Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Gepubliceerd op 27-06-2020

Irak

betekenis & definitie

(al Dzjoemhoeriya al Iraqiya), republiek in Zuidwest-Azië, begrensd door Iran, Koeweit, Saoedi-Arabië, Jordanië, Syrië en Turkije, 434000 km2 en 3500 km2 (de helft van de neutrale zone tussen Irak en Saoedi-Arabië), 11,5 mln. inw. Hoofdstad: Bagdad.

FYSISCHE GESTELDHEID. Reliëf en afwatering. Irak maakt deel uit van de grote gordel laagland, die zich in het Midden-Oosten uitstrekt van Noord-Irak tot de kust van de Indische Oceaan in Oman. In Irak wordt deze gordel doorsneden door de Eufraat en de Tigris (→Mesopotamië). Het land kan in vier subregios worden ingedeeld.

1. Het hooggebergte van de Zagros dat in het uiterste noordoosten ligt. Dit is een kaal en woest gebied met nauwelijks menselijke activiteiten. Op lagere hoogte (voetheuvels) is er een bedekking met struikgewas; het oorspronkelijke bos is verdwenen ten gevolge van overbeweiding en excessieve kappingen). De noordelijke en oostelijke delen zijn uitstekend geschikt voor landbouw en vormen het grote graangehied van Irak (deel van de Vruchtbare Halvemaangordel).
2. Tussen de Eufraat en de Tigris ligt de Dzjezira, een kaal gebied dat alleen benut wordt voor nomadische veeteelt. Dit gebied is bij voldoende irrigatie geschikt voor landbouw.
3. Centraal en Zuid-Irak worden gevormd door een alluviale vlakte, waar al in de oudheid beschavingen bloeiden. Dit is het grote agrarische gebied, dat in het zuiden overgaat in moerasland.
4. Ten westen van de alluviale vlakte ligt een omvangrijk woestijngebied (Syrische Woestijn), dat meer dan de helft van het totale oppervlak van Irak uitmaakt.

De afwatering van Irak gaat via de Tigris (1718 km) en de Eufraat (2300 km), die in het gebergte van Zuid-Turkije ontspringen. De Eufraat heeft geen belangrijke zijrivier in Irak, de Tigris heeft vier zijrivieren, die zich in Irak bij de hoofdstroom voegen: de Grote Zab, de Kleine Zab, de Diyala en de Adhaim. In het zuiden voegen de Eufraat en de Tigris zich samen tot de Shattal Arab, die uitkomt in de Perzische Golf. De rivieren die gevoed worden door smeltwater hebben de grootste af voer in mrt., april en mei (50 % van het jaarlijks totaal). De fluctuaties zijn bij beide stromen van jaar tot jaar zeer groot. Irak heeft verscheidene grote meren: de Habbaniya en de Hammar.

Klimaat. De zomers zijn heet en droog. De maximum temperatuur ligt boven 50 °C. De winters zijn koel en in het bergland koud. De gemiddelde dagelijkse temperatuur in de koudste maand is vrijwel overal beneden 10 °C. De temperatuurverschillen tussen dag en nacht zijn groot. De neerslag, die

m.n. in de winter valt, neemt van noord naar zuid af. In het uiterste noorden meer dan 800 mm/jaar, in het uiterste zuiden onder 100 mm/jaar.

BEVOLKING. Algemeen,Het geboortencijfer van Irak is 49 %o, het sterftecijfer 15 %o, zodat er een aanwas van 34 %o is. Dit betekent dat de bevolking zich in 21 jaar verdubbelt. Van de bevolking is 48 % onder 15 jaar. Ca. 3 % is nomadisch. Samenstelling: ca. 75 % is Arabier; de grootste minderheidsgroep vormen de in het noorden wonende Koerden (ca. 20 % van de bevolking), andere niet-Arabische groeperingen zijn de Toerkmenen, Armeniërs, Yeziden en de zgn.

Marsh Arabs. In de steden woont 47 % van de bevolking.

