Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 27-06-2020

geld

betekenis & definitie

o. (-en),

1. datgene dat in het economisch verkeer als betaalof ruilmiddel en als rekeneenheid of waardemeter algemeen wordt aanvaard (e): — slaan; — (aan)munten; papieren —; gemunt —; ik heb geen bij me; de rol van het in de economie; baar —, gereed —; mijn goede ter aanduiding van de waarde die het geld voor de bezitter heeft; goed — naar kwaad — gooien, kosten maken in de ijdele hoop verloren geld daarvoor terug te krijgen; daar is kwaad — bij, in toepassing op bezittingen of zaken die met schulden bezwaard zijn; klein —, kleine geldstukken, nl. als pasmunt; groot (eig.) grote geldstukken, hetzij standaardpenningen of veelvouden daarvan; bankbiljetten van hoge waarde; grof -, (eig.) groot geld, (fig.) veel geld: hij heeft er grof — voor moeten geven; licht —, in toepassing op munten die het vereiste gewicht niet hebben: licht —, lichte waar, voor weinig geld kan men niets goeds kopen; vuil -, geld dat op oneerlijke wijze verkregen is; aan in geldstukken of bankbiljetten: hij had f 100 000 bij zich, aan diamanten en aan een geschenk in —, in klinkende munt of papier; iets te gelde maken, het verkopen, zodat men er geld voor in de plaats krijgt; het ruilmiddel in de handel enz.: — lenen, beleggen, uitzetten; schieten, bieden; het — is overvloedig, schaars; dat is te veel, te weinig -, te duur, te goedkoop; die ondernemingen geven goed zijn zeer winstgevend; (angl.) maken, geld verdienen, veelal in afkeurende zin; — in iets steken (in een zaak, een onderneming enz.), het aan de kansen daarvan wagen; uit iets slaan, er aan weten te verdienen; goede woorden kosten geen —, goede raad of troost kan men geven zonder dat men in de zak behoeft te tasten (m.n. met het bijdenkbeeld dat men daarmee dus guller is dan met financiële hulp); kijken kost geen —, kost niets; in betrekking tot de persoon die het al of niet heeft en tot de macht die het geeft: om vragen; om — verlegen zijn; de waarde van het — niet kennen; iemand — uit de zak kloppen, hem geld doen uitgeven; zijn — wel kunnen tellen, niet veel geld hebben; goed voor het — zijn, rijk genoeg zijn om het geld dat men schuldig is te kunnen voldoen; voor en goede woorden kan men overal terechtkomen, wie genoeg geld tot zijn beschikking heeft en beleefd is, wordt overal voortgeholpen; in allerlei uitdrukkingen: dat is waard, dat heeft veel waarde, of wel, brengt veel op, (ook fig.); — als water verdienen, zoveel geld verdienen als men maar wil; evenzo: het maar voor het oprapen hebben; bulken van het —, tot over de oren in het — zitten, schatrijk zijn; met zijn — geen weg (raad) weten, zoveel hebben dat men niet weet wat ermee te doen; in het water gooien, het verspillen; eieren (appels) voor zijn — kiezen, zich met minder tevreden stellen dan men aanvankelijk eiste (om althans iets te krijgen); het — groeit mij niet op de rug, ik kom er zo gemakkelijk niet aan; als het schip

met — maar kwam, scherts, verzuchting als men te weinig geld heeft; de zakenman ziet graag -, wordt graag contant betaald; — is goede waar, er niet te los mee omspringen; het niet laten beschimmelen, het gemakkelijk uitgeven, verteren; is maar slijk, scherts, gezegd wanneer iemand te hoge waarde aan het bezit van geld toekent; — maakt alles goed; maakt vrienden; verzoet de arbeid; het dat stom is, maakt recht wat krom is, geld maakt alles goed; het — regeert de wereld, het is de spil waarom alles draait; — vermag alles, voor geld krijgt men alles gedaan; — stinkt niet (Lat.: pecunia non olet), ieder heeft het graag, ieder wil het, zonder naar de herkomst te vragen; al zijn — op één kaart zetten, zijn gehele vermogen in één onderneming of in één fonds steken; tijd is —, tijd verkwisten is geld verkwisten; waar — is, wil — wezen, (ook) — wil bij -, zoekt wint -, wie eenmaal geld bezit, zal er gemakkelijk nog meer bij winnen;

