Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 27-06-2020

helpen

betekenis & definitie

(hielp, heeft geholpen), (overg. en onoverg.),

1. tegemoetkoming, ondersteuning of uitkomst verschaffen in lichamelijke of zedelijke nood, bijstaan: met raad en daad —; buren moeten elkaar -; zo waarlijk helpe mij God Almachtig!, plechtige bevestiging aan het slot van een eedsformulier; (in het bijzonder) uit geldelijke verlegenheid verlossen: hij werd door zijn vrienden geholpen; kun je mij met honderd gulden — ?, mij die lenen; zich(zelf) —, zelf doen wat er gedaan moet worden; het niet op vreemde hulp laten aankomen: zich weten, zien, zoeken te —; (spr.) help uzelf, zo helpt u God;
2. verplegen, verzorgen: een zieke, een gewonde —; ook als eufemisme voor: opereren: onze kat is geholpen, gecastreerd; een kind -, het verschonen, drogen, aankleden, de borst geven enz. ; gerieven; in het bijzonder bedienen in een winkel: wordt u al geholpen?;
3. iemand het werk verlichten door het met hem samen te doen, eraan mee te doen, het gedeeltelijk voor hem te doen: ik kom u —; heb je dat alleen gedaan, heeft niemand je erbij geholpen?; een handje —; mijn broer heeft mij met mijn sommen geholpen; iemand in zijn jas —, behulpzaam zijn bij het aantrekken daarvan; met een infinitief: iemand iets dragen, het samen met hem dragen (in de volt. verl. tijd: hij heeft mij — dragen); ik zal het u — onthouden, u eraan herinneren als het nodig is; ik help het je wensen, ik wens het ook, vind het ook wenselijk; ik zal je wel —, wel vinden, wel straffen; een schip —, de werking van het roer door die van de zeilen ondersteunen;
4. zijn dienst verlenen om iemand in een bepaalde toestand te brengen: ik zal hem er wel door —, door mijn hulp zorgen dat hij erdoor komt; iemand over de grens —, hem behulpzaam zijn om over de grens te komen; iemand uit de brand (of uit de nood) —, hem uit de moeilijkheden redden; help mij even op (de) weg, op dreef, geef mij de nodige aanwijzingen hoe ik de zaak moet aanpakken; iemand erop -, hem iets in het geheugen brengen, zijn geheugen te hulp komen; hij heeft mij van de wal in de sloot geholpen, in een nog lastiger situatie dan waarin ik al was; iemand op het stro -, tot armoede brengen; iemand om zeep (of naar de andere wereld) —, hem het leven benemen; zijn waren aan de man -, er een koper voor vinden; een meisje aan de man —, haar een man weten te bezorgen; iemand aan iets —, hem iets bezorgen, het hemverschaffen: ik zal u wel aan dat boek —; ik kan er u niet aan —; ik heb hem aan werk (aan een betrekking) geholpen; iemand door de wereld —, hem behulpzaam zijn om aan de kost te komen;
5. behulpzaam of werkzaam zijn tot verbetering; (van pers.) genezen; hij is niet te alle hulp is vruchteloos, er is geen redding mogelijk; iets niet kunnen er niets aan kunnen doen, er geen schuld aan hebben: het spijt me dat het stuk is, maar ik kon het niet —; kan ik het — dat je slecht geslapen hebt?, ben ik daar soms schuld aan?;
6. baten, voordeel, nut opleveren, een gunstige uitwerking hebben: het drankje heeft geholpen; al zijn schreeuwen hielp hem niet; (zegsw.) alle beetjes — (zei de mug, en ze pieste in de zee); daar helpt geen lieve moeder aan, het geeft niet of u zich er tegen verzet, het moet gebeuren; het helpt niet, je moet mee, er is niets aan te doen, je zult meegaan; wat helpt het of je hem beklaagt?, het geeft niets, helper, m. (-s), iemand die helpt; handlanger, knecht: de timmerman kwam met een paar helpers om de zware kast te verplaatsen.