Taal.De officiële taal is het Arabisch, dat voor 75 % van de bevolking de moedertaal is. Ook de minderheidsgroepen spreken het overwegend. Koerdisch is de belangrijkste minderheidstaal. Ca. 2 % spreekt eigen talen (Aramees, Loerisch, Toerkomaans, Iraans, Armeens).

Godsdienst.Van de bevolking behoort ca. 65 % tot de sjiieten. De sjiieten wonen vooral ten zuiden van Bagdad en hebben als heilige plaatsen Karbala en Najaf. De Soennieten (ca. 30 %) wonen vooral in het noorden en hebben traditioneel meer invloed in het overheidsapparaat (hoger opleidingsniveau). Slechts 6-8 % is niet-islamitisch (christenen en yezidische, joodse en sabeïsche groepen). Communicatie.In Irak verschijnen zes dagbladen, waarvan vier aan een politieke partij of ministerie zijn gebonden. De radio en televisie vallen onder de staat. In 1973 waren er 2,7 mln. radio’s en 350000 televisies in gebruik.

ECONOMIE. Algemeen.In de economie spelen de aardolie en het water een overheersende rol. Irak heeft zich tot de zevende aardolieproducent van de wereld ontwikkeld. Aardolie vormt de basis voor verdere ontwikkeling van het land. Anderzijds is water het grootste struikelblok voor de ontwikkeling van de agrarische sector, waarvan 47 % van de bevolking afhankelijk is. De visserij en bosbouw zijn alleen van lokale betekenis.

Landbouw en veeteelt.De landbouw worstelt met verzilting en een tekort aan irrigatiewater. Het verziltingsprobleem doorkruist zowel de kwaliteit als de kwantiteit van de produktie. Noodzakelijk zijn een ontzilting van de bovenlaag en een efficiënt drainagesysteem. Het tekort aan irrigatiewater is essentiëler. Het feit dat jaarlijks 60 % van het water van de Eufraat en de Tigris (ca. 50000 mln. m3) voor agrarische doeleinden moet worden benut, terwijl in droge jaren de afvoer nauwelijks de helft hiervan haalt, geeft aan hoezeer een planmatige aanpak vereist is. Bij voldoende irrigatiemogelijkheden kan men tweemaal per jaar oogsten.

Voornaamste gewassen: granen (3,5 mln. ha, waartegenover ook een 3,5 mln. ha braakland staat), groenten (200000 ha), dadels (150000 ha), fruit, druiven en verschillende handelsgewassen (175000 ha). Veeteelt is voor lokaal gebruik (trekkracht en consumptie) en voor export (wol en huiden) van belang. Veeteelt is veelal nog nomadisch. In Irak zijn 15,8 mln. schapen, 2,6 mln. geiten, 2,1 mln. runderen, verder buffels, kamelen, paarden, ezels en pluimvee. Mijnbouw.Irak was een van de eerste landen rond de Perzische Golf, waar grote hoeveelheden aardolie werden geproduceerd. Als producent neemt het thans de vierde plaats in tussen die staten. De woelige politieke toestanden, de slechte transportmogelijkheden en de nationalisaties deden de produktie in 1972 verminderen.

Lange tijd was Iraq Petroleum Cy (IPC), waaraan in 1925 een 75-jarige concessie werd verleend, de enige producent. De IPC werd bijgestaan door de dochtermaatschappijen Basrah Petroleum Co en de Mosui Petroleum Co. In 197275 zijn alle aardoliebelangen genationaliseerd en in handen gekomen van de Iraq National Oil Company. Van de geproduceerde olie wordt meer dan 90 % uitgevoerd. De oliereserve was in 1975 4736 mln. t met een jaarproduktie van 107 mln. t. (1976). De grootste velden liggen in de prov.

