Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 13-12-2021

maatschappij

betekenis & definitie

v. (-en),

1. vereniging van personen tot een onderneming van handel, nijverheid enz.:

van levensverzekering; een maatschappij op aandelen;

2. vereniging tot het beoefenen van wetenschap, kunst of letterkunde;
3. (gew.) vereniging, m.n. van vakgenoten: vele maatschappijen namen deel aan de optocht;
4. samenleving, de wereld, omgang en verkeer van de mensen: de orde van de verstoren.

Het begrip maatschappij in zijn algemeenheid drukt vooral het organisatorische aspect uit van het samenleven van mensen in grotere verbanden dan die van de eigen familie of woonplaats (b.v. westerse maatschappij). Het veronderstelt dat dit samenleven door de deelnemers op bepaalde eisen afgestemd en via overleg en macht van een bepaalde structuur voorzien kan worden; maatschappij dus als maatschappelijke organisatie. Dit impliciete ontwerpaspect houdt geen onbeperkte plasticiteit in, evenmin als een ideale verwezenlijkingsmogelijkheid. Integendeel, de realiteit is altijd de uitkomst van een geheel van samenvallende en botsende verwachtingen, normen, premissen, historische constellaties en natuurlijke mogelijkheden, dat wordt gekenmerkt door een subtiel evenwicht van machtsverhoudingen en een complexe samenhang van functies.

Het opkomen, verdwijnen en veranderen van maatschappijvormen is dan ook een constant aanwezig verschijnsel in de sociale geschiedenis. Reeksen benamingen geven dit proces weer, benevens de bontheid aan zienswijzen die hierop betrekking heeft, b.v. het agrarisch-feodale maatschappijtype, het agrarisch-ambachtelijke, de primitieve maatschappij, de kapitalistische, de burgerlijke, de middeleeuwse, de theocratische, de communistische, de industriële. Dit zijn benamingen die slechts zeer onvolledig de situatie karakteriseren en vanuit velerlei gezichtspunten telkens weer kunnen worden aangevochten.

Aan de moderne maatschappelijke organisatie worden zeer hoge eisen gesteld, waardoor haar verschijningsvorm bijzonder gecompliceerd en onoverzichtelijk is, hetgeen mede de opkomst van de sociologie (= maatschappijleer) heeft bewerkstelligd. In zoverre er een streeftendens valt te constateren, wordt deze bij alle uiteenlopendheid van verdere inhoudsverlening weergegeven door de benaming welzijnsmaatschappij (verzorgingsstaat, welfarestate).

Vanwege het verlangen om de vormgeving van de maatschappij bewust en op korte termijn te beïnvloeden ontstaan als reactie op complexiteit en onoverzichtelijkheid telkens ook neigingen tot simplificatie van de voorstelling van de maatschappelijke organisatie. Aldus kan men betekenis en effect van de utopieën opvatten. Termen als het maatschappelijk systeem, de maatschappijstructuur kunnen als zodanig fungeren wanneer ze, zonder de relativering en voorzichtigheid die geboden zijn door hun karakter van metafoor, worden gehanteerd bij analyse en begrip van de moderne maatschappij.

LITT. R.M.MacIver en C.H.Page, Society (1931; 2e dr. 1967); H.Freyer, Theorie des gegenwartigen Zeitalters (1955; Ned. vert. Mens en massa in deze tijd, 1958); F.Polak, De toekomst is verleden tijd; P.Thoenes, De elite in de verzorgingsstaat (1962); T.Parsons, Societies. Evolutionary and comparative perspectives (1964); L.Turksma, Socioloog en geschiedenis (1969); A.W. Gouldner, The coming crisis of western sociology (1971); P. Sztompka, System and function. Towards a theory of society (1974).