Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 27-06-2020

2020-06-27

gevangenis

betekenis & definitie

v. (-sen),

1. gevangenschap: op straf van een van drie tot zeven dagen;
2. inrichting waarin de overheid personen onderbrengt die in strijd zijn gekomen met de bestaande rechtsorde (e): in de — zitten.

(e) Opsluiting in een gevangenis kan plaatsvinden als tenuitvoerlegging van een vonnis (vrijheidsstraf), in afwachting van een berechting, dan wel ter afdwinging van een verplichting (➝gijzeling). Opsluiting in een gevangenis als vrijheidsstraf dateert van het midden van de 16e eeuw. Voor die tijd diende gerechtelijke vrijheidsbeneming voornamelijk tot het vasthouden van diegenen die tot doodof lijfstraffen waren veroordeeld. Bij het instituut gevangenis waren allereerst de elementen afschrikking en verwijdering uit het maatschappelijke leven motieven tot opsluiting. Later kwam er een (her)opvoedingsfactor bij. In dit opzicht werden de 17e-eeuwse rasphuizen voor mannen en spinhuizen voor vrouwen te Amsterdam voorbeelden voor andere landen.

Doel was: gewenning aan geregelde arbeid. De gevangenen moesten zoveel mogelijk produceren ten bate van de staat. In feite waren de gevangenissen staatsfabrieken, waar de gevangenen gemeenschappelijk werkten.

In de 18e eeuw begon de opvatting veld te winnen dat gevangenen zich niet alleen nuttig moesten maken voor de maatschappij (door te werken), maar dat zij zich ook in moreel opzicht moesten verbeteren. De gevangene moest tot schuldbesef, berouw en inkeer gebracht worden, opdat zijn ziel gered zou kunnen worden. Eind 18e en begin 19e eeuw werden hiertoe diverse systemen ontworpen, m.n. in Engeland en Amerika. Vaak werd de nadruk gelegd op strikte afzondering van de gevangene, waarbij hij zich kon verbeteren door in zijn cel te werken en de bijbel te lezen. Na 1851 (toen in Engeland gevangenen niet meer werden gedeporteerd) begon zich zeer langzaam een stelsel te ontwikkelen waarbij de gevangene zelf invloed op het tijdstip van zijn vrijlating kreeg door goed gedrag in de gevangenis. Nederland.

De vrijheidsstraffen werden vanouds in gemeenschap ondergaan. De wet van 18. 6.1851 Stb. 68, doorbrak dit beginsel: de rechter kon voortaan in zijn vonnis bepalen dat straffen van maximaal één jaar voor ten hoogste de helft van de duur cellulair zouden worden ondergaan. Het maximum van cellulaire opsluiting was dus zes maanden (in 1854 uitgebreid tot één jaar, in 1871 tot twee jaar). De keuze voor het celstelsel werd bevestigd door de bepaling in het in 1881 tot stand gekomen WStr, inhoudende dat met enkele uitzonderingen gevangenisstraf van vijf jaar of minder geheel, en gevangenisstraf van langere duur gedurende de eerste vijf jaar in afzondering moet worden doorgebracht. Voor de verdere ontwikkeling was van groot belang de nieuwe richting in het strafrecht, ontstaan met de opkomst van de criminologie (➝strafstelsel).

Onder druk van de gestegen criminaliteit tijdens de Eerste Wereldoorlog bepaalde de Noodwet 1918 dat iedere gevangenisstraf in gemeenschap kon worden ondergaan. De resultaten van de in Veenhuizen genomen proef waren zo gunstig, dat de Noodwet niet werd ingetrokken toen het ruimtegebrek was verdwenen. Het celstelsel werd principieel aangetast door art. 12a WStr (wet van 25.6.1929, Stb. 361). Volgens dit artikel konden gevangenen, die daarvoor op grond van hun persoonlijkheid en de aard van het feit in aanmerking kwamen, voor bepaalde doeleinden (lichaamsoefeningen, arbeid, onderwijs, zang en godsdienstoefeningen) in gemeenschap worden gebracht.