Tamin (vm. Kirkoek). De aardolie gaat o.a. via pijpleidingen(sinds 1934) naar Tripoli (Libanon) en Haifa (Israël) en sinds 1952 naar Bania (Syrië). De capaciteit van de leidingen bedraagt 8,1 mln. m3/jaar. Verder zijn er verbindingsleidingen voor olie en gas tussen de aardolievelden en met aansluitingen op de kuststad Fao aan de Perzische Golf en de buitengaats gelegen terminals Mina-al-Bakir en Khor-al-Amaja. Een leiding naar Dortyol (Turkije) in de baai van Iskenderun is in aanbouw.

De totale exportcapaciteit is 160 mln. t/jaar. Men hoopt in de toekomst een produktie te kunnen verwezenlijken van 200 mln. t/jaar tegen 1980, maar daarvoor moeten wel nieuwe reserves worden gevonden. Overige mineralen zijn zout, bruinkool en zwavel.

Industrie.De grootste aardolieraffinaderij staat in Doura bij Bagdad. Irak probeert steeds meer geraffineerde produkten uit te voeren in plaats van ruwe olie. Naast op aardolie gebaseerde activiteiten is er nog weinig industriële bedrijvigheid. Rond Bagdad wat kleinbedrijven (o.a. textiel, voedselverwerking, cement).

Handel.Indien de aardolie niet meegerekend wordt, maakt de dadeluitvoer 59 % van het totale exportpakket uit, cement 16 % en huiden en wol 25 %. De import bestaat uit machinerieën en vervoersmiddelen (66 %), suiker (9 %), thee (9 %), farmaceutische artikelen, hout en kleding. De export (ID 2621 mln. in 1976) gaat vooral naar andere landen in de regio, de USSR en China. De import (lD 1239 mln. in 1976) komt vooral uit de EG, Brazilië, de VS, de USSR, Oost-Europa en verschillende Aziatische landen.

Verkeer.Het meeste verkeer gaat via de weg (ca. 12000 km verharde weg); er zijn 118300 autos. De spoorweglengte is 1955 km. De Iraqi Airways verzorgen het luchtverkeer intern (vliegvelden in Basra, Bagdad en Mosoel).

STAATSINRICHTING. Bestuur.De macht berust bij de Baath-partij. Het topkader heeft vaak een religieuze (soennitisch) en regionale (Takritregio) verbondenheid. De banden met de socialistische landen (o.a. de USSR) zijn stevig. Administratief is Irak onderverdeeld in 18 prov. (moehafadhas), die weer bestaan uit districten en subdistricten (nahiyas).

Rechtspraak. Voor de rechtspraak zijn er een zestal districten met als hoogste orgaan het Hof van Cassatie te Bagdad. Verder zijn er vijf hoven van appel, 14 gerechtshoven met onbeperkte bevoegdheid en 44 met beperkte bevoegdheid. Voor religieuze zaken is er een islamitische rechtelijke macht.

Munt. De Iraakse dinar (ID) is verdeeld in 20 dirham en 1000 fils. De koers was op 1.12.1977: 1 ID = f7,50 = Bf 107.

Onderwijs. Het basisonderwijs wordt door de overheid verzorgd en is gratis. Bij het voortgezet onderwijs zijn nog veel particuliere scholen. Ca. 1,5 mln. leerlingen volgen basisonderwijs, ca. 400000 voortgezet en 60000 hoger onderwijs. Er zijn acht technische instituten en vijf universiteiten.

Defensie. Mannen vervullen dienstplicht van hun 18e—20e jaar en behoren daarna 18 jaar tot de reserve. Het leger heeft een sterkte van 140000 man, de luchtmacht van 15000 man en de marine beschikt over 3000 man. Er zijn 250000 man reservestrijdkrachten.

LITT. W.B.Fisher, The Middle East (1971); Area handbook for Iraq (1971); Irak, landendocumentatie (1972); P.Beaumont e.a., The Middle East (1976); P.G.N.Peppelenbosch en E.Teune, De wereld der Arabieren (1976). GESCHIEDENIS. Irak, het tweestromenland Mesopotamië, is de bakermat van oude beschavingen (→Soemeriërs, →Babylonië, →Assyrië) en maakte deel uit van resp. Perzië, het rijk van Alexander de Grote, het rijk der Seleukiden en het Sassanidische Perzië. In 637 werd Irak veroverd door de Arabieren. Het werd onder de dynastie der →Abbasiden het kernland van het kalifaat.

