Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 27-06-2020

inkomstenbelasting

betekenis & definitie

v. (-en), belasting op de inkomsten van natuurlijke personen: aangiftebiljet voor de .

(e) In Nederland werden bij de wet van 27,9.1892 de inkomsten uit de vermogens boven f13000 belast. De wet van 2.10.1893 belastte de winsten uit beroep en bedrijf en uit vermogen onder de f13000. Krachtens de wet van 19.12.1914 maakte de gesplitste inkomstenbelasting plaats voor de algemene. Sinds het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, dat na afloop van elk kalenderjaar het in dat jaar genoten inkomen belastte, evenals de Wet op de Inkomstenbelasting (wet van 16.12.1964, Stb. 519) thans, bestaat de mogelijkheid dat zulke inkomsten verbruikt zijn wanneer de aanslag komt. Ter beperking van dit risico vinden voorheffingen, de →loonbelasting, de -dividendbelasting en in een enkel geval de kansspelbelasting plaats.

De Ned. inkomstenbelasting berust gedeeltelijk op de vermogensvermeerderingstheorie, d.w.z. dat alle inkomsten uit en waardeveranderingen van de bron belast zijn (winst uit onderneming) en gedeeltelijk op de bronnentheorie, d.w.z. dat als inkomen wordt beschouwd datgene dat door een bepaalde bron van inkomsten wordt opgeleverd en de waardeverandering van de bron zelf wordt onbelast gelaten (zuivere inkomsten). Als onzuiver inkomen worden beschouwd de som van winst uit onderneming, zuivere inkomsten, d.w.z. inkomsten uit arbeid, uit vermogen en in de vorm van bepaalde periodieke uitkeringen, en winst uit →aanmerkelijk belang. De winst of opbrengst uit iedere bron wordt vastgesteld door de baten eruit te verminderen met de op die baten drukkende kosten. Levert die aftrek een negatief resultaat op dan wordt dit afgetrokken van de positieve opbrengsten van de andere inkomensbestanddelen. Van het aldus verkregen onzuivere inkomen zijn de persoonlijke verplichtingen (o.a. premies voor lijfrente en Algemene Ouderdomswet) aftrekbaar. Soms kunnen bovendien uitgaven in het levensonderhoud van bepaalde naaste familieleden, uitgaven betreffende ziekte, invaliditeit, bevalling en overlijden, en studiekosten als buitengewone lasten evenals de aftrekbare giften in aanmerking worden genomen ter verlaging van het verschuldigde belastingbedrag.

In België werd door de wet van 20.11.1962 het sedert 1919 geldende stelsel van de cedulaire of gesplitste belastingen verlaten om over te schakelen naar dat van de globale inkomstenbelasting. Er zijn thans 4 categorieën:

1. een belasting op het globaal inkomen van de rijksinwoner, →personenbelasting geheten;
2. een belasting op het globaal inkomen van de rechtspersonen die zich met een exploitatie of met winstgevende handelingen bezighouden, →vennootschapsbelasting geheten;
3. een belasting op de inkomsten uit onroerende goederen en op de inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen van niet in 2. bedoelde rechtspersonen naar Belg. recht, →rechtspersonenbelasting geheten;
4. een belasting op de inkomsten in België behaald of verkregen door niet-rijksinwoners en door buitenlandse vennootschappen, belasting der nietverblijfhouders geheten.

De wetsbepalingen betreffende de inkomstenbelasting werden in een wetboek der inkomstenbelasting gecoördineerd door het KB van 26.2.1964 (Stb. 10.4.1964). Sindsdien herhaaldelijk gewijzigd, het laatst bij KB van 16.3. 1977.

De inkomstenbelastingen worden binnen bepaalde grenzen en onder bepaalde voorwaarden geheven bij wijze van →voorheffingen. Een aanslag in de inkomstenbelasting wordt aan de belastingplichtige ter kennis gebracht door de betekening van een waarschuwing-uittreksel. De belastingplichtige heeft een termijn van ten minste zes maanden om een bezwaarschrift in te dienen bij de provinciale directeur der belastingen. Na onderzoek doet deze uitspraak bij een met redenen omklede beslissing, die een einde stelt aan de administratieve fase van het geschil. De belastingplichtige kan bij het Hof van Beroep in beroep gaan tegen de directoriale beslissing. De procedure van deze gerechtelijke fase is geregeld door de artt. 278 -287 van het wetboek. Verder regelen de artt. 288—292 de wijze waarop men zich in cassatie kan voorzien tegen het door het Hof van Beroep gewezen arrest.