Na de Tweede Wereldoorlog kwamen de Beginselenwet (wet van 21.12.1951, Stb. 596) en de nieuwe Gevangenismaatregel (Besluit van 23.5.1953, Stb-. 237) tot stand. De Beginselenwet onderscheidt vier categorieën gestichten:

1. gevangenissen bestemd voor gevangenisstraf;
2. huizen van bewaring, bestemd voor hechtenisstraf, voorlopige hechtenis en gevangenisstraf van niet meer dan drie maanden;
3. rijkswerkinrichtingen, bestemd voor de bijkomende straf van plaatsing in een rijkswerkinrichting;
4. rijksasyls voor psychopaten, voornamelijk bestemd voor degenen aan wie op grond van art. 37 en 37a WStr de maatregel van terbeschikkingstelling van de Regering is opgelegd. Het doel van straffen en maatregelen wordt aangegeven in art. 26 Beginselenwet: ‘met handhaving van het karakter van de straf of maatregel wordt hun tenuitvoerlegging mede dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer der gedetineerden in het maatschappelijk leven’.

Het streven naar resocialisatie dat hiermee is vastgelegd, eist individualisering in de strafvoltrekking. De oude vraag: cel òf gemeenschap is dan ook beantwoord met: cel èn gemeenschap. Gevangenisstraf wordt naar gelang van de persoonlijkheid van de veroordeelde in algehele of in beperkte gemeenschap dan wel in afzondering ondergaan (art. 11 WStr). Iedere gevangene wordt zoveel mogelijk geplaatst in een gesticht waarvan het regime het meest met zijn persoonlijkheid strookt, waarbij zowel op de duur van de straf als op de reclasseringsmogelijkheden voor de gevangene wordt gelet. De Beginselenwet noemt de categorieën gevangenen waarvoor afzonderlijke gevangenissen worden aangewezen. De criteria zijn: geslacht, leeftijd, strafduur, beroepsen gewoontemisdadigheid en gemeenschapsongeschiktheid.

Bij het totstandkomen van de Beginselenwet Gevangeniswezen is besloten dat niet de rechter, maar de administratie behoort te bepalen in welke gevangenis een veroordeelde zal worden opgenomen. Volgens art. 553 WSv geschiedt de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen door het OM. Het OM richt zich daarbij naar het advies van selectie-ambtenaren, verbonden aan het ministerie van Justitie. Gevangenen die blijken in een bepaalde gevangenis niet te passen, kunnen op last van de minister overgeplaatst worden. De gedetineerde en het OM kunnen tegen plaatsing en overplaatsing in beroep komen bij de Sectie Gevangeniswezen van de Centrale Raad van Advies voor het Gevangeniswezen, de psychopatenzorg en de reclassering. Haar beslissing is bindend.

Het opperbeheer van de gestichten berust bij de minister van Justitie, het beheer bij de directeur, terwijl bij ieder gesticht een niet aan het gevangeniswezen ondergeschikte commissie van toezicht is. De veroordeelde gedetineerden zijn verplicht de hun opgedragen arbeid te verrichten. Zij ontvangen een arbeidsloon, waarvan een deel wordt uitgekeerd na de invrijheidstelling (de uitgaanskas). In de niet voor arbeid bestemde uren worden ontwikkeling en ontspanning georganiseerd. Aan elk gesticht zijn een of meer sociale ambtenaren verbonden, die trachten de maatschappelijke problemen die voortvloeien uit de detentie op te lossen. In de Beginselenwet en de Gevangenismaatregel worden o.a. ook de geneeskundige en de geestelijke verzorging geregeld.

Een van de belangrijkste ontwikkelingen na de Tweede Wereldoorlog is de opkomst van de open gevangenis. Zij berust op het ontbreken van bewaking en materiële beveiligingsmaatregelen en op een regime dat uitgaat van zelfdiscipline en eigen verantwoordelijkheidsgevoel van de gedetineerden. De open gevangenissen hebben meestal de functie van overgangsfase tussen gesloten gevangenis en vrijheid.

Bij de wet van 25.6.1929 werd de basis gelegd voor de oprichting van een afzonderlijk strafgesticht voor jeugdige veroordeelden. De rechter kan bij veroordeling tot gevangenisstraf van een 18-23-jarige (in bepaalde gevallen 16-25-jarige) delinquent bevelen dat de straf in de jeugdgevangenis zal worden ondergaan, maar alleen indien de opgelegde straf ten minste één en ten hoogste drie jaar is en de werkelijke straftijd ten minste één jaar bedraagt. In de jeugdgevangenis kan de gedetineerde sneller voorwaardelijk in vrijheid gesteld worden dan in andere gevangenissen. De gedetineerden worden meestal in kleine groepen ingedeeld; het accent wordt gelegd op de communicatie tussen de gedetineerden onderling en met de groepsleiders en de staf, op de sport, de arbeid en het vormingswerk. Sinds 1964 is bij wijze van proef een begin gemaakt met de tenuitvoerlegging in gedeelten van straffen tot veertien dagen, b.v. twee dagen in de week, meestal gedurende de weekeinden. Het belang is vooral dat de veroordeelden door de week hun werk kunnen blijven doen.