Bagdad was de welvarende hoofdstad van dit rijk. In de 9e eeuw trad verval in: Bagdad werd beheerst door Turkse gardecommandanten en in Basra stichtten gevluchte negerslaven een roofstaat. In 935 kwam de Perzische dynastie als overwinnaar te voorschijn uit de verwarde strijd in en om Irak, dat echter in 1060 werd veroverd door de Turkse Seltsjoeken. Nadat zij kort voor 1200 verdreven waren, werd Irak enige tijd onafhankelijk onder de Abbasiden. Irak werd in 1258 veroverd door de Mongolen onder leiding van Hulagu. Na het verval van de door hem gestichte Ilkhanendynastie werd Irak weer Perzisch (1509); in 1534 werd het Turks.

De Turken verwaarloosden Irak: door het verval van de irrigatiewerken boette het land sterk aan economische betekenis in. Tijdens de Eerste Wereldoorlog leden de Britten ernstige nederlagen in Irak (1915-16), dat zij echter in 1917 veroverden. De Vrede van Sèvres maakte Irak tot een Brits mandaatgebied (1920). Dit leidde tot een opstand, die mislukte, maar de Britten op zware verliezen kwam te staan. In 1921 werd Feisal I koning van Irak, dat in 1932 formeel soeverein werd, maar de Engelse politieke lijn bleef volgen. De twist met Turkije over Mosoel was in 1926 ten gunste van Irak beslecht.

In de jaren dertig bleek Irak weinig stabiel: er waren zeven staatsgrepen en de →Koerden bleven opstandig. In 1942 verklaarde Irak onder Britse druk de oorlog aan Italië en Duitsland. In 1948 sloten Irak en Engeland een nieuw bondgenootschap, zodat de Britse militaire bases gehandhaafd konden blijven. De ontevredenheid over de Britse inbreuken op de onafhankelijkheid van Irak versterkte het Arabisch nationalisme onder de jonge intellectuelen en officieren. Bovendien groeide de ontevredenheid van de boeren over het uitblijven van een landbouwhervorming; bijna alle voor landbouw geschikte grond was in handen van grootgrondbezitters. De pro-Engelse premier Noeries-Said drukte echter elke oppositie hardhandig de kop in.

Dit leidde tot de staatsgreep van 14. 7.1958, die Irak tot een republiek transformeerde. De koninklijke familie werd gedood. Na de revolutie werden landbouw en irrigatie verbeterd en ontstonden boerencoöperaties, zodat de boeren een beter bestaan kregen. Aanvankelijk leek het nieuwe regime onder leiding van Abdoel Kassem een Panarabische politiek te gaan voeren, maar al gauw bleek het niet geneigd het land op te laten gaan in een nasseristisch rijk, dat ondergeschikt zou zijn aan Egypte. Intern nasseristisch verzet werd met hulp van de Koerden en de vrij sterke communistische beweging gebroken. In 1959 leek Irak, dat toen het →Bagdadpact verliet, in communistisch vaarwater te komen, maar Kassem sloeg een neutralistische koers in.

Het leger bleek niet opgewassen te zijn tegen de Koerdische nationale beweging. Dit vergrootte de ontevredenheid onder de officieren. In 1963 werd Kassem gedood.

In febr. 1963 kwam de Baathpartij onder leiding van Abdel Salem Aref aan de macht. Een half jaar later zette Aref zijn partij opzij. Hij weigerde Irak in de Verenigde Arabische Republiek op te laten gaan. Na zijn dood in 1966 werd hij opgevolgd door zijn broer Abdel Rahman Aref. Deze wist een beperkte overeenkomst met de Koerden te bereiken. De betrekkingen met Iran verbeterden.

