Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 13-12-2021

Leiden

betekenis & definitie

gemeente Ned. gemeente in de prov. Zuid-Holland, aan de Oude Rijn, 23,13 km2, 101520 inw.; 27 % r.k., 30 % n.h., 8 % geref., 3 % overige en 32 % g. kerkg.

In Leiden is de industrie sterk ontwikkeld. Lange tijd is de textielnijverheid de voornaamste tak van industrie geweest. De metaalnijverheid met grofsmederij, constructie werkplaatsen, machineen apparatenbouw en fijnmechanische bedrijven heeft de leidende positie van de textielnijverheid overgenomen. Daarnaast zijn er grafische industrieën, confectie-ateliers en betonfabrieken.Aan de universiteit zijn tal van instituten verbonden, o.a. het academisch ziekenhuis, de Hortus Botanicus, Rijksmuseum voor Oudheden, Rijksmuseum voor Volkenkunde (rijk aan Aziatische voorwerpen), Rijksmuseum voor de Geschiedenis der Natuurwetenschappen (met het oudste slingeruurwerk ter wereld). Er zijn vele middelbare en technische scholen.

In de oude stad is na de Tweede Wereldoorlog veel afgebroken, maar toch bezit Leiden tal van historische gebouwen en bezienswaardigheden: o.a. het stadhuis (met 16e-eeuwse gevel); de Burcht (oorspronkelijk 9e eeuw met een 12e-eeuwse ringmuur en een 15e-eeuwse waltoren); de Zijlpoort en Morschpoort (17e eeuw); de Pieterskerk (laatgotische kruisbasiliek zonder toren); de onvoltooide Sint-Pancraskerk, de Marekerk (17e-eeuwse renaissancekerk); de Lodewijkskerk (oorspronkelijk kapel van het Sint-Jacobsgasthuis); het Gravensteen (gevangenis, oudste deel uit de 13e eeuw, vergroot in 15e en 17e eeuw); de monumentale Waag (17e eeuw) naar een ontwerp van Pieter Post; de Lakenhal (1610), thans stedelijk museum; de Doelenpoort (1645); het Pesthuis (1658), thans legermuseum. Voorts zijn er tal van interessante woonhuisgevels en enkele hofjes. Het Sint-Annahofje is van 1492; van het kapelletje is de oorspronkelijke inventaris grotendeels bewaard gebleven. Er bestaan uitgebreide plannen voor restauraties en stadsvernieuwingen.

GESCHIEDENIS

Leiden ontstond ca.800 uit drie gehuchten, die met elkaar de naam Leythen (= aan de weteringen) droegen. Het werd in de 13e eeuw belangrijk als marktplaats en centrum van lakennijverheid. Leiden kreeg in 1266 stadsrecht van graaf Floris V (het eerste stadsprivilege dateert echter van vóór 1222) en behoorde tot de zgn. goede steden. Van de 12e eeuw tot 1420 bezat de stad een burggraaf (de huidige Burcht). Eind 14e eeuw en begin 15e eeuw had de stad te lijden van de strijd tussen de Hoeken en Kabeljauwen.

Door concurrentie van het goedkope Engelse laken ging de lakennijverheid eind 15e eeuw sterk achteruit. Leiden doorstond tijdens de Tachtigjarige Oorlog in 1573-74 twee Spaanse belegeringen, waarvan de tweede (daar de graanspeculanten geen voorraden in de stad hadden gebracht) tot hongersnood leidde. Inundatie redde de stad, die in 1575 beloond werd met de stichting van een universiteit; de 3-oktoberfeesten (Leidens ontzet) herinneren nog aan deze episode. Vooral op godsdienstig gebied speelde de universiteit in de 17e eeuw een voorname rol (Arminius, Gomarus, Coccejus), terwijl Lipsius, Scaliger en Heinsius de grondslag legden van de beroemde Leidse filologische school.

Tijdens de Republiek behoorde Leiden tot de zes grote stemhebbende steden die in de Staten van Holland vertegenwoordigd waren. De oude lakennijverheid maakte met hulp van Vlaamse immigranten plaats voor een veel gedifferentieerder textielindustrie, zodat Leiden in de 17e eeuw de grootste textielproducent van Europa was geworden. Grote betekenis kreeg de universiteit in de 18e eeuw door o.a. Boerhaave, Hemsterhuis en de drie Schultens. In deze eeuw ging Leiden economisch sterk achteruit. Aan het eind van de 18e eeuw werd Leiden een bolwerk van de patriotten, die hier in 1781 het Leids program opstelden.

In de Franse tijd ging de textielnijverheid vrijwel te niet. De ontploffing van een kruitschip in 1807 vernielde een gehele wijk. Armoede dreef een groot deel van de bevolking in 1847 tot oproer. In de tweede helft van de 19e eeuw zette zich een herstel in.

LITT. Jaarboekje voor gesch. en oudheidkunde van Leiden en Rijnland (vanaf 1904); P.J.Blok, Gesch. eener Holl. stad (4 dln. 1910-18); N.W.Posthumus, De gesch. van de Leidsche lakenindustrie (3 dln. 1908-39); J.J.Woltjer, De Leidse univ. in verleden en heden (1965); H.Kleibrink en R.Spruit, Leiden, een Hollandse erfenis (3 dln. 1972-74); S.Platteel, Leiden voorheen en thans (1973); T.H.Lunsingh Scheurleer en G.H.M.Posthumus Meyjes, Leiden university in the 17th century (1975); H.A.van Oerle, Leiden binnen en buiten de stadsvesten (2 dln. 1975).