Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 27-06-2020

grootte

betekenis & definitie

v. (-n, -s),

1. de hoedanigheid van groot te zijn: door zijn — kon het schip in de haven niet keren;
2. uitgebreidheid, omvang (breedte, lengte, dikte, oppervlakte enz.): de polder heeft een — van bijna 300 ha; de natuurlijke of ware —, de afmetingen zoals die in de natuur werkelijk zijn: een model op ware —, een karper van die —,zo lang als men aanwijst;
3. maat voor de helderheid van sterren: sterren van de eerste (tweede enz.) —; (fig.) hij is een ster van de eerste —, een voortreffelijk kunstenaar, geleerde, toneelspeler enz.