Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 24-06-2020

land

betekenis & definitie

o. (-en), 1. gedeelte van de aarde dat boven water uitsteekt, vaste bodem: te water en te -; dieren die in het water en op het — leven; het vaste —; goederen over vervoeren; -!, uitroep van de uitkijk aan boord; soms zoveel als wal, oever, kust: van steken, onder zeil gaan, (fig.) met iets beginnen, b.v. met een speech; aan — komen, aan wal komen; aan

zetten, ontschepen; (fig. zegsw.) er is met hem geen te bezeilen, men kan niets met hem beginnen, er is niet met hem om te gaan; voelen, grond voelen, genoeg gegeten en gedronken hebben; ik weet niet, waar hij te is gekomen, waar hij terechtgekomen is, wat er van hem geworden is; ergens het aan hebben, er een hekel aan hebben; het hebben, uit zijn humeur zijn, zich vervelen;

2. de aardbodem ten opzichte van de bebouwing, dat deel van de aardoppervlakte dat tot het opleveren van natuur produkten geschikt is of geschikt gemaakt kan worden, grond, bouw-, weiland: bebouwen, ontginnen; aanmaken, tot bebouwing geschikt maken; goed, vruchtbaar, schraal —; de mannen zijn nog in het daar ligt achter die stee, die mensen zijn rijk;

een waar geen meer achter is, een uithoek, verafgelegen land; — en zand, bebouwde en onbebouwde grond; iemands gehele bezit; het meten, dronken over de weg waggelen, laveren, zigzaggen;

3. als tegenst. van stad, het platteland: op het wonen; de mensen in de steden en op het -; stad en spreekt ervan; hij heeft stad en afgelopen;
4. een binnen zekere grenzen besloten gebied dat aan een bepaald gezag is onderworpen, staat, rijk, grondgebied: Frankrijk is een mooi -; de landen van Europa; zonder dat aan bepaalde grenzen gedacht wordt, zoveel als gewest, streek: de warme landen, de tropen; het is daar een goed —, men heeft daar een goed leven; hier te lande, in onze streken; (spr.) ‘s lands wijs, ‘s lands eer, men moet zich gedragen naar, zich onderwerpen aan de zeden en gewoonten van het land; het van belofte, het Heilige Land, (fig.) gelukkig land; hij is nog in het der levenden, leeft nog; het voorjaar is in het —, het is voorjaar; het is een stille in den lande, iemand van wie men weinig merkt; het van Rembrandt, van Rubens, dat door hen vertegenwoordigd wordt in de cultuur;
5. het eigen land, het land waar men is geboren, vaderland: tijdingen uit zijn krijgen; hij is al een week weer in het —; het — verlaten; het — dienen, verdedigen; ook als de volksgemeenschap: het gehele — was in rouw gedompeld; ‘s lands welvaart hing ervan af;
6. (bij overnaadse boten) de over elkaar liggende gedeelten van de planken.