Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 27-06-2020

identiteit

betekenis & definitie

[➝Fr.], v., 1. eenheid van wezen, volkomen overeenstemming, persoonlijkheid: de — van het schrift met dat van de beschuldigde; zijn — bewijzen, bewijzen dat men de persoon is, waarvoor men zich uitgeeft; vandaar voor: persoonlijkheid;

2. (wiskunde) vergelijking die voor alle waarden van de daarin voorkomende veranderlijke grootheden geldt (e);
3. (filosofie) principe van —, een van de vooronderstellingen van alle logische operaties en theorieën (e).

(e)FILOSOFIE. Identiteit staat tegenover verscheidenheid. De ontologie onderzoekt in welke mate iets een eigen identiteit heeft. Een andere vraag is of, en zo ja, in welke mate twee wezens met elkaar identiek kunnen zijn.

In de logica is het principe van identiteit één van de vooronderstellingen. De wijze waarop dit principe zich manifesteert is echter verschillend. Men kan er onder verstaan dat de inhoud van een bepaald begrip binnen een systeem onveranderlijk is. Er kan echter ook van een identiteit van begrippen sprake zijn als zij naar hetzelfde verwijzen, b.v. de begrippen ‘morgenster’ en ‘avondster’ die beide naar de planeet Venus verwijzen. Ook in de logica der beweringen of oordelen speelt het principe van identiteit een rol. Men kan eronder verstaan dat een bewering of oordeel ‘p’ zichzelf impliceert (‘p — p’): ➝implicatie. Men kan er ook onder verstaan dat in een bewijs een als waar aangenomen of bewezen bewering mag worden herhaald enz.

LITT. E.Meyerson, Identité et réalité (1952); M. Munitz, Identity and individuation (1971). PSYCHOLOGIE. De term identiteit wordt in de persoonlijkheidsleer in uiteenlopende betekenissen gebruikt. Men kan zeggen dat de persoon zich ervaart als een eenheid van gedrag en beleving, voor zichzelf herkenbaar. In de pathologie spreekt men dan ook van verlies van identiteit, als een persoon door interne of externe oorzaken dit gevoel kwijtraakt en b.v. zich niet herkent in wat hem overkomt of in wat hij doet.

Van buitenaf spreekt men van de identiteit van een persoon voorzover het eigenschappen en gedragingen betreft die hem herkenbaar maken ten opzichte van andere personen. De term identiteitsverlies wordt dan gebruikt om aan te geven dat iemand een onpersoonlijk en volstrekt conformistisch gedrag vertoont.

In de psychoanalyse wordt identiteit wel gedefinieerd als een totaal van rolrepresentanten. Inherent aan een normale ik-ontwikkeling is een accepteren van eigen afkomst, geslacht en milieu. Een tijdelijk onvermogen kan leiden tot een identiteitscrisis, waarbij stoornissen in de ➝identificatie met sleutelfiguren een belangrijke rol spelen.

LITT. E.Erikson, Identiteit, jeugd en crisis (1968). WISKUNDE. Het woord identiteit wordt dikwijls gebruikt voor een betrekking, die de gelijkheid van functies tot uitdrukking brengt. Ook wordt het woord identiteit wel eens gebruikt voor het neutrale element van een groep of voor het neutrale element voor de vermenigvuldiging in een ring.