2. geldelijk vermogen, geldmiddelen, vermogen, middelen: (geen) — hebben; een meisje trouwen om haar —; iemand van (veel) —, iemand die (zeer) bemiddeld is;
3. (concreet) een zekere hoeveelheid geld, een geldsom: hier is het — dat ik u schuldig was; de hoeveelheid geld die iets kost, de prijs: hier is het — van de jas; kinderen betalen half de halve prijs; het volle — , de volle prijs, de volle waarde; voor geen —, of voor (om) geen — ter wereld, voor geen prijs hoegenaamd, in geen geval; te licht voor het zijn, (eig.) in toepassing op slechte waar of onvoldoende werk die de prijs die ervoor gevorderd wordt niet waard zijn, (fig.) in toepassing op personen die een lichtzinnig leven leiden; dat heb ik voor hetzelfde -, dat kost mij evenveel, of wel, dat kost mij even weinig, nl. niets; alle waar is naar zijn -, de deugdelijkheid van een waar is evenredig aan de prijs.

(e) In het spraakgebruik wordt het begrip geld vaak beperkt tot betaalmiddel en dan nog slechts de concrete vormen, nl. munten en bankbiljetten. Vrijwel ieder land heeft zijn officiële geldeenheid. Men kan verschillende ➝geldsoorten onderscheiden naar uiteenlopende gezichtspunten. De geldhoeveelheid bestaat uit chartaal (munten, bankbiljetten) en giraal geld (rekening-couranttegoeden bij banken en girodiensten); zij wordt vaak uitgedrukt als een percentage van het nominaal nationaal inkomen (➝geldquote). Het in omloop brengen van geld wordt aangeduid als ➝geldschepping; dit vindt plaats door geldscheppende instellingen.

Wat geld is, laat zich het beste omschrijven door te letten op de functie(s) die het uitoefent. Meestal onderscheidt men twee primaire, oorspronkelijke functies of hoofdfuncties van het geld, nl. die van ruilgeld (met als afgeleide functie die van spaarof oppotmiddel) en die van rekengeld (met als afgeleide functie die van waardestandaard). Soms legt men de nadruk op de betaalmiddelfunctie van het geld, d.i. de capaciteit om als bindende tegenprestatie in het betalingsverkeer dienst te doen; dit ziet echter het kenmerkende van het geld in het juridisch karakter als wettig betaalmiddel. In de veldtheorie wordt o.a. aandacht besteed aan de vraag waaraan het geld zijn waarde ontleent en waarom intrinsiek waardeloze geldsoorten worden aanvaard.

Het geld is onontbeerlijk in een volkshuishouding van grote omvang, waar de produktie niet meer gericht is op de directe voortbrenging ter dekking van de eigen behoeften, maar met vérgaande ➝arbeidsverdeling en met een zekere mate van dispositievrijheid voor de economische subjecten, waardoor de ruil in natura, van goederen tegen goederen, die overeenstemming naar soort, plaats en tijd van de wederzijdse behoeften vereist, niet meer mogelijk is. Dit leidt tot de invoering van een tussenschakel, (een ruilmiddel: ruilgeld), waardoor de ruil kan worden opgesplitst in koop en verkoop tegen geld. Wil iets als ruilgeld fungeren, dan moet het in ruime kring algemeen begeerd en aanvaard worden in ruil voor goederen, diensten en vermogenstitels (bewijzen van vorderingen). Het bezit van geld verschaft de houder ongedifferentieerde beschikkingsmacht (koopkracht) over goederen, zodat de koop van gewenste goederen naar soort, plaats en tijd vrijer kan worden gekozen. Oorspronkelijk waren dit goederen, die tevens wegens alternatieve gebruiksmogelijkheden begeerd werden en technisch als ruilmiddel bruikbaar waren. Vervolgens konden ruilmiddelen tegen vaste prijs worden omgezet in een bepaald goed.

