Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 27-06-2020

huizen

betekenis & definitie

(huisde, heeft gehuisd),

1. wonen, zijn verblijf hebben: ergens —; wij — nu in de voorkamer, gebruiken die als woonkamer; zij — bij elkaar, leven met elkaar;
2. zich bevinden, aanwezig zijn: waar zulke verdorvenheid in het gemoed huist.