Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 27-06-2020

2020-06-27

gelijk

betekenis & definitie

bn. en bw. (-er, -st, of meer -, meest -), zn. en voegw.,

I. bn.,
1. geheel met elkaar overeenkomend wat betreft zekere hoedanigheden: met gelijke wapenen strijden; gelijke tred, gang, koers met iemand of iets houden, even snel voortgaan, iemand of iets in zijn beweging bijhouden (ook fig.); (spr.) gelijke monniken, gelijke kappen, mensen van één soort hebben dezelfde eigenschappen (ong.); predikatief met de persoon of zaak waarmee iets of iemand vergeleken wordt in de derde nv.: zij was een duifje -, zo onschuldig;
2. overeenkomende in rang, stand of macht: de mensen zijn niet -, er is meer en minder; bij —; een gelijke strijd, een strijd tussen personen die tegen elkaar opgewassen zijn; overeenkomend in rechten en plichten: alle burgers zijn voor de wet —; gelijke schuldeisers, zij die bij een faillissement geen voorrecht boven anderen hebben;
3. (van uurwerken) overeenkomend met de ware tijd, de juiste tijd aanwijzend: mijn horloge is, gaat, loopt -; (metonymisch) ik ben precies —;
4. onderling niet afwijkend, overeenkomstig, even groot, de-, hetzelfde: op gelijke wijze; zaken van gelijke waarde; zij krijgen een gelijke portie; in gelijke mate, in even grote mate; op gelijke voet, op dezelfde voet; iemand met gelijke munt betalen, hem op een dergelijke wijze bejegenen als hij het ons gedaan heeft; van gewicht, even zwaar, even belangrijk; het is mij —, geheel hetzelfde, om het even, onverschillig; zichzelf steeds blijven, in al zijn doen en laten dezelfde blijven; (wiskunde: van grootheden waarin dezelfde grootheid evenveel malen is begrepen): driehoeken met gelijke basis en gelijke hoogte zijn — van inhoud, hebben dezelfde inhoud; de som van de hoeken van een driehoek is — aan twee rechte hoeken; twee begrensde vlakken die elkaar geheel bedekken, zijn — en gelijkvormig; driehoeken die twee zijden — hebben;
5. effen, vlak, vrij van oneffenheden: de weg is allesbehalve —, er zijn grote kuilen in; die stenen liggen niet —; af, (boekbinderij) zo dat de randen van de borden in één vlak met de snede liggen; met de grond — maken (van gebouwen, vestingwerken enz.), ze slechten, slopen, tot op de grond afbreken; van humeur, altijd hetzelfde humeur bezittend, zonder luimen of grillen;

II. bw.,

1. (van wijze) op gelijke wijze: die kinderen zijn gekleed; de viool is — gestemd met de piano; op evenmatige wijze, gelijkelijk: — (— op) delen; op spelen, niets winnen en niets verliezen;
2. (van plaats) op hetzelfde punt, even ver in verhouding tot elkaar: de hardrijders bleven lang met elkaar —; — op, zo dat men even snel vordert: op rijden, studeren, werken;
3. (van tijd) op dezelfde tijd, tegelijk: de twee treinen kwamen — aan; ook ter aanduiding dat diverse handelingen samengaan: je moet niet praten en eten, dan verslik je je; hij gaf mij het pakje en de sleutel, samen daarmee;

III. zn. o. (het bn. zelfstandig gebezigd),

1. het gelijke, wat gelijk is: er is meer dan eigen, gelijkenis bewijst nog geen identiteit of verwantschap;
2. hebben, groot, deugdelijk, volkomen hebben,
a. in een gegeven geval de billijkheid voor zich hebben, billijk en verstandig handelen: hij heeft groot -, dat hij het niet doet; evenzo: ik geef hem —;
b. een mening uiten die met de waarheid overeenkomt: je hebt -, mijn oordeel was onjuist; je hebt het grootste van de wereld, spottend gezegd tegen iemand met wie men niet langer wil redetwisten; hij wil altijd — hebben, nooit toegeven dat hij zich misschien vergist; iemand geven, erkennen dat zijn bewering juist is; de uitkomst heeft hem in het gesteld, bewezen dat hij gelijk had;

IV. ondersch. voegw.,

1.evenals, als: bleek de dood; stamelen — een kind; hij is zenuwachtig, — zijn vader was;
2. (gew.) wie, wie ook; welk, welk(e) ook; hoe, hoe ook; (spr.) de waard is, vertrouwt hij zijn gasten, anderen beoordeelt men naar zichzelf.