Tegenwoordig worden ruilmiddelen op grond van maatschappelijke gewoonte, al of niet gesteund door wettelijke voorschriften (b.v. het zijn van wettig betaalmiddel), aanvaard. Bovendien zijn de ruilmiddelen door de ‘Entsubstanzialisierung’ (G.Simmel) geworden tot tekens. De opsplitsing van de ruil in natura maakt het mogelijk dat degeen die geld ontvangt uit goederenverkoop e.d. besluit de opbrengst niet in dezelfde periode geheel voor aankopen te besteden, maar voorlopig extra in kas te houden. Het geld fungeert dan als oppotmiddel, waardoor ernstige verstoringen van de economische kringloop vanuit de monetaire sfeer kunnen ontstaan (➝monetair evenwicht). Ook maakt het geld gemakkelijker kredietverlening mogelijk, waardoor immers iemand goederen kan aanschaffen zonder goederen in ruil aan te bieden, maar gebruikmakend van de bereidheid van een ander, die eerst in de toekomst met zijn geld goederen wil aanschaffen, dit tegen vergoeding (rente of interest) tijdelijk aan hem af te staan.

De veelheid van ruilverhoudingen (relatieve prijzen) doet behoefte ontstaan aan een vereenvoudiging door ze uit te drukken in een gemeenschappelijke eenheid, waarin ook gerekend kan worden: rekengeld. Oorspronkelijk fungeerde als rekengeld een bepaalde hoeveelheid van een bepaald nietmetalliek goed, b.v. vee. Het als betaalmiddel aanvaarden van een volwaardige munt, d.w.z. een bepaalde hoeveelheid edel metaal, leidde ertoe ook eenheden van het concrete ruilgoed als rekeneenheid te kiezen. In het moderne standaardloze geldstelsel staat de rekeneenheid niet meer in vaste waardeverhouding tot een hoeveelheid van een bepaald goed (b.v. goud), maar is het rekengeld de naam van de dimensieloze eenheid waarin de ruilwaarde van goederen enz. en van ruilgeld wordt uitgedrukt. Terwijl eenmaal een standaardgoed heeft gefungeerd als rekengeld en als ruilgeld, is later, eveneens onder invloed van de desubstantialisering van het geld, als rekengeld een puntenstelsel gaan fungeren en worden als ruilmiddel tekens (bewijzen van aantallen punten) gebruikt. Rekengeld is ook denkbaar in een ruilverkeershuishouding met ruil in natura (vergelijk een puntenstelsel in een totaal centraal geleide volkshuishouding). Niet het rekengeld, maar het ruilgeld is typisch voor de geldeconomie.

Hoewel rekenen ruilgeld meestal samenvallen (b.v. in Nederland en België) behoeft dit niet altijd het geval te zijn. Men kent b.v. als rekeneenheden de Belg. belga, de Engelse guinea, de Europese rekeneenheid in de EG of in perioden van wantrouwen in een munt uit het uitdrukken van contracten in goud of buitenlandse geldeenheden, terwijl betaling, na herleiding, in ander ruilmiddel plaatsvindt. Als rekengeld en ruilgeld niet hetzelfde zijn, is ook het ruilgeld aan prijsvorming onderhevig; om een bedrag in rekeneenheden te kunnen betalen, dient men te weten hoeveel het ruilgeld in rekeneenheden uitgedrukt waard is. Destijds werden dergelijke marktprijzen van ruilgeld geregeld bekend gemaakt. Bestaat er echter een gefixeerde ruilverhouding tussen rekenen ruilgeld, zoals bij belga, frank, guinea en shilling het geval was, dan bestaat geen werkelijke scheiding tussen rekenen ruilgeld.

