Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Gepubliceerd op 27-06-2020

granaatappel

betekenis & definitie

m. (-en, -s),

1. de vrucht van de granaatappelboom (e);
2. die boom zelf;
3. schelpdier uit het geslacht van de stekelhorens.

(e) De granaatappelboom (Punica granatum) is vermoedelijk afkomstig uit Iran. De vrucht heeft de vorm van een sinaasappel. De schil is glad en leerachtig, eerst groen tot purperrood van kleur, later geelbruin. De vrucht is bekroond door een zestal harde kelkblaadjes en zit vol met zaden (pitten) die omhuld zijn door een doorschijnend vruchtvlees van geelroze kleur. Aan het grote aantal pitten dankt de vrucht zijn naam. De pitten met het vruchtvlees kan men vers consumeren.

Ook worden ze wel uitgeperst en het aldus verkregen sap, grenadine, heeft een verfrissend zoetzure smaak. In Arabische landen bereidt men uit granaatappels een soort limonadeachtige drank, sorbet of scherbet genaamd. In West-Europa is de granaatappel een exotische vrucht en weinig bekend. Producenten (exporteurs) zijn Spanje, Italië, Israël, Cyprus, Madeira, Canarische Eilanden, en Tunis.

In de beeldende kunst is de granaatappel reeds eeuwenlang een veel voorkomend motief (symbool van de eendracht).