) het helemaal —, slagen, succes hebben; dat kun je niet —, het is absoluut onaanvaardbaar als je zo iets doet; (van hoeveelheden) zoveel bedragen, belopen, uitmaken als het voorwerp aanduidt: acht en tien maakt achttien; veel kleintjes — een groot(e); een bepaalde snelheid aanhouden: het schip maakt 18 knopen; datgene doen zijn wat het voorwerp aanduidt: de kleren — de man; (spreekt.) veroorzaken: het heeft lang geregend en dat maakt dat het land zo drassig is; (volkst.) maak het nou!, loop heen!, ga door!