Aangezien gevangenisstraf steeds meer gezien wordt als uiterst middel, en aangezien er een aanzienlijk plaatstekort is in de Ned. gevangenissen is men m.n. na 1970 gaan zoeken naar alternatieve mogelijkheden van bestraffing. De commissie Vermogensstraffen heeft in 1972 voorstellen gedaan aan de minister van Justitie over geldelijke afdoening naast de korte vrijheidsstraf. De Commissie Alternatieve Strafrechtelijke Sancties, ingesteld in 1974, is de vraag voorgelegd of meer verscheidenheid in het strafstelsel moet worden aangebracht. belgië. Volgens het WStr van 1867 zouden de tot dwangarbeid veroordeelden hun straf ondergaan in tuchthuizen, de tot opsluiting veroordeelden in opsluitingshuizen, de tot hechtenis veroordeelden in opsluitingshuizen of verbeterhuizen, en de tot gevangenisstraf veroordeelden in verbeterhuizen. Dit onderscheid heeft reeds lang alle zin verloren en wordt dan ook niet meer effectief toegepast. Er wordt integendeel naar gestreefd de gedetineerden onder de verschillende strafinrichtingen te verdelen volgens bepaalde selectienormen. Zo kent men thans:

1. Inrichtingen van het gesloten type:
a. Huizen van arrest: voor personen die niet definitief zijn veroordeeld, voor veroordeelden tot kleine (minder dan drie maanden) straffen, of voor veroordeelden die hun straf uitzitten onder het stelsel van de beperkte hechtenis of van het weekeindarrest.
b. Huizen van arrest met afzonderlijke afdelingen voor de tenuitvoerlegging van straffen: buiten de sub. a. bedoelde gevallen worden aldaar gedetineerden opgenomen die tot de volgende categorieën behoren: veroordeelden met psychopatische neigingen; crimineel veroordeelde vrouwen, en geestelijk abnormale vrouwen; jonge volwassen veroordeelden; antisociale recidivisten; veroordeelden die voor een ‘self-government’-stelsel in aanmerking komen; primair correctioneel veroordeelden die niet geschikt zijn voor het open of het half-open regime, c. Inrichtingen voor strafuitzitting: voor crimineel veroordeelden die niet geschikt zijn voor het halfopen regime; voor gedetineerden die toegelaten worden tot het geneesen heelkundig centrum of

tot het penitentiair oriëntatiecentrum. gevangenis. Overzicht van het gebou-

2. Inrichtingen van het half-open type, voor lichamelijk zwakke veroordeelden, ter beschikking van de regering gestelden, geestelijk abnormalen die rustig zijn en geschikt tot arbeid; voor vrouwen; voor bedelaars en landlopers.
3. Inrichtingen van het open type, penitentiaire schoolcentra voor primair correctioneel veroordeelden van 16-30 jaar, en voor veroordeelden wegens niet-opzettelijke misdrijven, alsmede penitentiaire landbouwcentra voor correctioneel veroordeelden die geschikt zijn voor het open regime en voor landbouwarbeid. Strafrechtelijk minderjarigen worden ondergebracht in verschillende gestichten. Aparte inrichtingen zijn er voor de op grond van de wet tot bescherming van de maatschappij geïnterneerde abnormalen.

Het algemeen reglement van de strafinrichtingen (KB van 21.5.1965) legt de hoofdlijnen vast van de organisatie van de strafbehandeling. Zo regelt het o.a. het bezoek aan en de briefwisseling met de gedetineerden, hun zedelijk en godsdienstig regime, hun algemene ontwikkeling en beroepsopleiding, hun arbeid en uitgaanskas, de tuchtregels, de gewone en psychiatrische geneeskundige verzorging, alsmede de werking van de bestuurscommissies.