Het geld als ruilmiddel circuleert in de tijd in een volkshuishouding (➝omloopsnelheid), maar bevindt zich anderzijds altijd ergens in een ➝kasvoorraad. Daar economische subjecten slechts bereid zijn geld in kas te houden in de verwachting en het vertrouwen het na enige tijd weer voor de aankoop van goederen enz. te kunnen gebruiken, is het wenselijk dat het geld als ruilen oppotmiddel in de tijd waardevast is. Anders kan de houder voor onaangename verrassingen komen te staan als hij door waardedaling van het geld de voorgenomen tweede helft van de ruiltransactie niet kan realiseren. Ook als rekeneenheid kan het geld slechts goed en zuiver functioneren als het waardevast is, daar anders de vergelijking van waarden en prestaties op uiteenlopende tijdstippen onbetrouwbaar wordt. In feite is dan een herleiding van de oude in een nieuwe maatstaf nodig. De grote historische lijn is een voortdurende daling van de geldwaarde, tot uiting komend in een gestadig oplopen van het prijspeil (➝inflatie).

Dit vormt een belangrijk vraagstuk uit de geldtheorie. Geringe en geleidelijke geldontwaarding hindert niet al te ernstig het gebruik van het ruilmiddel en de rekeneenheid, maar kan toch ook bij langlopende contracten sterk voelbaar zijn en tot aanpassingen (➝indexering) nopen. Is de daling van de geldwaarde zeer snel en groot, dan moet soms op een andere rekeneenheid of ander ruilmiddel worden overgeschakeld; ➝geldhervorming.

GESCHIEDENIS De historische ontwikkeling van de concrete geldsoorten wordt gekenmerkt door een proces van geleidelijke dematerialisatie van het geld, d.w.z. vermindering van de betekenis van de geldstof voor de ruilmiddelfunctie, naar de fiduciaire geldsoorten. Het ruilgeld is ontstaan om de ruil te vergemakkelijken, maar daarvóór bestond volgens de historicus W.Gerloff al ‘Hortgeld’, d.i. schatgeld, dat voor sociaal prestige en in verband met religieuze functies werd aangehouden. Volgens B.Laum is geld ontstaan als onderdeel van een cultus; het diende als sacraal betaalmiddel aan de goden. In de economische wetenschap spreekt men van geld alleen voor datgene wat fungeert als rekengeld of als ruilgeld. In primitieve gemeenschappen en bij noodtoestanden treft men goederengeld; b.v. werktuigen, wapens, sieraden, kleding en tabak werden als ruilmiddel gebruikt, waarvan men nog sporen treft in Centraal-Afrika en Oceanië (➝kaurischelp). Reeds zeer vroeg in de geschiedenis treft men echter edele metalen als ruilmiddelen bij uitstek, want zij waren duurzaam, zeer schaars, waardevol in verhouding tot hun volume, gemakkelijk vervoerbaar, kwalitatief steeds min of meer gelijk, gemakkelijk deelbaar en samenvoegbaar zonder waardeverlies, niet bederfelijk en moeilijk vervalsbaar.

Zij circuleerden oorspronkelijk in de vorm van sieraden, daarna als stukjes onbewerkt metaal, waarvan de waarde telkens op basis van gewicht en gehalte moest worden bepaald (de zgn. pensatorische betaling). Een grote verbetering in het geldwezen was de invoering van gemunt geld in de westerse wereld ca.670 v.C. in Lydië (Klein-Azië) door koning Gyges, waarbij door muntslag de stukjes metaal doorgaans van overheidswege op gewicht en gehalte werden gegarandeerd en van een gewichtsof waardeaanduiding voorzien. Aanvankelijk kende men uitsluitend op grond van hun substantiewaarde geaccepteerde volwaardige munten van edel metaal en voor kleine betalingen van andere metalen (koper, ijzer). Doordat ieder tegen betaling van muntloon (seignorage) bij veelal onder toezicht van de overheid staande muntinrichtingen uit door hem aangeboden metaal deze munten kon laten slaan, resp. munten kon laten omsmelten, bestond er een nauw verband tussen nominale en intrinsieke waarde.