Een conflict in 1966-67 tussen Syrië en de Iraq Petroleum Company (IPC) bracht een ernstig verlies aan inkomsten voor Irak met zich mee. De relaties tussen de Iraakse regering en de buitenlandse oliemaatschappijen waren vrij gespannen. Tijdens de juni-oorlog met Israël (1967) werden de VS, Engeland en de BRD getroffen door een olieboycot. Later verbeterden de relaties met de westerse landen weer. In juli 1968 werd Aref ten val gebracht door een staatsgreep van de Baathpartij onder leiding van generaal Hasan al Bakr. Ook zijn regering kon de Koerden niet verslaan.

Inmrt. 1970 werd met hen een akkoord gesloten, waarin de Koerden voor 1974 autonomie beloofd werd. De regering bleef hard optreden tegen politieke tegenstanders. De betrekkingen met Syrië, Jordanië, Egypte en Iran waren vrij slecht. Irak beschuldigde Iran van steun aan Koerdische opstandelingen. In 1971 werden de betrekkingen geheel verbroken toen Iran, na enkele grensgeschillen over het gebied aan de Sjatt el-Arab, een aantal eilanden in de Perzische Golf bezette. In 1971 verbrak ook Soedan de betrekkingen met Irak, aangezien de Iraakse regering een communistische staatsgreep, die tot kortstondige afzetting van de Soedanese regering leidde, had gesteund door de opstandelingen diplomatiek te erkennen.

Irak onderhield nauwe relaties met de USSR, die veel technische en militaire steun gaf; in 1972 sloten beide landen een vriendschapsverdrag. In hetzelfde jaar werd de IPC genationaliseerd, in latere jaren gevolgd door een stapsgewijze nationalisatie van de Mosul Petroleum Company en de Basrah Petroleum Company.

In juli 1973 werd een staatsgreep verijdeld. Kort daarna werden door een grondwetswijziging de bevoegdheden van de president verruimd. De Baathpartij en de Iraakse Communistische Partij vormden een Nationaal Front; de Koerdische Democratische Partij nam niet deel aan de regering. In dec. 1973 legde Irak de Koerden eenzijdig een autonomiestatuut op, dat door hen werd verworpen. Een hevige strijd volgde, waarna ca. 70000 Koerden uitweken naar Iran. Met dit land werd in mrt. 1975 een overeenkomst bereikt, waarbij Irak de Sjatt el-Arab als grens accepteerde en Iran zijn grenzen sloot voor Koerdische verzetsstrijders.

Irak opende hierna opnieuw een offensief tegen de Koerden. Met Syrië verslechterden de betrekkingen steeds meer, o.a. wegens onenigheid over de verdeling van het water van de Eufraat. De relaties met Saoedi-Arabië, Koeweit, Jordanië en Turkije verbeterden echter. Met Turkije werd overeengekomen een oliepijpleiding aan te leggen om Iraakse olie naar de Middellandse Zee te kunnen vervoeren. In dec. 1975 werd de nationalisering van de olieindustrie voltooid. De VS werden een van Iraks belangrijkste handelspartners, samen met de BRD en Japan.

Door de nauwere relaties met het Westen werd de afhankelijkheid van de USSR minder groot. Met Frankrijk werden belangrijke wapencontracten afgesloten. In de jaren 1976—77 zetten de conflicten met de buurlanden zich voort. De regering consolideerde haar positie.

LITT. S.H.Longrigg, Iraq 1900—50 (1953); M. Khadduri, Independent Iraq 1932-58 (1960); A. Al-Marayati, A diplomatic hist. of modern Iraq (1961); P.Rossi, L’Iraq des révoltes (1962); B.Vernier, L’Iraq d’aujourdhui (1962); D.Adamson, The Kurdish war (1964); W.J.Gallman, Iraq under general Nuri (1964); U.Dann, Iraq under Qassem (1969); M.Khadduri, Republican Iraq (1970); H. A.Foster, The making of modern Iraq (1972); E. OBallance, The Kurdish revolt 1961—70 (1974).

< >