Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Gepubliceerd op 27-06-2020

kleurenzien

betekenis & definitie

onbep. w., het waarnemen van kleuren.

(e) In fysisch opzicht beheersen zowel golflengte als intensiteit van de lichtprikkel de kleurgewaarwording. Het voor de mens zichtbare spectrum ligt tussen de golflengte van 670 nm (rood) en 420 nm (violet); langere of kortere golven (infrarood resp. ultraviolet) worden niet gezien. In het zichtbare spectrum kan het menselijk oog ca. 160 kleurtrappen onderscheiden, die op allerlei wijzen nog tot mengkleuren kunnen worden verenigd. Daarbij bepaalt de hoeveelheid licht de intensiteit van de indruk (helderheid). Van elke kleur kunnen de kleurtoon, de verzadiging (= zuiverheid wat betreft golflengte) en de helderheid worden onderscheiden. Sommige kleuren geven bij menging de indruk wit te zijn.

Het oog onderscheidt zich dus principieel van het oor, dat elke toon in een mengsel van tonen afzonderlijk waarneemt. Verschillende golflengten gemengd worden daarentegen door het oog als kleureenheid waargenomen (b.v. blauw + rood = paars).

De kleurwaarneming berust bij de mens, evenals bij alle gewervelde dieren, op prikkeling van de kegeltjes in het →netvlies. Door toepassing van microspectrofotometrie en elektrofysiologische methoden is men erin geslaagd, het bestaan van naar golflengte selectief gevoelige kegeltjes in het netvlies aan te tonen. Dit resultaat spreekt ten gunste van de aloude trichromatische theorie van Young (1807) en H.von Helmholtz (1867), volgens welke de kleurwaarneming tot stand zou komen door menging van drie spectrale grondkleuren: rood, groen en blauwviolet. Deze theorieën worden ook wel als triple-receptor theorie aangeduid. Ook de afwijkende contrastkleurentheorie van Hering (1876), die de aanwezigheid van receptoren voor complementaire kleurparen (zoals rood/groen en geel/blauw) veronderstelde (vandaar ook wel opponents-proces theorie genoemd) heeft in recent elektrofysiologisch onderzoek steun gekregen. Volgens deze theorie zouden ergens in het visuele systeem drie verschillende paren van neurale of biochemische processen plaatsvinden als reactie op de lichtprikkels ;de leden van ieder paar zouden dan tegengesteld werken.

Deze paren reageren op zwart-wit, rood-groen en blauw-geel. De reactie op een prikkeling met b.v. rood en groen licht worden via dezelfde zenuwvezel verzonden, maar niet beide tegelijk. Ook contrastfenomenen en de verschijnselen van →kleurenblindheid wijzen erop dat beide kleurwaarnemingstheorieën een deel van de realiteit beslaan, in die zin dat kleurreceptie volgens het trichromatische principe in de kegeltjes tot stand komt, terwijl contrastfenomenen door processen in de aansluitende neuronen worden veroorzaakt. LITT: T.N. Cornsweet, Visual perception (1971); E.H. Land, The retinex theory of colorvision, (Scientific Amsterdam, dec. 1977).