Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 27-06-2020

kleurenblindheid

betekenis & definitie

v., aangeboren onvolkomenheid van het gezichtsvermogen.

(e) Kleurenblindheid komt neer op het onvermogen om een of meer van de kleuren rood, groen of blauwviolet waar te nemen. De mens met een normale kleurenzin noemt men trichromaat: hij moet de drie hoofdkleuren in gelijke mate vermengen om wit te kunnen zien. Gebruikt hij te weinig rood hiervoor, dan is hij protanomaal, te weinig groen, dan is hij deuteranomaal, en te weinig blauw, dan spreekt men van tritanomalie. Roodblindheid (protanopie) gaat vaak gepaard met het onvermogen om rood en groen van elkaar te onderscheiden; blauwblindheid (tritanopie) met het onvermogen blauw van geel te onderscheiden (→kleurenzien). Groenblindheid (deuteranopie) houdt in dat de betrokken persoon het groene deel van het spectrum niet kan zien. Kleurenblindheid komt bij mannen vaker voor dan bij vrouwen.

Men schat dat ca. 8 % van de mannen en 0,2—0,5 % van de vrouwen min of meer kleurenblind zijn. Het is een recessieve erfelijke eigenschap, die door vrouwen aan hun kinderen wordt doorgegeven: de zoons kunnen kleurenblindheid vertonen (zonder deze aan hun kinderen door te geven); de dochters kunnen overdraagsters zijn (een vrouw vertoont slechts kleurenblindheid indien zij die eigenschap van haar beide ouders erfde). Bij bepaalde netvliesen oogzenuwaandoeningen komt verworven kleurenblindheid voor.

Voor het onderzoek op kleurenblindheid gebruikt men verschillende methoden. Stilling en Ishihara gebruikten platen, bestaande uit schijnbaar gelijkkleurige ronde stippen. Een aantal kleurenstippen van verschillende helderheid wordt in de verwisselingskleuren zo aangebracht dat alle stippen van één bepaald soort te zamen een cijfer vormen dat vlot moet kunnen worden gelezen.