Er heeft nooit veel eenheid in het muntwezen bestaan, ondanks het feit, dat herhaaldelijk is getracht orde te scheppen (➝bank), die dan nog slechts van korte duur was; tevens werkte de feodale versplintering van Europa het ontstaan van een groot aantal muntsoorten in de hand. Bovendien kwam het dikwijls voor dat munten door besnoeiing of ➝muntverzwakking aan gewicht, dus aan intrinsieke waarde verloren. Dit leidde ertoe dat met het inruilen van dergelijke munten tegen niet-besnoeide geldstukken voordeel te behalen was, hetgeen tot veel verwarring in het muntwezen heeft geleid (➝Gresham, wet van). Uit de geschriften van de 13e-eeuwse Venetiaanse ontdekkingsreiziger Marco Polo blijkt dat in China toen reeds de gedachte volledig was uitgewerkt, dat het geenszins nodig was dat het geldstuk zelf de volle tegenwaarde bevatte, indien slechts ieder bereid is het te aanvaarden en men erop kan vertrouwen de tegenwaarde in gewenste vorm te kunnen ontvangen of het voor dezelfde nominale waarde weer tegen goederen te kunnen inwisselen; in China was al in 1024 het eerste papiergeld ter wereld uitgegeven, in principe gedekt door een vast percentage kopergeld. Zo ontstond het fiduciaire geld, waarvan de nominale waarde de intrinsieke waarde aanzienlijk overtreft.

Vanaf de 19e eeuw kwamen onvolwaardige munten op, waarvan de aanmunting aan de overheid was voorbehouden; konden deze aanvankelijk nog wel in volwaardige gouden of zilveren zgn. standaardmunten worden omgezet, geleidelijk werd ook deze band losser en verdween ten slotte geheel. Het bewaren en nog meer het transport van grote bedragen aan munten leverden veel moeite en risico’s op. Dit leidde ertoe geld in bewaring te geven bij geldwisselaars e.d., die daarmee tot kassiers werden. Ook gingen reeds in de late middeleeuwen kooplieden ertoe over metaalvoorraden bij relaties in vreemde plaatsen aan te houden en bij betalingen gebruik te maken van de door de Arabieren uitgevonden ➝wissel. Hieruit ontwikkelden zich o.a. twee geldvormen: het giraalgeld en het papiergeld (➝bankbiljet). [drs. J.G.Morreau] LITT.

A.Marshall, Principles of economics (1890); K.Wicksell, Geldzins und Güterpreise (1898); H. Schurtz, Grundriss einer Entstehungsgesch. des Geldes (1898); G.Simmel, Philosophie des Geldes (1900); D.H.Robertson, Money (1922); B.Laum, Heiliges Geld (1924); J.M.Keynes, The general theory of employment, interest and money (1936); W.Gerloff, Die Entstehung des Geldes und die Anfange des Geldwesens (1940); G.v.d.Wal, Rekeneenheid en ruilmiddel (1940); G.M.Verrijn Stuart, Geld en crediet (8e dr. 1953); E.V.Morgan, A hist. of money (1965); C.Glasz en G.J.M.Vlak, Geld en maatschappij (1968); R.F.Harrod, Money (1969); H.M.H.A.v.d.Valk, Het intern, monet. stelsel in een vernieuwingsfase (1972); S.Korteweg en F. Keesing, Het moderne geldwezen (3 dln. 1974-75); J.K.Galbraith, Money: whence it came, where it went (1975).