Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 27-06-2020

gevolg

betekenis & definitie

o. (-en),

1. de gezamenlijke personen die een vorst of ander hooggeplaatst of belangrijk persoon volgen of begeleiden (e): een groot, een talrijk, een schitterend —; de prins met zijn —;
2. het volgen van, het gehoorgeven aan een oproep: ik zal graag aan uw vriendelijke uitnodiging — geven;
3. voortgang: geen geven aan een zaak, ze niet voor de rechter brengen; aan een plan, een besluit geven, het volvoeren, ten uitvoer brengen;
4. wat uit iets volgt, voortvloeit: de ziekte was een van overspanning; nu ondervindt hij de gevolgen van zijn gedrag; de poging had niet het gewenste —; hij heeft met goed examen gedaan, met goede uitslag, werd toegelaten, verkreeg het diploma, de akte; ik vrees dat die zaak gevolgen zal hebben, onaangename consequenties mee zal brengen; iemand voor de gevolgen aansprakelijk stellen, hem verantwoordelijk stellen voor de nadelen die uit iets kunnen voortvloeien; aan de gevolgen van iets overlijden, aan de nawerking ervan; scheiding van tafel en bed heeft altijd de scheiding van goederen ten gevolge, brengt die mee; (wiskunde) een waarheid die onmiddellijk voortvloeit uit een bewezen stelling of uit een van de onderdelen van haar bewijs.

(e) Bij de oude Germanen verstond men onder gevolg de kring van trouwe volgelingen van een aanzienlijke. Dit is door de Romeinse geschiedschrijver Tacitus beschreven onder de naam comitatus. Vorsten, wellicht ook aanzienlijke edelen namen adellijke jonge mannen in hun gevolg op. De zo ontstane verhouding droeg niet het karakter van dienstbaarheid; wel bestonden in het gevolg verschillende rangen. De opgenomene legde in de handen van de vorst of heer een eed van trouw af. Vanaf die tijd behoorde hij tot het gevolg en ontving hij van zijn heer spijs en drank, paard en wapenen, in later tijd ook grond.

In ruil daarvoor vormde het gevolg de bereden lijfwacht van de heer; hem in de strijd te overleven gold als schande. Bij de Germaanse stammen na de Romeinse tijd vindt men instellingen die een voortzetting waren van het oude gebruik, zij het met velerlei afwijking van het door Tacitus geschetste beeld. Zwak was die voortzetting op het vasteland, waar Romeinse en ook Gallische instellingen de oude gewoonten overwoekerden, waardoor tenslotte het leenstelsel het gevolg kon verdringen. Toch vindt men bij de Franken aanvankelijk nog de groep der Antrustionen, vrije edelen, die het gevolg van de koning vormden. Sporen vindt men ook bij de Langobarden en de Wisigoten. In het oude Engeland hield de instelling langer stand.

Het Oudengelse heldendicht getuigt veelvuldig van de oude comitatusgeest. Vreedzamer toestanden deden deze instelling in de 7e eeuw achteruitgaan, maar de invallen der Noormannen (einde 8e eeuw) en vooral de Deense verovering brachten haar tot nieuw leven. Pas met de Normandische verovering in 1066 verdween zij. Het langst bleef het instituut in Noorwegen en Denemarken bestaan. litt. K.von Amira, Grundriss des germ. Rechts, I (1913); H.Naumann, Germ. Gefolgschaftswesen (1939); B.Rehfeldt, König, Volk und Gefolgschaft im nordischen Altertum (1942); H.Conrad, Deutsche Rechtsgesch., I (2e dr. 1962).